Over We gaan zo van Koos van Zomeren

Vorig jaar verscheen We gaan zo, het derde boekdeel van Koos van Zomeren in de reeks ‘Privé-domein’. Als nummer 335. Dat hij voor de derde keer opgenomen werd in die serie vervulde hem met trots. Op zijn werkkamer bevond zich naar eigen zeggen ‘een boekenkast voor eigen werk (70 delen) en Privé-domein (130 delen)’. Imposante aantallen, maar ook een indicatie van verwantschap en nabijheid. Dat zijn de 200 boekdelen waarmee hij zich bij het schrijven verbonden voelt.
We gaan zo bestaat voornamelijk uit dagboekaantekeningen uit de periode april 2023-augustus 2024, geordend per maand en steeds voorzien van een datum. De maandhoofdstukken worden onderbroken door verzamelingen citaten uit gelezen werk (‘Van de stapel’) en enkele stukken over de kat op de fruitschaal, over de man met een zweer in zijn gezicht en eentje over meneer Mulder. In die twee laatste stukken gaat het over lichamelijk ongemak en medische behandelingen.
In zijn boek houdt de schrijver nauwkeurig de geschiedenis van zijn boek in het oog: de dagelijkse notities worden naast de schrijfmachine gestapeld en heel veel later worden die notities bewerkt, weggegooid en soms uitgelicht. De definitieve vorm is er niet meteen. De lezer kan zo de wording van het boek volgen: het komt in de buurt van ‘writing to the moment’, ja lezer, ik schrijf nu dit boek. In een aantekening van 14 november 2023 schrijft Van Zomeren dat hij zijn redacteur Peter Nijssen zijdelings heeft bericht dat het boek waaraan hij werkte goed zou passen in de reeks Privé-domein. Op 9 december is het idee al gerijpt: in een brief aan het Letterenfonds gaat het over het te schrijven boek: ‘Titel We gaan zo, genre dagboek, omvang 350 pp., verschijning tweede helft 2025’. De brieven aan zijn redacteur Peter Nijssen en zijn schrijvende collega Hans Maarten van den Brink werpen licht op de voortgang, op de stemmingen van Van Zomeren en zijn oordelen over dat wat in zijn werkkamer ontstaat.
In de dagboekaantekeningen is onmiskenbaar een ‘ik’ aan het woord, die zonder aarzeling geïdentificeerd kan worden als Koos van Zomeren. Dagboek is dagboek. Die notities gaan over van alles en nog wat, over dat wat het pad van de schrijver kruist. Binnenshuis, in de natuur en in de grote wereld. Over wat hij ziet op t.v., wat hem opvalt bij het wandelen met zijn hond, over wat hij zich herinnert, over het bezoek aan kinderen en vrienden, over wat hij leest. Bij zijn lectuur ergert hij zich aan het veelvuldig gebruik in krant en boek, op radio of tv, van de eerste persoon enkelvoud: ‘je wordt tegenwoordig levend bedolven onder de ik-ken’. Van Zomeren streeft naar de status van ‘ik-vermijder’. De ambitie wordt geïroniseerd in de zin: ‘Ik, zeg ik, ik beschouw mij als een ik-vermijder.’ In dat zinnetje tellen schrijver en lezer toch al gauw vier keer ‘ik’.
Is het vermijden van het ‘ik’ daarmee tot mislukken gedoemd? Nee, sommige ‘intieme’ thema’s zijn bij Van Zomeren taboe: over zijn huwelijk met Iris komen we niet heel veel te weten en ook van de kwalen waarmee de schrijver tobt, wordt de lezer vakkundig onkundig gehouden – en ook weer niet, maar daarover later meer.
In de dagboekaantekeningen laat Van Zomeren zich kennen als een bewogen en betrokken waarnemer van de natuur en de politiek. In de door hem beschreven maanden teistert corona het land, treedt het kabinet-Schoof aan en blaast Wilders even hoog als vals van de toren, is er de aanslag van Hamas en de vernietiging van Gaza. Het overlijden in deze maanden van bewonderde schrijvers als Cormac McCarthy en Willem van Toorn, de intelligente Clairy Polak krijgt een plaats in de dagboeknotities.
