Aan het begin van de zeventiende eeuw bruist het in de provincie Holland. Met name steden als Amsterdam en Alkmaar ontploffen bijna; ze groeien uit tot culturele en commerciële centra, waar handel, kunst en wetenschap floreren. Voor vrouwen biedt dit nieuwe kansen: ze treden niet alleen op als Muze, spion of als opdrachtgever van een schilder als Vermeer, maar vertonen zich net zo goed in het dagelijks leven als visverkoper, bierbrouwer, herbergier of regentes van religieuze gemeenschappen. In deze context begint de Nederlandstalige literatuur steeds meer op te bloeien.
En opmerkelijk genoeg vinden we vanaf dan ook steeds meer vrouwen die hun stem laten horen. Zo mengt Judith Lubbers zich als doopsgezinde met mystieke reflecties in de poëzie. Zo stort God ‘zijn zaad’ in Antoinette Bourignon om ‘zijn kinderen’ te baren; ze is de productiefste vrouwelijke auteur van de hele zeventiende eeuw. En zo gebruikt Alida Bruno poëzie als sociaal cement en regelt daarmee even een baantje. Door hun verhalen naast elkaar te leggen, zien we hoe vrouwen aan het begin van de zeventiende eeuw literaire ambities konden combineren met vriendschap, geloof, goede sociale posities en politieke betrokkenheid.

Die drie dichters staan centraal in de bonustrack 3.1 van Historische Klassiekers, onderdeel van de derde aflevering over Tesselschade Roemer, te beluisteren hieronder of in uw favoriete podcast-app. Hier vindt u meer informatie over deze drie.
Een mystieke ‘kousenstopster’ gaat haar eigen weg
Het leven van Judith Lubbers (1601‑ca. 1670) laat zien hoe de wereld van een zeventiende-eeuwse vrouwelijke dichter kon zijn. Deze doopsgezinde Amsterdamse verbleef enige tijd in Alkmaar, net in de jaren dat ook Tesselschade Roemers daar woonde. Al op jonge leeftijd raakte Lubbers betrokken bij mystieke stromingen zoals de leer van de wedergeboorte. Een man die haar in de gaten hield noemde haar spottend ‘een kousenstopster’, maar gezien zijn afkeer van alles wat met mystiek te maken had, is het de vraag hoe we die aanduiding moeten interpreteren. Feit blijft dat Lubbers zich als twintiger al bezighield met diepe religieuze en filosofische vragen en daar openlijk over sprak en dichtte met collega-dichters, twee mannen uit de Rijp.
Vier jaar nadat Roemers naar Alkmaar verhuisde, duikt ook Lubbers op in de Alkmaars poorterrol: ze was in 1627 stadsbewoner geworden. Hier ontmoette ze de doopsgezinde dichter en voorganger Jan Schabaelje. In 1629 tekenden zij een huwelijksovereenkomst in Amsterdam, maar het huwelijk ging niet door. In haar autobiografische liederen schreef Lubbers dat ze zich dat jaar door “een schickinge Godts” uit de doopsgezinde gemeente had teruggetrokken en vier jaar lang een leven in afzondering leidde. In die afzondering wijdde ze zich volledig aan religieuze reflectie. Uiteindelijk sloot ze zich aan bij de jezuïeten. Een opmerkelijke parallel met Tesselschade Roemers: zij zou later ook van geloof veranderen en zich tot het katholicisme bekeren (wellicht ook tot de jezuïeten).

Lubbers bleef nog even verbonden aan Alkmaar: Schabaelje legateerde haar 600 gulden, een immens bedrag in die tijd. Helaas trok hij dit later in. Een paar jaar daarna vinden we haar terug in Amsterdam, waar pater-jezuïet Petrus Laurentius haar doopte en ze toetrad tot de Derde Regel van Sint Franciscus, een religieuze vrouwenorde. Haar gedichten laten zien hoe deze religieuze keuzes haar werk doordesemden: die waren mystiek en vroom, maar ook persoonlijk en direct.
