Ik wil lézen en leren! (maar kan het allang)
Volgende week vrijdag verschijnt de vierde aflevering van Historische klassiekers. Daarin kijken we wat er gebeurt als oude teksten worden gerestaureerd en gemoderniseerd. Voor iedere aflevering hertaalt een hedendaagse schrijver tien pagina’s van een vroegmoderne auteur en schetst een wetenschapper het historische en literaire decor. Zo overbruggen we de eeuwen, gedreven door nieuwsgierigheid naar wat ons verbindt.
Johanna Hobius is de volgende in de podcastserie Historische Klassiekers. Wie? Ja, Hobius is een naam die bij de meesten waarschijnlijk geen bel doet rinkelen. Toch is ze een interessante schrijver in de literaire en intellectuele geschiedenis van de Republiek. Hobius is namelijk de eerste vrouw van wie we weten dat ze een boek publiceerde onder haar eigen naam over een niet-religieus onderwerp. Dat alleen al maakt haar uitzonderlijk.
Nu hadden vrouwen vóór haar beslist al over wereldse zaken gedicht; zie de eerste drie afleveringen van deze podcastreeks. Sommigen leverden gelegenheidsgedichten of drempeldichten die als blurb cachet gaven aan de bundels van mannelijke auteurs. Bekend werd je als vrouw in de vroege zeventiende eeuw vooral door opname in die bundels van mannen, wat ook geldt voor veel van de bonusauteurs van de eerste drie afleveringen. Maar onder eigen naam een hele bundel publiceren over wereldlijke zaken, nee. Dat had een vrouw vóór Hobius nog niet voor elkaar gekregen.
Maar oeps. Meteen moet daar een kanttekening bij. Je hoeft je Hobius niet voor te stellen met een handgeschreven manuscript onder haar arm, met de andere haar zwartzijden rokken optillend voor alle modder op straat, zich haastend richting een Amsterdamse drukker. De Lof voor alle Eerbare Vrouwen en jongh-vrouwen, en een tegenwerpinge aen alle verachters der selver verscheen in 1643 en werd bezorgd door haar echtgenoot. Toen was deze Zeeuwse al overleden. De lof die haar voor dit boek wellicht werd toegezwaaid, heeft ze dus zelf nooit ontvangen.

We weten bar weinig over haar leven. Judith Brouwer en Harm Nijboer spitten de archieven door en ontdekten dat de Zeeuwse Jannetje of Janneken, geboren rond 1614 in Brouwershaven, haar ouders verloor toen ze zes was. Haar vader had een lofdicht geleverd voor een bundel van Jacob Cats; hij was familie via haar overgrootmoeder. Er zal dus wel wat dichterlijk bloed door haar aderen hebben gestroomd. Hobius ontving een bundel van Cats en bedankt hem daar voor – net als Anna Roemers – in een gedicht. In 1641 trouwde ze, ogenschijnlijk na er eerst nog eens goed over na te denken (zie daarvoor het gedicht ‘Volgen eenighe Rijmen van Juffr. Iohanna, noch (zijnde Vrijster, en daer na Vrouwe) geschreven aen haer gheliefde’ (hertaald door Maud Vanhauwaert) maar een jaar later liet ze het leven, vermoedelijk in het kraambed. Haar man bezwangerde ondertussen in Amsterdam een dienstmeid. Later werd hij in die stad door de schout bij de kraag gevat omdat hij ruzie aan het zoeken was. Nee, hij was geen lieverdje. Aan drama’s geen gebrek, ook toen niet.
Belangrijker dan deze biografische feiten is de vraag wat voor tekst Hobius schreef, want die tekst is heel spannend, vooral door de manier waarop Hobius handig inspeelt op de context. Let op, ik ga wat uitweiden.
Aan het begin van de zeventiende eeuw lijkt zich in de Republiek een soort demi-monde te vormen waarin vrouwen een opvallende rol spelen. Dat heeft mogelijk te maken met de beeldvorming rond de Hollandse Maagd, die aan het einde van de zestiende eeuw was ontworpen om de Zeven Provinciën tot eenheid te smeden. De Maagd, geregeld op een troon gezeten in een door wilgentenen omrande tuin, werd een archetype en kwam je overal tegen: op munten, in kerkglas, pamfletten, noem maar op. Ze stond voor de politieke autonomie van het land en werd voor vrouwen wellicht een inspirerend voorbeeld om te leiden en zichzelf zichtbaar te maken.