Net als in vroeger werk speelt ‘de terugkeer’ in We gaan zo een belangrijke rol. Als het even kan, moet er volgens Van Zomeren eigenlijk niets veranderen, opdat een gelukkige terugkeer mogelijk is. In augustus 2023 ontlokt een bericht van de uitgeverij over de overstap van papieren correspondentie naar digitale communicatie hem de verzuchting: ‘Klinkt verstandig, maar klinkt ook naar verandering en daar hou ik niet van.’ En bij de bepaling van reisdoelen: ‘Ik kom nu eenmaal graag terug waar ik de weg weet.’ Zoals in het Herwijnen van zijn jeugd: in juli 2024 stelt hij vast dat de oude dijk afgegraven is en het huisje van grootvader nu niet meer aan de dijk staat, geen dijkhuisje meer is. Verbijstering. Al vindt hij nabij dan troost in een ander deel van het dorp waar ‘de weldadige rust van behouden erfgoed heerst. Zoveel van vroeger nog.’ De vergelijking met Herwijnen van twintig jaar geleden met het tegenwoordig Herwijnen geeft de schrijver de geweldige zin in: ‘Niet iedereen leefde nog, maar ook niet lang iedereen was al dood.’ Dat laatste lijkt een kwestie van jaren.
Terugkerend is zijn gehechtheid aan zijn Olympia-schrijfmachines, waarvan hij twee, nu en dan haperende exemplaren in gebruik heeft. Het is schrijven met deze machines of niet schrijven. In Tilburg is er een zaakje dat de machines weet te repareren en daarmee het schrijverschap van Van Zomeren redt. De schrijfmachines werpen hun schaduw vooruit: eens zal voor de schrijver het schrijven voorbij zijn. In We gaan zo lijken het muizenissen, die schrijfmachines die nu en dan dienst weigeren, maar schijn bedriegt: het gaat hier om het schrijverschap, niets meer en vooral niets minder.
In de hier aangehaalde passages over terugkeer klinkt een bezorgd geluid, veel bezorgder dan in eerder werk zoals bijvoorbeeld Een jaar in scherven (1988): de weg van de terugkeer is langzamerhand moeilijk begaanbaar geworden, de vertrouwde mensen sterven, de schrijfmachines dreigen het te begeven, de conditie van de schrijver en zijn Iris loopt terug. Over het geliefde Lech aan de Lech heet het ‘waar we eens onze laatste wandelingen zullen maken’. De toestand van de natuur baart grotere onrust: ‘Nooit meer kwastjesbloem, zo simpel is het.’ Waaraan hij bitter toevoegt: ‘Vertrekken zonder terugkeergarantie, wen er maar aan.’
De eigen eindigheid krijgt gestalte in een droom over de eigen uitvaart en in de ziektegeschiedenis van ‘meneer Mulder’ (‘De butler heeft het gedaan’). In dat verhaal over Mulder, een indrukwekkend verhaal, gaat het ontegenzeglijk over de kwaal waar Van Zomeren aan leed en aan geholpen werd, en ook weer niet en ook weer wel. Die geschiedenis past blijkbaar niet in de reeks van dagelijkse notities, het is te intiem en in de eerste persoon enkelvoud te gemakkelijk larmoyant en daarom krijgt het verhaal in We gaan zo een status aparte, een vorm die afstand neemt van de eerste persoon enkelvoud.
In zijn notities gaat het niet enkel om de eindigheid van het reizen, van de natuur en van het geliefde Herwijnen, maar ook die van het schrijverschap en van de schrijver zelf. De schrijfmachines waarschuwen hem bij herhaling. Mismoedig, soms verongelijkt en dan weer gelaten maakt Van Zomeren de rekening op van zijn schrijverschap: nee, geen grote schrijver geworden, al leek het er wel even op, nee, geen grote publieke of kritische belangstelling meer, geen onderscheidingen of prijzen, geen P.C. Hooftprijs, maar in de weg staan wel dozen met een te veel auteursexemplaren van nieuwe titels. Van Zomeren is in de zelfkarikatuur een monkelende opa geworden – alles een voorafschaduwing van het grote vergeten.
Dat kan allemaal wel waar zijn, maar intussen is We gaan zo een coherent, strijdbaar, aangrijpend en nu en dan gelaten ‘document humain’ dat de schrijver ‘als oudere man’ toont. Schitterende zinnen, treffende observaties en voor de lezer een dagelijkse gesprekspartner. We gaan zo, jaja, maar laat dat ‘zo’ nog maar even wachten.
Laat een reactie achter