• Door naar de hoofd inhoud
  • Skip to secondary menu
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Neerlandistiek

Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek

  • Over Neerlandistiek
  • Contact
  • Homepage
  • Categorie
    • Neerlandistiek voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal

Hoe Tesselschade Roemers de mannen de baas was met haar speelse eruditie

10 januari 2026 door Fleur Speet Reageer

Volgende week vrijdag verschijnt de derde aflevering van Historische Klassiekers. Daarin kijken we wat er gebeurt als oude teksten worden gerestaureerd en gemoderniseerd. Voor iedere aflevering hertaalt een hedendaagse schrijver tien pagina’s van een vroegmoderne auteur en schetst een wetenschapper het historische en literaire decor. Zo overbruggen we de eeuwen, gedreven door nieuwsgierigheid naar wat ons verbindt.

De gedichten van Tesselschade Roemers (1594-1649) maakten indruk op bijna iedereen in haar tijd: Pieter Hooft, Constantijn Huygens, Caspar Barlaeus; ze liepen met haar weg. Haar maniërisme ging hen soms wel wat boven de pet: al die ingewikkelde, scherpzinnige bedenksels van woorden met paradoxale begrippen die doordrenkt waren met ironie… “Grijze jeugd”: huh, hoe kon de jeugd nu grijs haar hebben? Toch waren Hooft en Huygens ook maniëristen: ze herkenden natuurlijk genoeg. Haar poëzie circuleerde in brieven, een paar werden in druk gepubliceerd.

Roemers had vanuit huis een humanistische opvoeding gekregen: ze had Frans en Italiaans geleerd, leren zingen, schilderen en zelfs leren zwemmen. Misschien kon ze ook schermen en waarschijnlijk kon ze paardrijden. Via haar vader en haar zus Anna Roemers (over wie de vorige aflevering gaat: hier te beluisteren), leerde ze heel wat mensen kennen in het literaire, culturele en intellectuele circuit van die dagen.

In 1624 trouwde ze met een adellijke man in Alkmaar. In 1634 overleden hij en hun oudste dochter. Ze bleef heel haar leven weduwe, al dongen meerdere mannen naar haar hand. Haar schrijven kwam pas na 1634 goed op gang. Ze dichtte iedere dag, vertelt haar vriend Caspar Barlaeus ons.

NB: Er is geen portret van Tesselschade Roemers overgeleverd. Dit is een fictieve weergave.

Toch hebben we maar 34 gedichten van haar over. Dat kwam ten eerste omdat ze er achteloos mee omging. Ze ondertekende vaak niet, of alleen met haar motto ‘Elck syn waerom’. Ze voorzag haar brieven en gedichten evenmin van een datum, alsof ze haar poëzie rondstrooide als iets wat niet meer van haar was: doe er maar mee wat je wilt. Wat ook niet hielp: haar erfgenamen zagen er geen brood in haar teksten te bewaren. Haar manuscripten kwamen in handen van haar neefje Roemer Boot van Wesel (een zoon van Anna Roemers), een advocaat die zelf literaire aspiraties had. Hij vond haar werk niet interessant genoeg; het was door een vrouw geschreven. We zouden hem postuum door elkaar willen schudden. Mafkees!

Ilja Leonard Pfeijffer pakte de poëzie op, maar ging er natuurlijk helemaal niet achteloos mee om. In de geest van Tesselschade Roemers hertaalde hij tien van haar gedichten, die bol staan van verwijzingen naar andere dichters, naar mythologie en politieke geschiedenis, naar gebruiken uit die tijd en knipoogjes. Haar doel lijkt zo veel mogelijk te zeggen met zo min mogelijk woorden. Dat maakt haar poëzie wat lastig leesbaar, maar door de hertalingen van Pfeijffer valt er een nieuw licht op dit indrukwekkende werk. Sterker nog: opeens kun je ontroerd raken! Luister volgende week vrijdag maar naar de podcast.

Hieronder volgt een toelichting op de hertalingen, die vanaf vandaag hier te vinden zijn.