Lubbers’ eerste werk stond in Gheestelijck Kruythofken (1629), waarschijnlijk geschreven rond haar vertrek naar Alkmaar. De bundel kreeg tot 1700 twaalf herdrukken en bleef dus lange tijd geliefd. Grappig detail: in een van die gedichten vergeestelijkte ze een amoureuze liedinzet van Bredero (ja, Bredero, die zo verliefd was geweest op Tesselschade Roemers: zijn liedjes waren ook na zijn dood in 1618 nog populair). In Het Rijper Liedtboecxken en Gheestelijck Bloemhofken vinden we ook liedjes van haar hand: ze moet wat afgezongen hebben (anderzijds; zingen deed bijna iedereen. Soms waren er katholieke klopjes (ongehuwde vrouwen die niet in een klooster zaten) die als protest op straat hun katholieke liedjes zongen terwijl ze hun taakjes deden, zo vertelt Evelyne Verhegge ons).
Na haar overgang tot het katholicisme bleef Lubbers schrijven. In Der lijden vreucht bundelde ze gedichten en een korte autobiografie met het devies: ‘Liefd’ verwint’. De geestelijke liefde, wel te verstaan. Twee van haar gedichten belandden later in een van de bekendste verzamelbundels uit die tijd.
Wat Judith Lubbers zo bijzonder maakt, is dat ze de enige vrouwelijke dichter in de Noord-Hollandse doopsgezinde kring van de zeventiende eeuw is die we kennen. Haar stem klinkt eigen: mystiek en eenvoudig (zoals gangbaar bij mystieke poëzie), maar altijd krachtig. Gedichten als ‘Hoe soet is d’eenicheyt’ en ‘Hoe star-ooght mijn ghesicht’ tonen haar verbeelding én beheersing van de conventies van de rederijkers.
Rond 1665 prees een dichter in enkele gedichten nog haar vroomheid en vitaliteit, niet zo gek omdat haar werk dus nog in druk was: ze moet bekend geweest zijn. Waarschijnlijk bleef ze tot haar dood in Amsterdam wonen, nabij de Haarlemmerdijk, omringd door literaire en religieuze contacten. Judith Lubbers laat zien hoe een vrouw in de zeventiende eeuw met lied en geloof een eigen weg kon vinden, op het kruispunt van spiritualiteit en poëzie.
God’s instrument met eigen drukpers
Antoinette Bourignon (1616-1680) moet een flamboyante figuur zijn geweest: het is een wonder dat er nog geen film over deze spirituele leidsvrouw is verschenen. Ze was de productiefste vrouwelijke auteur van de zeventiende eeuw: 46 Franse titels bracht zij uit, zo’n 150 werken als je de vertalingen in Nederlands, Latijn en Duits en alle postume herdrukken meerekent. Dat is immens. Ze publiceerde traktaten, autobiografieën, brieven, een paar gedichten, maar in het dagelijkse leven blonk zij uit in ‘zedige of geschikte stilzwijgendheit’ en gedachtenlezen, en was zij – volgens haar volgelingen – altijd vrolijk. Al sloeg ze menigmaal op de vlucht na een conflict.
Bourignon kwam uit een gegoede Walloonse koopmansfamilie. Ze wilde naar het klooster, maar haar vader weigerde de verplichte bruidsschat te betalen. Daarom liep ze weg. Ze stond negen jaar aan het hoofd van een gasthuis van arme meisjes, maar toen ze erachter kwam dat de meisjes een pact met de duivel hadden gesloten, waar conflicten door ontstonden, nam ze ook daar de benen. Een pastoor kwam met het idee voor een gemeenschap van ‘ware christenen’ in Sleeswijk-Holstein, waar hij bij de bedijking land verworven had op het eiland Noordstrand. Bourignon vond dat een interessant plan en ging op weg, met een ruime erfenis op zak van haar moeder.
In 1667 kwam ze aan in Amsterdam, waar de pastoor gevangen genomen werd en ze kennismaakte met allerlei andere geloofsrichtingen. In Le tombeau de la fausse théologie (1669) schrijft ze dat het blok waar ze woonde bestond uit zes woningen waarvan de bewoners tot net zoveel kerken behoorden. Iedereen liet elkaar met rust in de overtuiging dat hij of zij het juiste geloof bezat, terwijl in de pakhuizen achter het huis verschillende geloofsrichtingen vergaderden. Dat was voor haar ongekend.
Ze maakte direct gebruik van die vrijheid. Ze realiseerde zich hoe verdeeld de christenen waren en publiceerde bij verschillende Amsterdamse uitgeverijen als een razende profetische, theologische traktaten waarin ze de kern van het christendom behield en variaties in het geloof resoluut afwees: een soort versimpeld geloof dat iedereen moest verenigen.
