Drie Dolle Mina’s uit de zeventiende eeuw
Wie denkt dat feminisme pas in de jaren zeventig begon, hoeft alleen maar te luisteren naar de vrouwen van de zeventiende eeuw. In de podcastreeks komen schrijvende vrouwen aan het woord die aanhaakten bij de querelle des femmes — hun argumenten en teksten zouden de Dolle Mina’s van nu bij wijze van spreken gewoon weer kunnen gebruiken.

Aan het begin van de zeventiende eeuw vind je in de Republiek op allerlei plekken vrouwen in het openbare leven. Ze duiken op in allerlei beroepen en weten de gang naar schout, notaris of vierschaar te vinden als hen iets niet zint. Juist dan laait in de Republiek opnieuw een oud debat op: wat kunnen vrouwen, wat mogen ze en wat zegt hun maatschappelijke positie eigenlijk over hun verstand?
Dat debat was allesbehalve nieuw. Al in 1405 had Christine de Pizan met Het boek van de stad der vrouwen gereageerd op de diepgewortelde vrouwenhaat van haar tijd. Beleefd van toon, maar onmiskenbaar scherp, veegde zij daarin de misogyne autoriteiten van tafel en toverde een lange traditie van wijze, deugdzame en verstandige vrouwen uit haar hoed: vrouwen van vroeger en vrouwen van haar eigen tijd. Haar boek vormde een vroege Europese basis voor het debat over vrouwen, dat later bekend zou worden als de querelle des femmes.

Die querelle des femmes — letterlijk: het twistgesprek over vrouwen — werd een Europees genre, dat steeds dezelfde structuur volgde. Eerst werd de vraag beantwoord of man en vrouw gelijk waren. Waren vrouwen gemaakt naar het evenbeeld van God of enkel een gebrekkige versie van de man? Steeds werden dezelfde argumenten pro of contra van stal gehaald, waarna werd afgesloten met een keur aan historische en bijbelse voorbeelden. Soms ging het om theologisch proza, proza van artsen of advocaten, soms om speelse retorische oefeningen, soms om poëzie. Vrouwen werden erin aangevallen, verdedigd, bespot en geprezen. Niet zelden door mannen, maar opvallend vaak ook door vrouwen zelf. Meestal schreven zij gedichten – zoals Madame de Scudéry – ten faveure van de vrouw.
Ideeën over ongelijkheid tussen man en vrouw bestonden al in de oudheid: Aristoteles gaf er een filosofische onderbouwing voor. In De generatione animalium omschreef hij de vrouw als een onvoltooide man. Middeleeuwse theologen lazen Bijbelse teksten door de bril van Aristoteles, waardoor de hogere positie van de man een vanzelfsprekend en gezaghebbend fundament kreeg. Ook het Nieuwe Testament speelde daarbij een rol. In een brief van Paulus staat dat vrouwen in de kerk moesten zwijgen, een zinnetje dat eeuwenlang werd gebruikt om vrouwen het woord te ontzeggen en van gezag uit te sluiten. Vroegchristelijke auteurs scherpten dit beeld verder aan. Tertullianus noemde de vrouw de janua diaboli, de poort van de duivel. Doordat zij van de appel at, was de mensheid gedoemd tot de erfzonde. Filosofen, theologen, juristen en artsen versterkten elkaar in dit denken. Vrouwen werden voorgesteld als minder rationeel, te emotioneel en lichamelijk zwak (imbecillitas, inconstantia en fragilitas), eigenschappen die uitsluiting van besluitvorming rechtvaardigden. Zo groeide ongelijkheid uit tot een diepgewortelde overtuiging, verankerd in religie en recht.
In de loop van de zestiende en vroege zeventiende eeuw rolde de querelle in golven over Europa. Een belangrijke impuls kwam uit Italië en Duitsland, waar werken circuleerden die vooral bedoeld waren als retorische showcases: demonstraties van hoe vaardig een auteur de bekende pro- en contra-argumenten kon hanteren. Heel bekend in dit debat werd Cornelius Agrippa met zijn ‘feministische’ De nobilitate et praeexcellentia foeminei sexus (1509). Dat werk kent herdrukken en vertalingen tot diep in de achttiende eeuw. Agrippa betoogde dat vrouwen niet alleen gelijkwaardig waren aan mannen, maar hen in verstand en geschiktheid zelfs overtroffen — een betoog dat hij weer grotendeels ontleende aan eerdere voorbeelden.
Ook in de Nederlanden was al vroeg iets merkbaar van die querelle. Anna Bijns, de eerste auteur uit de podcastreeks Historische Klassiekers, sloot zich bijvoorbeeld bij het debat aan door twee refreinen als spiegelbeelden: één over het voordeel van een ongehuwde vrouw, één over dat van een ongehuwde man.
De eerste vrouw van wie we een volwaardige vrouwenlof in de Nederlandse taal kennen, is Johanna Hobius. Haar De Lof voor alle Eerbare Vrouwen en jongh-vrouwen, en een tegenwerpinge aen alle verachters der selver verschijnt postuum in 1643. Hobius pleit hierin, zoals veel vrouwen in de querelle des femmes, voor het mogen lezen en leren door gehuwde vrouwen, omdat hun wijsheid tot eer en glorie van hun man zal strekken (zie over deze intellectuele spagaat de podcast). Hobius staat centraal in de vierde aflevering van Historische Klassiekers. Maar we kunnen haar niet alleen zien. Er zijn nog meer vrouwen in de Republiek die zich aansluiten bij de querelle des femmes.
Anna Maria van Schurman
Een sleutelrol in dit debat speelt Anna Maria van Schurman. In 1636 kreeg zij als eerste vrouw in de Republiek toegang tot universitair onderwijs, al was dat letterlijk op afstand: ze volgde colleges vanuit een afgesloten ruimte. Al op jonge leeftijd was Van Schurman zich scherp bewust van haar uitzonderlijke positie als hoogbegaafde vrouw. Ze discussieerde daarom met geleerde mannen, ook op papier, over de vraag of vrouwen geschikt waren voor studie en wetenschap.