In Den Loff der vrouwen uit 1622 schrijft Johan van der Does zelfs dat vrouwen met hun deugd de mannen ‘verpletten’ en dat wie dit ontkent wel ‘gheck, bot of dol’ moet zijn. Hij noteert ook:
de vrouw doet veel daer de mans gheen kennis van draghen
en wil de man het doen
hij moet eerst ’t wijf gaen vraghen
Hierin klinkt de echo van de hennentaster door: een komisch motief waarin de rollen binnen het huwelijk worden omgekeerd en de man een flater slaat als hij het werk van de vrouw overneemt. Het motief was al populair voordat de reformatie begon. Maar ho. Nu moet je niet denken dat Van der Does werkelijk de vrouwen lof wilde bezingen. Hij voerde louter een retorisch spel op voor zijn Gorcumse rederijkerskamer: het onderwerp vrouwen deed er minder toe dan de virtuositeit van zijn betoog. In feite was hij spierballen aan het rollen. Wel noemt hij Anna Roemers als geleerde vrouw: zij is een moderne Sappho. Blijkbaar had hij de naam van de toen zo beroemde Roemers nodig om zelf opgemerkt te worden en toegang te krijgen tot literaire netwerken. Soms was het dus wel handig om vrouwen te noemen.
Zowel de vrouwenlof van Hobius als die van Van der Does passen in een veel oudere traditie: de querelle des femmes, het kruisen van de degens over de aard, de waarde en de rol van vrouwen, begonnen met Giovanni Bocaccio en Christine de Pisans Livre de la Cité des Dames (1405: lees dat boek, je zult versteld staan). Dat debat werd tijdens de Reformatie sterker. Eerder gold het celibaat als hoogst haalbare ideaal, maar met het nieuwe geloof werd het huwelijk verheven tot norm. Ehh, maar wat betekende dat precies voor de rol van de man? Man en vrouw waren samen verantwoordelijk voor het huishouden als mini-staat, maar het gezag lag bij de man. Toch?
Nou, niet in de Republiek. De vrouw regeerde het huishouden, zij was daar de baas. En wat hij buitenshuis deed, was aan hem. Tegelijk speelde er iets anders, wat het gecompliceerder maakte: het argument van Paulus uit de Eerste brief aan de Korintiërs dat vrouwen in de kerk hun mond moesten houden. Haar zwijgen werd zíjn eer. Bovendien gaf de vrouw door te zwijgen het moreel juiste voorbeeld, zodat de man niet zou gaan schuinsmarcheren. Kortom: als een vrouw niet het deugdzame voorbeeld gaf, was de man verloren (fijn die erfzonde, want zij was dus schuldig). Een lastige combi: vrouwen hadden opeens vrijheid binnenshuis, maar waren tegelijk verantwoordelijk voor het gedrag van hun man buitenshuis. Terwijl ze daar nou juist niet zoveel te zeggen hadden.
Dit is allemaal theorie natuurlijk, voor de hogere klassen, want notariële akten en rechtbankverslagen laten zien dat vrouwen toen in allerlei geledingen van de maatschappij hun mond wel degelijk opendeden en deel uitmaakten van de wereld buitenshuis.

Maar Hobius gaat een vrouwenlof schrijven en moet dus een voorbeeld stellen voor de gehuwde regentenvrouwen en vrouwen van rijke kooplui. Tja. Dan móet ze bijna wel met dubbele tong spreken. Aan de ene kant stelt ze daarom de lezer gerust: de vrouw zal zich heus deugdzaam gedragen. Zo bevestigt Hobius de patriarchale orde. Aan de andere kant pleit ze voor vrouwelijke geleerdheid en wijsheid. Niet door de Bijbel terzijde te schuiven, maar door die juist opnieuw ter hand te nemen. En daar, dames, heren en x-en, wordt het echt leuk. Wanneer zij het klassieke misogynie-argument over de erfzonde uit Genesis bespreekt, draait ze dat om:
Maer siet eens ofter meer verstant in Adam stack:
De Vrouwe sprack nog eens, dit zyn verbode vruchten,
Die hier van eeten sal die kan God niet ontvluchten.
Het Vonnis is te swaer de doodt is hem bereyt;
Maer ach! het listig Dier dat heeft hem noch verleyt. […]
Hy straft de Vrouwe niet, hy spreeckt gheen deftigh woort,
Maer gaet ooc onbedacht in syne sonde voort.

