Streepjes bij een geboortejaar

Een paar maanden geleden kocht ik 1946. Verkenning van een geboortejaar, tweedehands. Het boek verscheen in 1999. Op de franse pagina staat de naam van de vorige eigenaar: Victor Westhoff. De befaamde botanicus en natuurbeschermer Westhoff (1916-2001) was in Nijmegen hoogleraar van 1967 tot 1981. Tal van gedenktekens in Nederland staan stil bij zijn grote verdiensten. In de inhoudsopgave van Van Zomerens boek staan bij twee hoofdstukjes streepjes, het zijn hoofdstukjes waarin Westhoff optreedt. In de marge bij de bladzijden van die twee hoofdstukjes vond ik potloodstreepjes, waarvan ik niet meer weet of ze van Westhoff waren of van mij.
Ook in We gaan zo komt Westhoff even langs: als Van Zomeren in oktober 2023 een dagje wandelt in de omgeving van Nijmegen herinnert hij zich degenen met wie hij destijds het gebied inspecteerde, in het Filosofendal ging hij ooit op ‘plantenexcursie met Victor Westhoff’. Het tekent Van Zomeren dat hij de voorbije tijd blijft opzoeken en dat de reisgenoten van toen hem blijven vergezellen.
Wegdenken
In het boek over zijn geboortejaar bundelde Van Zomeren de stukken die hij in 1998 wekelijks bijdroeg aan NRC Handelsblad. Tot en met 2010 schreef hij voor de NRC, enkele jaren dagelijks, vele jaren wekelijks, en die hem opgelegde regelmaat gaf structuur aan de dag en het schrijven. Wie de stukken over 1946 leest, zal zien dat aan zijn schrijven veel research vooraf is gegaan. Hij bezoekt de bewaarplaatsen van het verleden, zoals het Letterkundig Museum, het Persmuseum, het Filmmuseum, het Nederlands Audiovisueel Archief, het AKU-archief, het gemeentearchief Rheden, in zijn zoektocht naar de reconstructie van de wereld en de tijd waarin hij geboren werd. Het is overigens heel opmerkelijk dat een aantal van die bewaarplaatsen sindsdien is verkast en van naam is veranderd.
Scherper zicht op 1946 bieden de persoonlijke ontmoetingen. Zijn moeder, aan wie (‘eindelijk’) het boek is opgedragen, vertelt veel over 1946, de mensen van toen en corrigeert ‘foutieve’ herinneringen. Met zijn vader bezoekt hij het Herwijnen, dat als het niet bestaan had door Van Zomeren uitgevonden was. Als hij met zijn vader ‘op Herwijnen’ is, opent de vader het gesprek: ‘‘God,’ zegt mijn vader, ‘hier ben ik nog nooit geweest.’’ Dat is buiten de zoon gerekend: ‘Niet sinds de dijkverzwaring, bedoelt hij, en zeker niet te voet.’ Voor Koos van Zomeren schemert het verleden altijd door het heden heen. Als het zou kunnen, zou hij alle vernieuwingen ongedaan maken, om te beginnen wegdenken.
Onleesbaar
In 1946 ontmoet Van Zomeren Westhoff twee keer. Een oude bekende. In het eerste stuk ‘Als morgen de wereld vergaat’ katapulteert hij Westhoff terug in de tijd: ‘Victor Westhoff was in 1946 dertig’. In dat jaar werd Westhoffs eerste kind geboren, zo noteert Van Zomeren, die zich zo, met zijn overeenstemmend geboortejaar, als een zoon van Westhoff laat kennen. Hij laat Westhoff uitvoerig aan het woord, over diens liefde voor het Nederlandse landschap. Van Zomeren is nog maar net thuis of hij ontvangt een brief van Westhoff en kort na diens antwoordbrief valt er een nieuwe brief in de bus. Westhoff zegt zijn inspanningen voor de bescherming van de natuur niet als ‘heldenmoed’ te zien, maar als een opgave, om de verloedering van de natuur te keren.
In het tweede stuk, waarbij hij een streepje plaatste, is Westhoff ‘inmiddels over de tachtig’. Van Zomeren laat Westhoff zich herinneren, in het bijzonder de jaren kort na de oorlog. In het gesprek dat de schrijver op een regenachtige dag met Westhoff in en bij het Filosofendal had, ging het ‘niet alleen over wilde appel, maar ook over wilde kers en wilde mispel’, ‘en over de karakteristieken van een eiken-haagbeukenbos, en over goudveil, rapunzel, nagelkruid, stekelvarken, ruige veldbies en boskruiskruid, en een mosje dat verder in Nederland is uitgestorven’. De regen had Van Zomerens aantekeningen onleesbaar gemaakt, maar als een ideale zoon reproduceerde hij al dat wat zij samen hadden gezien.
Goudveil
In sommige stukken lukt het Van Zomeren om met de tijdmachine het geboortejaar te naderen. Soms landt hij in 1946. Als hij nummers van de Velpsche Courant uit 1946 doorneemt, stelt hij vast dat de krant het niet over ’46 heeft, ‘die is 46’. In een ander stuk schrijft Van Zomeren: ‘Het is 23 oktober 1946 en er vaart een rondvaartboot over het IJ’. Als hij in het buitenland is, realiseert hij zich met een schok ‘dat het overal 1946 is geweest – ook hier in het Pussertal’.
In zijn stukken, en niet alleen die over Herwijnen, tekent Van Zomeren protest aan tegen het voortgaan van de tijd: ‘Soms kan ik niet tegen het verstrijken van de tijd’ en elders: ‘Zoals je de mensen van je jeugd kwijtraakt aan de dood, zo raak je de plaatsen van je jeugd kwijt aan de vernieuwing.’
In zijn zoektocht naar het verloren 1946 ontmoet hij Herman Kuiphof, legendarisch sportverslaggever, en George Schweigmann, een van de legendarische schaatsenrijders die de Elfstedentocht liefst acht keer uitreden. Van Zomeren had Schweigmann al wel eens eerder gesproken, toen over extreme kou, en nu dan over 1946. Met hem bekijkt hij oude foto’s: ‘Op het voorste bureau zie je een hoge schrijfmachine, een inktpot en een vloeirol. Stille getuigen. Attributen die al een beetje verlegen zijn met zichzelf, die weten dat ze bezig zijn zichzelf te overleven.’ In die oude schrijfmachine, de inktpot en de vloeirol ziet hij niet alleen de verloren tijd, maar berekent hij ook de afstand die hem scheidt van zijn geboortejaar en ziet hij hoe zijn eigen schrijfmachines en zijn eigen kopijpapier onafwendbaar een plaats krijgen in het museum van 1998. Wat weet de komende tijd nog van ‘goudveil’ en ‘ruige bies’ en van het werk van Koos van Zomeren?
Laat een reactie achter