
Naar de inhoud is de Heliand een episch gedicht over het leven van Jezus Christus. De term epiek wordt gebruikt als verzamelnaam voor literaire werken in de vorm van poëzie of proza die in een verhalende vorm nadruk leggen op wat bepaalde personen in het verhaal meemaken. Bekende voorbeelden zijn mythen, sagen, legenden, sprookjes, fabels en romans. Een voorbeeld van epiek is ook het epos of heldendicht. Een bekend voorbeeld van zo’n epos uit een ver verleden is de Ilias van Homerus, waarin 55 dagen van de Trojaanse oorlog worden beschreven. In de Heliand wordt het leven van Jezus weergegeven op de manier waarop dat gebeurde in Germaanse sagen en het werk kan dan ook gezien worden als zo’n heldendicht. In zijn tweedelig overzicht van de Nederlandse literatuur tot 1400 gaat Frits van Oostrom onder het kopje ‘De machtigste der koningen’ kort in op de Heliand. De aandacht is daarbij geheel gericht op de Heliand als oraal epos, waarin Jezus als Germaanse vorst figureert. Van Oostrom weet de kern van de Heliand voortreffelijk te karakteriseren als hij zegt dat het werk beslist geen Germaans heldenepos is onder een dun christelijk vernis: ‘In feite werkt het ‘germanisme’ andersom: als glazuur rondom een christelijke kern ten gerieve van een publiek dat leefde bij de strijd’. De grondtoon van de Heliand noemt hij even daarvoor op dezelfde pagina ‘diep christelijk, en zeker voor de begrippen van die tijd pacificerend in zijn sympathie voor deemoed, vrede en liefde.’
Heliand binnen de Oudgermaanse dichtkunst
De Heliand past vanwege zijn episch karakter in de traditie van de Oudgermaanse dichtkunst. Andere beroemde heldendichten of epen zijn het Oudhoogduitse Hildebrandslied en de Oudengelse Beowulf. Het eerste werk, waarvan de auteur niet bekend is, is vermoedelijk in de tweede helft van de achtste eeuw ontstaan en zou dus wat ouder zijn dan de Heliand. Het lied verhaalt over de dappere wapenmeester Hildebrand. Hij ontmoet op het slagveld zijn zoon Hadubrand. Zij herkennen elkaar echter niet en gaan in gevecht.
De Beowulf is een gedicht waarvan het manuscript, net als de Heliand, geen titel had. Ook van dit werk is de auteur niet bekend. Sinds het begin van de 19de eeuw staat het werk onder de naam Beowulf bekend. In 1815, anderhalf decennium voor de Heliand, verscheen de Beowulf voor het eerst in druk. Er is discussie over de ouderdom van het werk en daarom wordt de periode ca. 700-1000 aangehouden. Er is echter een manuscript, Katoen Vitellius A. xv genaamd en dat wordt gedateerd op ca. 975-1025. De Beowulf speelt zich af in het heidense Scandinavië in de 5de en 6de eeuw. Beowulf is een held van de Goten, die de koning van de Denen te hulp komt, die al twaalf jaar wordt gemolesteerd door het monster Grendel. Beowulf weet het monster te doden. Grendels moeder neemt wraak en wordt op haar beurt verslagen. Vijftig jaar later raakt Beowulf dodelijk gewond in de strijd met een draak, die hij evenwel weet te verslaan.
We zien dus dat het in deze twee heldendichten gaat om de beschrijving van de dappere daden van grote krijgers. De Heliand echter gaat over Jezus, die in het christelijk geloof gezien wordt als de Zoon van God. De dichter heeft als doel gehad om de boodschap die de Heliand uitdraagt, aanschouwelijk te maken voor de Saksische bevolking. Daarmee is dit werk in tegenstelling tot de twee andere epen te beschouwen als een didactisch episch dichtwerk. Een ander belangrijk verschil is dat de Heliand niet voortkomt uit de fantasie van de dichter. Het werk is gebaseerd op de vier evangeliën, waarbij de auteur evenwel als didactisch hulpmiddel in hoge mate zijn eigen inzichten aanwendt om het verhaal van Jezus zo vorm te geven dat de tekst gehoor vindt bij het publiek uit die tijd. De hand van de dichter is daarmee op diverse manieren te herkennen.