Eva begrijpt het verbod en benoemt de consequenties, maar Adam… Nouja zeg, die handelt zonder nadenken! Foei. Hobius verwerpt zo de Schrift niet, maar berispt wel fijntjes de vrouwenverachters. Deze retorische herlezing past natuurlijk perfect binnen de querelle des femmes: vrouwen zijn niet dommer, maar handelen minstens zo rationeel als mannen.
Grappig is dat uit de gedachte dat mannen en vrouwen dezelfde vermogens bezitten, ook voortvloeit dat zij tot kwalijke daden in staat zijn. Iets wat Hobius helemaal niet ontkent:
Men vint oock wel ’t is waer veel Goddeloose vrouwen,
Wiens boosheyt is bekent daer van de vromen grouwen:
Wiens Lichaem is besmet, wiens ziele door de sondt,
Geduyrigh nederdaelt tot in der Hellen grondt.
Siet Sara was een Vrou, een vrome ziel rechtveerdigh,
En Iesabel seer wreet tot allen boosheyt veerdigh:

Maar, zo redeneert ze dan: dat er kwalijke vrouwen waren, is nog geen reden om vrome vrouwen níet te loven? Zijn de goede vrouwen afgeschreven omdat er slechte vrouwen bestaan? Dat zou toch net zo ridicuul zijn als het kind met het badwater weggooien:
Wel salmen dan den Lof bedecken van den Vromen
Daer van dat menichmael is soo veel goet gekomen:
Om dat een lichte Koy in stoute sonden leeft,
En haren soete vreught te vuylen Rancken geeft;

De oplossing die Hobius vervolgens kiest om vrouwelijke geleerdheid te legitimeren is strategisch en voor ons moderne lezers misschien iets moeilijker te verkroppen. Ze laat die geleerdheid terugvloeien naar de man. Hoe aangenaam is het immers voor een man om een wijze vrouw naast zich te weten? Dus: laat vrouwen lezen, leren, boekjes oppakken, dat komt uiteindelijk de man ten goede. Dat formuleert ze nergens zo helder – en zo tactisch – als in deze passage:
Is niet een wijse Vrouw een gave van den Heere,
Sy is haer huys een vreugt, en hout haer Man in eere: […]
Men sal door haer verstant haer man oock eer bewysen,
Men sal hem in den Raet en in de poorten prysen.