Een deel van die briefwisseling verscheen in 1638 zonder haar medeweten in Parijs onder de titel Amica Dissertatio. Een hoogleraar was tot publicatie overgegaan. Van Schurman nam de regie terug: in 1641 publiceerde ze in Leiden een sterk uitgebreide en verbeterde versie; Dissertatio de ingenii muliebris ad doctrinam et meliores litteras aptitudine. Aan deze uitgave voegde zij een logisch betoog toe waarin zij uitlegt dat vrouwen net zo goed geschikt zijn voor wetenschap en geleerdheid als mannen. Volledig volgens het genre van de vrouwenlof betoogt zij – met behulp van klassieke logica, syllogismen en voorbeelden uit Bijbel en geschiedenis – dat intellectuele aanleg geen kwestie van geslacht is, maar dat vrouwen vooral door opvoeding en traditie worden buitengesloten.
Hedendaagse onderzoekers als Pieta van Beek laten zien dat deze verhandeling niet op zichzelf staat, maar deel uitmaakt van haar brede oeuvre. Van Schurman schreef in meerdere talen, onderhield correspondentie met geleerden door heel Europa en bouwde zo haar intellectuele reputatie op. Haar verdediging van vrouwen bestaat uit een hele reeks teksten en brieven waarmee zij vrouwen zichtbaar en gehoord probeert te maken in een tijd waarin zij, behalve zijzelf, fysiek buiten het academische leven bleven.
Charlotte de Huybert
Waar Anna Maria van Schurman ervoor koos zich aan te sluiten bij het wetenschappelijke debat, schreef Charlotte de Huybert een kritisch gedicht waarmee ze de maatschappelijke beperkingen voor vrouwen blootlegde. Haar vader schreef een lofdicht voor Johanna Hobius’ vrouwenlof, dus wie weet hebben Hobius en De Huybert elkaar op een of andere manier gekend.
Het gedicht van De Huybert is opgenomen in het voorwerk van Van de wtnementheyt des vrouwelicken geslachts, een vrouwenlof van de societydokter Johan van Beverwijck. Toen dit boek in 1639 in eerste druk verscheen, greep De Huybert naar de pen en schreef zij een reactie. Dat gedicht werd in de herdruk van 1643 opgenomen, hetzelfde jaar als waarin de vrouwenlof van Hobius verscheen.