Zesduizend regels in stafrijm
In de Oudgermaanse dichtkunst was het gebruikelijk om stafrijm te gebruiken. Stafrijm is een vorm van alliteratie, maar complexer dan dat louter de beginmedeklinkers van opeenvolgende woorden overeenkomen, zoals in het bekende Lientje leerde Lotje lopen. De Heliand is, net als het Oudhoogduitse Hildebrandslied en de Oudengelse Beowulf, geschreven in stafrijm. De meest recente studie waarin het stafrijm van de Heliand wordt geanalyseerd, is van Jaap van Vredendaal, die overtuigend laat zien hoe de dichter verschillende stijlvormen hanteert in het kader van dit stafrijm. Er zijn ten minste vijf Duitse vertalingen die het stafrijm hebben gehandhaafd in hun vertaling. De eerste vertaling in het Nederlands door Jaap van Vredendaal heeft ook stafrijm gehanteerd. Voor de vertalingen in het Sallands en het Stellingwerfs (beide 2022) en de tweede Nederlandse vertaling (2023) is geen poging ondernomen om het stafrijm in de vertaling terug te laten komen. De woorden in het Oudsaksisch en de equivalenten in de doeltalen verschillen namelijk dermate van klankstructuur dat een letterlijke vertaling onmogelijk wordt als daarin het stafrijm van de Heliand in die vertalingen overal gehandhaafd zou moeten blijven. Bovendien betekent de afwezigheid van een krampachtig streven het stafrijm overal in de vertaling te behouden, niet dat de problemen met het vertalen van de alliteraties de wereld uit zijn. Dit wordt treffend verwoord in de Duitse prozavertaling van Wilhelm Stapel uit 1953, die in het nawoord van zijn Duitse prozavertaling verzucht welke problemen de dichter van de Heliand hem met zijn stafrijm heeft bezorgd:
Eine besondere Schwierigkeit jeder Heliand-Übersetzung besteht darin, dass der Dichter, veranlasst durch den Stabreim, reichen Gebrauch von der ‘Variation’ macht: er wiederholt in zweiten, dritten, ja vierten Vers einen Begriff aus den ersten Vers mit einem anderen Wort. Dadurch entsteht eine ‘variërende’ Häufung von Wörtern für denselben Begriff.
[Een bijzondere moeilijkheid bij elke vertaling van de Heliand is dat de dichter, aangespoord door de alliteratie, veelvuldig gebruik maakt van de ‘variatie’: hij herhaalt in het tweede, derde, ja zelfs in het vierde vers een begrip uit het eerste vers met een ander woord. Daardoor ontstaat een ‘variërende’ opeenhoping van woorden voor hetzelfde begrip.]
Hieronder volgt een voorbeeld uit de Heliand van de manier waarop de dichter te werk is gegaan. Het fragment komt uit hoofdstuk 28 (de genezing van een verlamde). De alliteratie is aangegeven met vetgedrukte letters.
Manoda ina thô | the mâreo drohtin,
liggeandean lamon, | hêt ina far them liudiun astandan
up alohêlan | endi hêt ina an is ahslun niman,
is bedgiwâdi te baka; | he that gebod lêste (…)
(h 28, r. 2330-2333)
Hier wordt in r. 2332 eerst gesproken over schouder (ahsla): het bedgerei (bedgiwâdi) moet op de schouder genomen worden. Vervolgens wordt gezegd, blijkbaar omwille van de alliteratie, dat de man dit op zijn rug (bak) moet nemen. In het Nederlands: De befaamde Heer droeg hem toen op, de liggende lamme, zei hem om voor de mensen helemaal genezen op te staan en zijn beddegerei op de schouder te nemen, op de rug.
Deze techniek wordt op een vergelijkbare manier toegepast in het Middelnederlandse werk Van den vos Reynaerde. De tekst is geschreven in verzen met gepaard rijm: aa bb cc. Om het gepaard rijm voor elkaar te krijgen gebruikt de dichter op diverse plaatsen een nevenschikking van twee woorden die ongeveer hetzelfde betekenen en waarvan het rechterwoord rijmt op het laatste woord van de versregel die eraan voorafgaat of erop volgt. Bij het vertalen van deze tekst in het Nedersaksisch probeer ik door middel van metrum, ritme, woordkeus en woordvolgorde de vertaling prettig leesbaar te maken. In de meeste vertalingen van dit werk wordt echter geprobeerd het gepaard rijm erin te houden. Het gevolg is dat de vertaler zich in allerlei bochten wringt om dat voor elkaar te krijgen. Deze vertalingen wijken aantoonbaar af van de grondtekst, in een mate die voor mijzelf niet acceptabel is (zie ook het interessante artikel hierover in dit tijdschrift van Jaap Uyttendaele).
Laten we het stafrijm nu wat nader bekijken. Bij dit soort rijm is sprake van de volgende situatie. Iedere versregel bestaat uit twee helften: halfverzen. Die zijn van elkaar gescheiden door een korte stemrust, in de tekst aangegeven met een verticaal streepje. In elk halfvers zitten twee heffingen: zwaar beklemtoonde lettergrepen. De eerste heffing van het tweede halfvers rijmt altijd met de eerste of tweede heffing van het eerste halfvers, of met beide. Deze derde heffing van elke versregel is de belangrijkste, want die stafrijmt altijd. De vierde (laatste) heffing rijmt nooit met de andere heffingen. In het volgende, boven al gegeven fragment is het stafrijm als volgt toegepast (h staat voor heffing, hv voor halfvers):
| Stafrijm | |
| Manoda ina thô | the mâreo drohtin, | hv 1, h1 met hv 2, h3 |
| liggeandean lamon, | hêt ina far them liudiun astandan | hv 1, h1 en h2 met hv 2, h3 |
| up alohêlan | endi hêt ina an is ahslun niman, | hv 1, h2 met hv 2, h3 |
| is bedgiwâdi te baka; | he that gebod lêste (…) | hv 1, h1 en h2 met hv 2, h3 |
Wat lastiger is het volgende voorbeeld, dat laat zien dat deze vorm van rijm wat complexer is dan het eerste voorbeeld doet vermoeden. De eerste regels uit hoofdstuk 16 (begin van de Bergrede, de zaligsprekingen) luiden als volgt (regels 1279-1283).