Dit is Hobius’ dubbele tong in haar zuiverste vorm. Vrouwelijke wijsheid wordt niet gelegitimeerd tegen het patriarchaat, maar binnen het huwelijk. De vrouw wordt wijs en juist daardoor stijgt de man in eer. Dus hier met die boeken!
Vast onderdeel van vrouwenloven was een rijtje met namen die de deugden van de vrouwen bewezen. Juan Luis Vives betoogde al in 1554 dat eerbaarheid en geleerdheid elkaar bij vrouwen niet uitsloten. Zijn werk werd in de Republiek veel gelezen. Jacob Cats verdedigde dit standpunt opnieuw in Maechden-plicht (1618), dat opgedragen was aan Anna Roemers. Roemers publiceerde een gedicht in de Zeeusche nachtegael, dezelfde bundel als waarin Hobius’ vader en ook de Zeeuwse Johanna Coomans een gedicht hadden gepubliceerd. Daar had Hobius dus al twee vrouwennamen te pakken.
Die zet ze mooi neer in haar lof. Ze dicht hoe Coomans de jongens instrueert in liefdesaangelegenheden, terwijl Roemers dat doet voor de meiden. Zo zijn de dichters in haar lof complementair aan elkaar en noodzakelijke stemmen in de Republiek. Coomans noemt ze een Zeeuwse bloem, Roemers een Hollandse. Maar boven allen verheft ze Anna Maria van Schurman, ‘de bloeme van het land’. Van Schurman doorbreekt de grens tussen mannelijke en vrouwelijke geleerdheid. Hobius erkent dat ze zelf tekortschiet om Van Schurman naar behoren te loven zoals ze dat ook bij werk van mannen zou doen, waarmee ze Van Schurmans werk expliciet gelijk aan dat van mannelijke geleerden stelt.
Opvallend is dat Hobius zich zo zelfbewust tot de kwaadsprekers richt die ze uiterst beleefd de oren wast. Daarmee eigent ze zich een positie toe die aan mannen was voorbehouden. En ze dicht ook nog eens in alexandrijnen, het mannelijke genre bij uitstek. Ze spreekt meestal niet over ‘wij’ of ‘ons’, maar over ‘zij’ en ‘haar lof’, alsof ze buiten het vrouwelijk collectief staat en zich dus helemaal niet hoeft te verdedigen. Ze noemt zichzelf een eenvoudig Zeeuws meisje, zonder scholing, maar, hearhear, wat een twist en wat een truc, ondertussen toont ze dat een ‘kloeke vrouw door wijsheid kan presteren’ en schaart ze zichzelf in dat rijtje. Slim toch?
Tot slot nog iets over het feminisme, wat natuurlijk nog helemaal niet als zodanig bestond in die tijd. Ik vond het heel frappant om te merken dat juist toen twee gedachten ontstonden die feministen tot vandaag bezighouden:
- hebben vrouwen dezelfde aangeboren vermogens als mannen, is deugd “mannelijk”, en kan een deugdzame vrouw dus mannelijk genoemd worden? Ergo: gaat we uit van gelijkheid en dus het gelijkheidsfeminisme
- of is de vrouwelijke deugd wezenlijk anders en zelfs superieur, en is een mannelijke deugd bij vrouwen daarom tegennatuurlijk? Ergo: gaan we er vanuit dat mannen en vrouwen anders zijn en volgen we het verschilfeminisme?
Ik vind het razend spannend dat vrouwen als Hobius al in de eerste helft van de zeventiende eeuw met dit soort vragen stoeiden. Want ze was natuurlijk niet alleen. Anna Maria van Schurman hield in het Latijn net zo’n pleidooi. Ook buiten de Republiek waren vrouwen hier begin zeventiende eeuw mee bezig. Bijvoorbeeld Moderata Fonte met Giustizia delle donne en Il merito delle donne, postuum gepubliceerd in 1600 in Italië of de Engelse Aemilia Lanyer met haar Salve Deus Rex Judaeorum in 1611. En ook mannen dachten hierover na. Neem de arts Johan van Beverwijck, een aangetrouwd familielid van Anna Roemers, die in Van de wtnementheyt des vrouwelicken Geslachts (1639) stelt dat vrouwen niet van nature tot het huiselijk domein veroordeeld zijn: met gelijke kansen zijn ze tot hetzelfde in staat als mannen en kunnen ze in dezelfde beroepen werken. Genderrollen zijn dus geen natuurgegeven, maar het resultaat van gewoonte en cultuur. Hoe modern!
Nu maakt Maud Vanhauwaert, die hierboven al enkele keren geciteerd werd, met haar hertalingen deze tekst van Hobius opnieuw toegankelijk. Zo wordt pas echt zichtbaar wat voor truc Hobius uithaalde, haar slimme zet voor de geleerde vrouw in een eeuwenoud debat dat – helaas – nog altijd doorgaat (sinds scholen meiden nog steeds onderschatten in opleidingsadviezen).
Je kunt de tien pagina’s hertalingen van Hobius’ werk in z’n geheel lezen op de site van Fixdit. Niet de hele lof zal in de podcast worden voorgedragen. Welke passages wel, hoor je volgende week vrijdag, in de podcast over Johanna Hobius. Dan hoor je meer!
Dit stuk verscheen eerder op de substack van Historische klassiekers
Mooi