Vanaf 1669 verscheen een aanhoudende stroom boeken van haar hand. Ze zette er een strategische pr-campagne voor op: ze liet haar teksten drukken – met haar naam, bracht voorpublicaties uit en publiceerde lijsten van haar oeuvre. Ze kocht haar eigen drukpers, maar hield haar thuisdrukkerij – waar zes mannen werkten – geheim voor de buitenwacht: ze was immers én vrouw én had een afwijkende mening. Later nam ze de drukpers mee naar Sleeswijk-Holstein. Daar ging ze eigenwijs – tegen een drukverbod in – door met drukken; lutheranen vreesden dat zij een sekte wilde oprichten. De magistraat kwam in 1673 haar drukpers en alle toebehoren ophalen, wat het einde van haar uitgeverij betekende.
Met haar werk en haar charismatische levenshouding (ze leefde als welgestelde heel eenvoudig) wist zij steeds nieuwe volgelingen aan zich te binden; zowel voorname geestelijken uit het Zuiden, als gerenommeerden uit de Republiek. Waaronder natuuronderzoeker Johannes Swammerdam. Enkele aanhangers verkochten hun bezit voor haar geloofsgemeenschap, om haar ‘in opperste onthechting’ te kunnen volgen.
Bourignon presenteerde zich als de vrouw in wie God zijn mannelijk zaad stortte om Zijn kinderen te baren
Zo schrijft Mirjam de Baar inIk moet spreken (2004). Dat Bourignon een vrouw was, vormde volgens de heren om haar heen geen enkel probleem: God had haar ver boven de mannen verheven, die – door hun ‘quade gesteltheyt’ – immers onbekwaam waren voor goddelijke zaken. Na vele conflicten en bittere klaagzangen vluchtte ze weer naar Amsterdam: ze werd gewaarschuwd dat ze gearresteerd zou worden. Onderweg werd ze ziek en overleed in Franeker.
Tussen haar werk en dat van Isabella de Moerloose, die in aflevering 6 van Historische Klassiekers wordt besproken, zijn meerdere overeenkomsten te vinden.
Tussen zichtbaarheid en terughoudendheid: het slimme spel van Alida Bruno
Alida Bruno (1629-1679) – meestal Aeltgen genoemd – groeide op in Alkmaar, in een huis waar het geloof en de letteren vanzelfsprekend samenkwamen. Haar vader was predikant en haar broer werd de leraar (gouverneur) van de kinderen van Constantijn Huygens; een omgeving vol geleerdheid dus. Samen met haar zussen Geertruijt en Jannetge zou ze ongehuwd blijven; de drie vrouwen woonden hun leven lang bij elkaar.
Bruno zat vol ambitie. Ze schreef dan weliswaar geen gedichten voor een bundel onder haar eigen naam, maar wel als ‘sociale brief’ bij huwelijken, overlijden en een politieke gebeurtenis of als drempeldicht bij een bundel van een ander; een soort blurb of aanprijzing. We kennen 27 gedichten van haar, geschreven tussen 1646 en 1677. Dat mag een klein oeuvre heten, maar van Tesselschade Roemers hebben we ook maar 34 gedichten. Bruno’s poëzie bleef niet onopgemerkt: haar gedichten kwamen tijdens haar leven terecht in gezaghebbende verzamelbundels als Klioos Kraam en Bloemkrans van verscheiden gedichten.
Handschrift van Alida Bruno met opdrachtgedicht en brief aan Constantijn Huygens, 11 december 1672.
Bruno was een leeftijdsgenoot van de dochter van Tesselschade Roemers. Wellicht waren zij bevriend. Misschien daardoor, maar in ieder geval door het werk van haar broer als gouverneur, stond Bruno al op haar zestiende in contact met Constantijn Huygens, toen een bekende dichter. Huygens vroeg haar om te bemiddelen, omdat hij zich afvroeg wanneer Tesselschade Roemers nou weer bij hem kwam logeren. Ze had immers beloofd jaarlijks te komen. Dit verzoek maakt duidelijk dat Bruno deel uitmaakte van die literaire kring. Roemers is niet op komen dagen, maar wel sprak ze haar waardering uit voor Bruno. Roemers prees haar bij haar BFF Pieter Hooft aan als ‘de nieuwe zon der poëzie’ en bij haar andere grote vriend Caspar Barlaeus als de nieuwe Muze.