1. ‘Sonnet geïnspireerd door sonnetten van P.C. Hooft en C. Huygens’

Naar een idee van haar zus Anna Roemers, ging een stel dichtersvrienden elkaar voor de grap de maat nemen met gedichten over het woord “schoncken”, ofwel: zuigen of opnemen. Anna Roemers en Constantijn Huygens hadden gedichten uitgewisseld over merg uit leeuwen gezogen, een hyperbool voor fysieke of heroïsche kracht en de vrienden varieerden daarop als spel.

Roemers zegt in haar versie eigenlijk: beschaving, taal en moraal zijn sterker dan militair geweld (“helterij”/ heldendom en oorlog acht zij lager dan het gedicht, ofwel: rede en beschaving gaan altijd boven geweld). Een heel humanistisch uitgangspunt.

Huygens veranderde het woord “minvaders” in “moetblazers” omdat hij het zag als een verschrijving. De wetenschappers Olga van Marion en Agnes Sneller ontdekten dat er in het origineel “minvaders” stond. Roemers bedoelde met dit woord dat de mannen de voedsters waren van de Nederlandse cultuur, een manier om hen te prijzen met een vrouwelijke vorm. Tegelijk laat ze zien dat ze goed “mee kan doen” met de mannen, door hun humanistische idealen te kopiëren in haar poëzie. Zo maakte zij zichzelf tot hun gelijke.


2. ‘Op de tweede sterfdag van mijn man Allert’

Dit gedicht staat bekend onder de eerste dichtregel: “Ghelijck als Onder ’t Juck van sinne slavernijen” en moet geschreven zijn op 1 mei 1636. Het verwijst naar Hemelvaart 1634, de dag waarop haar man “ten hemel voer”.

Precies in mei 1636 was vriend Caspar Barlaeus in Alkmaar, hoewel het gedicht aan Pieter Hooft is gestuurd. Heeft Roemers het gedicht geschreven om Caspar duidelijk te maken dat zij niet op zijn avances wenste in te gaan, omdat haar liefde voor haar man en de rouw om zijn overlijden nog veel en veel te groot waren? “Al-hert”, dicht ze. Betekent dat, zoals een wetenschapper veronderstelt: heel mijn hart is aan Allert (Jansz Crombalch)?

In dit gedicht scheidt ze haar geest en haar lijdende lichaam. Het leed is als een juk dat zij als slaaf droeg. Maar het is een zelf opgelegd verdriet, dus waarom doet zij dat? Moet ze daar niet eens mee ophouden en stoïcijns de rede boven het lichamelijk voelen zetten?

Of zegt ze: ja, laten we verder leven, hup, schouders eronder, want mijn man ontbeert niets, zoals iedereen die dood gaat en bij God is. Ik wil het niet, maar zijn zaligheid is belangrijker dan mijn lichaam dat lijdt omdat het hem mist (“tot het in traenen plast”). Zo gesteld zou het bijna blasfemisch zijn nog aan haar echtgenoot te hangen nu hij bij God zijn schepper is.


3. ‘Voor Constantijn Huygens Bij de dood van zijn vrouw Sterre’

Beroemd is Roemers geworden met dit gedicht, waarin zij Huygens een hart onder de riem steekt met zijn eigen woorden; zijn vertaling van een gedicht van John Donne over kwelling op de maat, die zij las toen haar man overleed. Dus ze spreekt uit ervaring als ze zegt: “En stel sijn leed te boeck, zoo heeft hij ’t niet t’onthouwen”. Het heeft haar ervan weerhouden “te willen sterven”.

Jaren later, als Roemers al dertig jaar geleden is overleden – Huygens is inmiddels 85 – herinnert hij zich nog die troostende regel, die hij altijd heeft gekoesterd. Hij raakte er kortom niet over uitgepraat hoe briljant Roemers dichtte: “dat nooit zo’n sterke zin geschroefd stak in één woord”.


4. ‘Aan Trajectina Ogle’

Roemers schrijft dit lofdicht in 1641 voor het vriendenboekje van Trajectina Ogle en stuurt het aan Caspar Barlaeus om te checken op spelfouten. Ogle’s vader was wegens heroïsche daden tot adel verheven en voerde trots een eigen wapenschild: een begeerlijk dingetje toen, want moeilijk te krijgen. Roemers eigen man had er ook een, net als daardoor zijzelf: in Alkmaar verkeerde zij in adellijke kringen (wat overigens heel wat bescheidener was dan verkeren in de kringen van Amsterdamse kooplui: die bulkten van het geld door de winsten die ze maakten met de stapelhandel in hout, huiden, teer en tarwe).