De titel van het gedicht luidt: ‘Lofdicht ter eren van den heer mijnheer Johan van Beverwijck, op dit zijner achtb. tegenwoordig werk. Ingesteld ter ere van de ed. welgeleerde juffrouw, juffr. Anna Maria van Schurman’. Uit die titel blijkt al dat De Huybert wist wie Anna Maria van Schurman was. In het gedicht prijst zij Van Schurman niet alleen om haar talent, maar presenteert zij haar als een rolmodel voor álle vrouwen. Volgens Hobius daarentegen is Van Schurman tot het niveau van mannen gestegen en daarmee een uitzondering op de regel.
De Huybert baseerde zich volledig op de conventies van de vrouwenlof — verheffing, argumentatie, voorbeelden — maar ondergroef tegelijk de kern van het genre. Want wat is de waarde van lof, zo vraagt De Huybert impliciet, wanneer vrouwen ondanks al die mooie woorden juridisch en maatschappelijk buitenspel blijven staan?
Of zijn de mannen bang en vrezen zij de vrouwen
dat die hen de macht kunnen onthouden?
Of is het daarom dat de wet door hen gemaakt gebiedt?
Een vrouw? Nee, die bestuurt de staat toch niet.Hertaling door FS
De Huybert volgt de argumentaties die Agrippa ook gebruikte: dat boek heeft ze dus duidelijk gelezen. Ze keert zich tegen het idee dat vrouwen ‘zonder man’ hun recht niet kunnen halen of handel kunnen drijven — een conventionele juridische opvatting, terwijl in de praktijk vrouwen vaak meer handelingsruimte hadden dan de wet suggereerde. De Huybert wijst erop dat zowel rede als ervaring aantonen dat vrouwen beslist handelingsbekwaam zijn met voorbeelden uit het Hollandse koopmansschap, waarin vrouwen prima hun ‘mannetje’ staan. Hun uitsluiting is volgens haar een gevolg van mannelijke tirannie, niet van gebrek aan talent. Daarbij benadrukt ze met haar woordkeuze dat het geen vrijwillige onderwerping is van vrouwen, waarmee ze lijnrecht ingaat tegen het idee van Van Beverwijck. Mannen mogen in hun handjes knijpen dat vrouwen zo onderdanig zijn, vindt De Huybert.
Helaas is van De Huybert alleen dit ene gedicht overgeleverd. Het is kritisch, zeker voor die tijd, maar netjes volgens het stramien van het genre geschreven. Dat een vrouw dit echter opschreef, en er zelfs hulde voor kreeg doordat het in het voorwerk van Van Beverwijcks vrouwenlof terechtkwam, zegt wel iets over de waardering die men voor de inhoud van haar betoog en haar kunst had.
Maria Margaretha van Akerlaecken
Maria Margaretha van Akerlaecken draagt op een andere, minstens zo betekenisvolle manier bij aan de querelle des femmes, die juist in haar tijd een nieuwe opleving krijgt, maar dan in pamfletten. Haar Den lof der vrouwen Tegen der Vrouwen Lasteraers (Antwerpen, 1662) is een unicum omdat het het enige vrouwenlof van een vrouw is dat tijdens het leven van de dichter zelfstandig is gepubliceerd. Ze publiceerde ook als eerste vrouw in de Republiek zelfstandig een bundel niet-religieuze gedichten. Die vloeiden voort uit haar werk als hofpoeet aan het Kleefse hof.
Van Akerlaecken gebruikt haar vrouwenlof om vrouwen te verdedigen, maar laat zich niets gelegen liggen aan de geijkte opbouw van het genre. Ze verwijst niet naar de klassieken en ook geeft ze geen lijst met voorbeelden. Hoewel ze de zussen Roemers kende, en het werk van Hobius en Van Schurman, noemt ze hen niet. Met veel uitroepen laat ze zien hoezeer zijzelf een vrouw is. Dat is bewijs genoeg. Dat ze zich niet aan het genre hield, is een teken van eigenzinnigheid. Van Akerlaecken wist prima hoe het hoorde, maar koos ervoor om te schrijven ‘vanuit de natuur’. Dat vindt zij, stelt ze in haar lof, waarachtiger dan retorische woorden. Ze veroordeelt dan ook de mannen die denken dat vrouwen niet kunnen schrijven.

Ze werkte samen met haar vader, die genealoog was. Ze zette zijn werk na zijn dood voort en presenteerde zich openlijk als deskundige. Dat zij zich op de titelpagina van Den lof der vrouwen aanduidt als ‘genealogiste’, is veelzeggend: zij claimt autoriteit, geleerdheid en continuïteit. Haar vrouwenlof is dan ook geen vrijblijvende lofzang, maar een betogend gedicht waarin zij theologische, rationele en morele argumenten inzet om vrouwen een volwaardige plaats in de menselijke orde toe te kennen. Vrouwen waren geen beesten en evenmin waren ze hoogmoedig, zoals door vrouwenlasteraars beweerd werd, want God maakt geen verschil tussen de geslachten.
Zoals De Huybert zich niet wenst te onderwerpen en de macht van mannen toeschrijft aan het gebruik van geweld, neemt ook Van Akerlaecken een tegendraadse positie in. Ze wenst zich te onttrekken aan de machtsrelatie tussen mannen en vrouwen en aan de eis van geleerdheidsvertoon als voorwaarde voor een volwaardige positie in het debat. Haar vrouwzijn is voor haar genoeg om gehoord te worden.
Naast De Huybert en Van Schurman neemt Van Akerlaecken een derde positie binnen de querelle des femmes in: niet de poëtische kritiek van De Huybert, niet het geleerde traktaat van Van Schurman, maar het vrouwenlof in praktijk gebracht — een manier om als vrouw te schrijven en zichzelf zichtbaar te maken in de vroegmoderne Republiek.
Met lof, argument en verbeelding veroverden deze vrouwen een plaats in het publieke denken. Ze hieven het genre boven het abstracte debat uit en maakten zichtbaar hoe kennis, macht en erkenning voor vrouwen op het spel stonden. En bovenal laten hun teksten zien dat hun strijd, hun woorden en hun inzichten ook nu nog relevant zijn.
Dit stuk verscheen eerder op Historiek
Laat een reactie achter