Thô umbi thana neriendon Krist | nahor gengun
sulike gesidos,| sô he im selƀo gecôs,
waldand undar them werode.| Stôdun wîsa man,
gumon umbi thana godes sunu | gerno swido,
weros an willeon | was im thero wordo niud (…)
[Toen gingen dichter om de reddende Christus heen zulke volgelingen staan als Hij zich als Heersende onder het volk zelf had uitgekozen. Er stonden wijze mannen, kerels, heel vurig om de Zoon van God heen, kerels met een wil. De woorden waren hun verlangen.]
Waar het hier om gaat is dat in de tweede versregel sprake is van twee allitererende vormen: so en selƀo. Omdat de vierde heffing nooit stafrijmt en het waarschijnlijk is dat de heffing (zware klemtoon) op de eerste lettergreep van het tweede woord ligt (selƀo) en niet op so, mogen we aannemen dat hier aan de regels van het stafrijm is gehoorzaamd. Hetzelfde verschijnsel zien we in de laatste versregel. Hier allitereert was met de andere woorden die met dezelfde letter beginnen. Hier zal dus de heffing op de eerste lettergreep van wordo liggen en niet op was, waarmee wordo de derde heffing wordt, die verplicht meedoet in het stafrijm. We zien hier dus dat stafrijm weliswaar alliteratie is, maar dat niet elke allitererende vorm in een versregel meedoet met het stafrijm. Stafrijm is dus afhankelijk van zowel heffing (zware klemtoon) als alliteratie. We krijgen dan voor dit fragment het volgende schema. We zien dus dat vier van de vijf versregels hetzelfde schema volgen.
Stafrijm
hv 1, h2 met hv 2, h3
hv 1, h1 en h2 met hv 2, h3
hv 1, h1 en h2 met hv 2, h3
hv 1, h1 en h2 met hv 2, h3
hv 1, h1 en h2 met hv 2, h3
Vaste alliteratieformules
Er wordt aangenomen dat in de Heliand tal van vaste alliteratieformules voorkomen en dat veel ervan overeenkomen met die in de Oudengelse poëzie, zoals de Beowulf. In de tijd dat de Heliand werd geschreven, kwamen dergelijke formules waarschijnlijk uit een algemeen reservoir dat oraal beschikbaar was en dat werd doorgegeven van zanger tot zanger. Hieronder volgt een overzicht van voorbeelden waarbij we de overeenkomsten zien tussen de Heliand en de Beowulf.
| Heliand | Beowulf |
| sebo mit sorgun r. 608 (gemoed met zorgen) | sefa wið sorgum r. 2600 |
| berht bôcan godes r. 661 (schitterende teken van God) | beorht bēacen godes r. 570 |
| [uuirthid] môd mornondi r. 721 (zijn gemoed werd ongerust) | [him wæs] murnende mōd r. 50 |
| ferran gefregnan r. 3752 (van verre gewaar werd) | feorran gefricgean r. 2889 |
| grim endi grâdag r. 4368 (grimmig en gulzig) | grim ond grædig r. 121 |
| uuið that uureðe uuerod r. 4904 (tegen het vijandige volk) | wið wrað werod r. 319 |
| [hebbian] uuordo geuuald r. 4978 (macht over woorden hebben) | [habban] wordes geweald r. 79 |
| bôta bîdan r. 5873 (op herstel wachten) | bōte gebīdan; r. 934 |
Mooi helder stuk. Ik wacht nu met spanning op een vergelijkbaar artikel over de rijmtechniek van de dichter van de Reynaert.
Leuk stuk, maar volgens mij lag in “alohêlan” de klemtoon op het voorvoegsel en zou het stafrijmen met “ahslun” en niet met “hêt”. Zie ook “alowaldo”.
Een interessant stuk! Een kleine opmerking: ‘Katoen Vitellius A. xv’ moet zijn ‘Cotton Vitellius A xv’, aangezien het handschrift met de tekst van de ‘Beowulf’ afkomstig is uit het bezit van Sir Robert Bruce Cotton (1571–1631). Diens beroemde collectie bevindt zich in de British Library, maar de signaturen verwijzen nog steeds naar de oorspronkelijke indeling van zijn boekenkasten.