Roemers eert Ogle’s adellijkheid “zonder schram”. Roemers vindt haar vriendin niet alleen heel wijs, maar grapt ook dat zij precies op het juiste moment een grapje weet te maken. Bovendien maakt Ogle precies op tijd een eind aan gewichtigdoenerij, relativeert Roemers. Ja, Ogle is waarlijk edelzinnig. Daar heeft ze helemaal geen vaderlijk wapenschild voor nodig; juist haar afzien van roem maakt haar adellijk.

Roemers hangt het gedicht op aan de loterijen, Vrouwe Fortuna (Ogle is een goed lot), waarvan de opbrengst indertijd naar de armen ging. Vanaf 1619, na de Dordtse Synode, verbood de protestantse regering publieke loterijen (en ander ‘katholiek’ volksvermaak), maar een jaar voordat Roemers haar gedicht schrijft, mogen de loten weer worden verkocht. Indirect viert Roemers zo ook dat volksgebruik.


5. ‘Aan Johan Albert Ban op zijn Liedboek’

Predikant Johan Ban uit Haarlem ontwikkelde een eigenzinnige muziektheorie op basis van gevoel en noten. Hij schreef die op in streng Nederdiets: het moest Nederlandse zuiverheid zijn wat de klok sloeg. Graag wilde hij zijn theorie toetsen door gedichten “op noten te stellen”. Die van Pieter Hooft, maar ook die van Tesselschade Roemers. Pieter vond het best, Roemers ook.

Aanvankelijk waren de vrienden erg ingenomen met Ban, maar nadat Huygens zijn muziektheorie had voorgelegd aan een Franse intellectueel en aan de vlakbij Alkmaar wonende Descartes, en die beiden neerbuigend op Ban’s theorie reageerden, wist Huygens niet hoe snel hij zijn banden met Ban moest verbreken. Roemers had daar geen weet of geen last van: zij zocht hem op in Haarlem en schreef twee odes op zijn werk.


6. ‘Aan P.C. Hooft, op zijn ziekbed over de aantijgingen tegen mij van Barlaeus en Huygens’

Dat Roemers geen watje was, blijkt uit dit gedicht. Zij was zojuist vanwege haar bekering tot het katholicisme aangevallen door Huygens, die haar onder andere een “roomse hoer” had genoemd. Hij was een rechtgeaarde calvinist die als pennenlikker in dienst van stadhouder Frederik Hendrik niet eens een keuze voor een ander geloof kón maken (wie een publieksfunctie had, moest immers protestant zijn). Hij was naar eigen zeggen zo in zijn wiek geschoten, omdat hij zo verschrikkelijk van haar hield. Dáárom wilde hij, samen met vriend Barlaeus, Roemers weer op het rechte pad brengen.

Roemers antwoordt dat zij alle stampei die de heren maken, alle beledigingen die zij naar haar hoofd slingeren, zal verdragen zodat haar BFF Pieter Hooft – die dan ziek is en aan koortsen lijdt – zich kan vermaken. Is het geen lolletje, wat die jongens doen? Is dat geen goed medicijn: lekker lachen? Ze heeft het voor hem over; álles zodat Pieter weer beter wordt.


7. ‘De laatste reis’

Een Italiaans motto van Petrarca gaat aan dit gedicht vooraf. Roemers was bekneist in het Italiaans. Pieter had voorgesteld dat Roemers zou zingen bij de intocht van de Franse koningin-moeder Maria de Medici in de Republiek, augustus 1638, omdat ze zich dan weer in Italië zou wanen (waar De Medici vandaan kwam). Ook vertaalde Roemers Italiaanse werk, waaronder dat van Torquato Tasso, Jeruzalem bevrijd. Dit weten we alleen maar omdat hierover gesproken wordt en iedereen naar de hertaling uitziet. We hebben maar een stanza en het was een kloek boek.

Als Pieter Hooft de achterkant van het blad met dit zorgvuldig gekalligrafeerde gedicht niet had gebruikt om een snelle aantekening te maken voor zijn Historieën, en hij niet zo zorgvuldig zijn kladjes bewaarde, dan hadden wij dit gedicht niet bezeten. Het kan verkeren, om het maar met Roemers dichtersvriend Brederode te zeggen.