De nabijheid was niet louter literair. Op negentienjarige leeftijd stierf Maria Tesselschade Crombalch, Roemers laatst overgebleven dochter, misschien dus Bruno’s vriendin. Uit de correspondentie blijkt dat de familie Bruno in deze periode veel over de vloer kwam: Alida’s broer Henrick bracht Huygens persoonlijk op de hoogte van het overlijden: ‘Door dezen dood, die mijne zuster overvloedige tranen en mij diepe zuchten heeft ontlokt, voel ik mij zo gebroken, dat ik nauwelijks mijzelf ben’.
Twee jaar later, na het doorstaan van vele koortsen, liet ook Tesselschade Roemers het leven, op 20 juni 1649 werd zij begraven. Henrick bezocht de zieke in die twee jaar geregeld, ze werd steeds door ‘de koningin van de koorts’ geregeerd. Alida Bruno schreef een grafdicht, de mooiste die is overgeleverd, waaruit haar grote bewondering voor Roemers blijkt (zie hier op de DBNL).
Later wisselde Bruno met vriend Huygens nog gedichten en brieven uit; vier daarvan zijn bewaard gebleven. Ze laten zien hoe zorgvuldig zij haar toon koos: geestig en geleerd, vernuftig, vol woordspel en Latijn – net als Tesselschade Roemers – maar altijd omgeven door nadrukkelijke bescheidenheid. Want ambitie mocht, zolang die netjes werd verpakt. In 1657 stuurde ze Huygens meerdere lofdichten in de hoop dat hij ze zou opnemen in zijn bundel Koren-bloemen. Dat gebeurde niet, maar ze bleef contact houden.
In 1672, het Rampjaar, duikt Bruno opnieuw op in Huygens’ correspondentie. Weer als bemiddelaar. Ze schreef dichtbrieven om een goed woordje te doen voor de Alkmaarse burgemeester Arent van der Graeff, die carrière wilde maken in Den Haag. Ze zette haar netwerk in, speelde met taal en beleefdheid en had succes: Van der Graeff kreeg de benoeming. Bruno bedankte Huygens met nieuwe verzen.
Het is opvallend hoe Alida Bruno zich bewoog op het snijvlak van zichtbaarheid en terughoudendheid en is wellicht daardoor een beetje opzij geschoven als onbeduidend. Wie in het archief van Alkmaar duikt, merkt dat er nog wel wat over haar te vinden valt. Zo was zij geen onbemiddelde vrouw; in 1677 ging er nog een obligatie haar kant op.
Bruno overleed twee jaar later, negenenveertig jaar oud. Romanus Boot van Wezel, de neef van Roemers, nam de moeite om een grafdicht te schrijven op ‘haar grote geest’ (terwijl hij de nalatenschap van zijn tante en eigen moeder, Anna Roemers, verwaarloosde). Dat Bruno geen ‘grote naam’ is geworden, zegt minder over haar poëzie dan over de ruimte die vrouwen toen kregen en het later focussen op de mythe van één dichter. Wat resteert, zijn puntige verzen met een scherp gevoel voor taal. Ze was misschien geen zon – maar ook zeker geen stil sterretje (zoals een wetenschapper haar ooit noemde).
Bronnen
Met en zonder lauwerkrans, o.r.v. Riet Schenkeveld-van der Dussen 1996, hier te raadplegen op de DBNL, Els Kloek Digitaal Vrouwenlexicon, Mirjam de Baar ‘Ik moet spreken’Het spiritueel leiderschap van Antoinette Bourignon (1616-1680) 2004.
Dit stuk verscheen eerder op Historiek.
In de nieuwe podcastreeks Historische Klassiekers wordt het werk van schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd (1500-1800) in de spotlights gezet. Voor de serie, een initiatief van Fixdit, maken hedendaagse auteurs nieuwe hertalingen van historische teksten – van Anna Bijns tot Petronella Moens – die in de afleveringen worden besproken. Iedere hoofdaflevering wordt bovendien vergezeld door een bonustrack, waarin aanvullende auteurs kort worden uitgelicht.
Op Historiek verschijnt bij elke bonustrack een artikel met extra verdieping en achtergrond – steeds met drie vrouwelijke tijdgenoten uit dezelfde periode. Vandaag verschijnt de bonustrack 3.1 Historische Klassiekers – Bonusauteurs Judith Lubbers, Antoinette Bourignon en Alida Bruno.
Laat een reactie achter