Wederom biedt Roemers troost voor de dood: het is haar thema, zo lijkt het wel. Ze dicht dat voor de aardse reis gezondheid van groots belang is. Voor een zieke is het vooruitzicht van de dood troost bieden door de verlossing van het lichaam. Voor iedereen gaat de weg naar Italië anders, maar een moeiteloze tocht die niet naar het koninkrijk God leidt, is troosteloos. Ze verwijst hiermee naar de Grande Tour die jongens maakten na hun Latijnse School: Italië was een geliefd reisdoel als centrum van cultuur en wetenschappen, maar voor Roemers – denkbeeldig – ook voor de reis naar God. Want in Rome zat de paus natuurlijk.


8. ‘Aan Boetius van Elslandt, leerling van Barlaeus, naar aanleiding van zijn gedicht op diens dood’

Waarschijnlijk is dit het laatste gedicht dat Roemers schreef. Begin 1647 overleed haar BFF Pieter Hooft. Enkele maanden later, op 31 augustus, stierf haar enige nog overgebleven dochter – de derde die zij verloor – terwijl zij net ontbloesemde, negentien jaar oud. Het is moeilijk je voor te stellen dat het haar niet gebroken heeft om als laatste van het gezin over te blijven.

Daarna wordt het stil rond Roemers. In de archieven duikt zij nog maar zelden op; wat we wel zien, is dat zij in deze jaren ziekelijk was. Misschien schreef ze dit gedicht, naar aanleiding van de dood van haar andere goede vriend Caspar Barlaeus, vanuit haar bedstede: zo’n smalle, houten slaapkast waarin je niet kon liggen, maar alleen zittend kon slapen. Caspar werd begraven op 14 januari 1648. Of Roemers daarbij aanwezig was, weten we niet, maar ze stak wel troostend zijn leerling een hart onder de riem door te stellen dat ware geleerdheid en vriendschap niet sterven bij de dood. De rouw wordt overgedragen aan de stad, aan “het Amsterdamse Athene”: het humanistische ideaal van Amsterdam als centrum van geleerdheid. Caspar behoort vanaf nu niet langer aan vrienden, maar aan de republiek der letteren.


9. ‘Gedicht in de modder gevonden’

Dit gedicht is niet gedateerd en ook is onbekend wie er met Cecilia of met de jager Silvius bedoeld zijn. De jacht- en de dichtkunst staan in dit gedicht aan elkaar gelijk. Cecilia zegt tegen de jager: ga toch weer dichten, man, dat deed je veel beter dan jagen. Cecilia was de patrones van de kerkelijke muziek en Silvius is een verwijzing naar de pastorale: het landelijke, natuurlijke leven. Keert Roemers zich hier tegen het idealiseren van het pastorale leven?


10. ‘Een minnaar spreekt tot Cupido’

Ook dit gedicht behoort tot haar ongedateerde werken en het is hoogst romantisch. Roemers pakt als het ware het estafettestokje op: eerst dicht de Italiaan Battista Guarini de madrigaal (gezongen gedicht) T’amo, mia vita, daarna maakt Pieter er een breed sonnet van en vervolgens zet Roemers het nog eens om in een veel puntiger versie: “Mijn Lief ik min uw”. Om een liefdesverklaring uit te spreken, moeten eerst de lippen van elkaar wijken, je kunt niet kussen en spreken tegelijk. Een inzicht dat alleen Roemers verwerkt in haar gedicht. Roemers blijft ook dichter bij het origineel van Guarini en maakt met de opsomming van lichaamsdelen subtiel de liefde tweezijdig: in lichaam én geest. Plaats de woorden in mijn borst zodat de begeerte blijft branden! Over wie zou het gaan?


Zeker is dat Roemers in de zomer van 1649 nog eenmaal naar Amsterdam reisde, voor het tweede huwelijk van haar neef Willem van Buyl. In maart had zij inmiddels ook vriend Gerard Vossius verloren. Diezelfde zomer werd ze ziek. Kort daarna stierf ze, waarschijnlijk in het huis van haar zus, 55 jaar oud.

Op 20 juni 1649 werd ze begraven in de Oude Kerk, “met twee posen beluid”. Kortom: iedereen in de stad kon het horen. Maar wie nu haar grafsteen wil bezoeken, komt te laat: de graven in de kerk zijn inmiddels geruimd. Heel misschien vind je iets van haar in een van de tentoonstellingsruimten achterin de kerk, waar de geschiedenis inzichtelijk wordt gemaakt. Door een raam in de vloer kun je naar gedolven resten kijken. Wie weet, is een van die botjes van haar geweest.

(Onder de aankondiging helemaal bovenaan ziet u de afbeelding van een moderne replica van Roemers’ schoenen, waarvan er een is gevonden in de beerput van de Langestraat 60 in Alkmaar, waar zij twintig jaar woonde.)


De tien pagina’s hertaling, met de originelen ernaast, vind je hier in pdf. Niet alle hertalingen worden in de podcast besproken. Welke dat wél zijn? Dat hoor je volgende week vrijdag in de podcast over Tesselschade Roemers, die – heel spannend – opgenomen is op de zolder van het Muiderslot!

Dit stuk verscheen eerder op Historische Klassiekers

Delen:

  • Klik om af te drukken (Opent in een nieuw venster) Print
  • Klik om dit te e-mailen naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
  • Klik om te delen op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
  • Klik om te delen op WhatsApp (Opent in een nieuw venster) WhatsApp
  • Klik om te delen op Telegram (Opent in een nieuw venster) Telegram
  • Klik om op LinkedIn te delen (Opent in een nieuw venster) LinkedIn

Vind ik leuk:

Vind-ik-leuk Aan het laden...

Gerelateerd

Categorie: Artikel Tags: 17e eeuw, hertalen, Ilja Leonard Pfeijffer, letterkunde, Tesselschade Roemers Visscher

Lees Interacties

Laat een reactie achterReactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Primaire Sidebar

Gedicht van de dag

Johan de Brune • Onbenoegen van mond en ogen

Ik mag nauw uw gelaat, die englentroon, belonken,
Of mijn kuszieke mond brandt straks* van minnenijd;
Doch boet zij hare lust, aan de uwe vastgeklonken,
Zo barst mijn oog van spijt.

➔ Lees meer

Bekijk alle gedichten

  • Facebook
  • YouTube

Chris van Geel

ZATERDAGAVOND

Met mijn moeder naakt in bed
dacht ik, kijk ik hoef mij maar te wentelen,
maar ik lag stil en at mijn reep.

Bron: Barbarber, oktober 1970

➔ Bekijk hier alle citaten

Agenda

25 januari 2026: Wel verdiend, niet ontvangen

25 januari 2026: Wel verdiend, niet ontvangen

8 januari 2026

➔ Lees meer
17 januari 2026: Grondvergadering Jacob Campo Weyerman

17 januari 2026: Grondvergadering Jacob Campo Weyerman

7 januari 2026

➔ Lees meer
16 januari 2026: Tweede studiemiddag Forensische taalkunde

16 januari 2026: Tweede studiemiddag Forensische taalkunde

4 januari 2026

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle agendapunten

Neerlandici vandaag

sterfdag
1992 Theo Weevers
➔ Neerlandicikalender

Media

Johanna Coomans, Margaretha van Godewyck en Gesina Brit

Johanna Coomans, Margaretha van Godewyck en Gesina Brit

10 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
Buitenleven van Willem Sluiter

Buitenleven van Willem Sluiter

10 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
Literaire tijdschriften: Tirade, DWB, KlugerHans & nY

Literaire tijdschriften: Tirade, DWB, KlugerHans & nY

10 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle video’s en podcasts

Footer

Elektronisch tijdschrift voor de Nederlandse taal en cultuur sinds 1992.

ISSN 0929-6514
Bijdragen zijn welkom op
redactie@neerlandistiek.nl
  • Homepage
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Over Neerlandistiek
  • De archieven
  • Contact
  • Facebook
  • YouTube

Inschrijven voor de Dagpost

Controleer je inbox of spammap om je abonnement te bevestigen.

Copyright © 2026 · Magazine Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in

  • Homepage
  • Categorie
    • Voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal Neerlandistiek
  • Over Neerlandistiek
  • Contact
 

Reacties laden....
 

    %d