Een onderhoudend relaas over goed en kwaad

Ik keek naar Wakker in Paraguay, een vijfdelige serie over een groep Nederlanders die ervan overtuigd is dat het in Nederland helemaal misgaat en in een naar hun zeggen vrijer Paraguay een bestaan proberen op te bouwen. Zij geloven in een ander narratief. De makers van de documentaire hebben dit narratief zo eerlijk mogelijk in beeld gebracht. Dat hebben ze goed gedaan: ik kon na afloop rationeel beredeneren waarom deze mensen kozen te emigreren. Ik ben het met ze oneens, maar enig begrip is me niet vreemd. Het is de moeite waarom om te proberen te begrijpen waar de zorgen en angsten van deze mensen vandaan komen. We leven immers op dezelfde planeet.
Tijdens het lezen van De zomer van ’47 moest ik regelmatig aan deze documentaire denken. In deze roman zoekt Leo zijn broer Ben, ‘onze kleine rotmof’, op na de Tweede Wereldoorlog. Ze hebben elkaar acht jaar niet gezien. Ben vertrok net voor de oorlog naar Berlijn om te werken in de Duitse filmindustrie die op dat moment hoogtijdagen viert, maar kiest er al gauw voor zich in te zetten voor het Duitse naziregime. Leo blijft in Nederland en werkt, zij het op kleine schaal, mee in het verzet. We hebben verschillende keuzes gemaakt, maar blijven broers, is de overtuiging van Leo, die met zijn bezoek aan Ben wil onderzoeken wat er van hun bloedband over is.
Het gesprek dat Leo en Ben in de vijf dagen die de roman beslaat, voeren geeft de lezer steeds meer beeld bij de keuzes die Ben heeft gemaakt:
Berlijn was geweldig. De stad bloeide, het was geweldig hoe het land uit de ellende was getild. En er was geloof, idealisme. Omdat we met zovelen aan hetzelfde project werkten. En omdat we ervan overtuigd waren dat wij Europa zouden behoeden voor het communisme.
Ben heeft gevochten tegen de dreiging van de Russen.
Het kwaad zien en niets doen, dat geeft het kwade de ruimte.
Ben is ervan overtuigd dat Hitler de weg heeft vrijgemaakt voor het Westen, dat zich in de toekomst opnieuw tegen Rusland zal moeten verzetten en daarmee staan Leo en Ben aan dezelfde kant, aldus Ben. Het gesprek, dat de broers gefragmenteerd voeren in de vijf dagen die Leo bij Ben op bezoek is, laat zien dat er narratieven naast elkaar kunnen bestaan, immers:
Goed en kwaad is een indeling die wij zelf maken.
Ben heeft, zo zal hij later zeggen, een gewetensvolle keuze gemaakt. Als lezer krijg ik, net als Leo, nauwelijks begrip voor Ben, maar daar ligt ook wel de kracht van de roman. Geen knieval voor berouw (de goede afloop), maar de twee verhalen, die nooit bij elkaar zullen komen. Geen wiedergutmachung dus.
En ja, dat heeft invloed op de bloedband. Want hoewel de roman om het gesprek alleen zou kunnen draaien, zijn er twee elementen die de roman spannend maken. Ten eerste is er de context van het Duitse dorp net na de oorlog, waar Ben en zijn vrouw Inge zijn neergestreken. Mensen zijn arm, er is bijna niks, en er is ook niks te doen. Andere armen stelen en plunderen. Voor Marlies, de vrouw van Leo is het een beklemmende omgeving, waar ze het liefst zo snel mogelijk weer vertrekt. Zeker omdat ze met de kinderen zijn gekomen. Eens fout, altijd fout, lijkt Marlies te denken. De onderhuidse spanning die zich bij haar opbouwt, komt tot een climax aan het einde, die het boek nog wat extra sjeu geeft. Was het nodig geweest? Ik denk het niet, maar het maakt de roman meer tot een pageturner. Leest lekker, dus.
Barry Smit kan schrijven. De zomer van ’47 is zijn zesde roman. Smit heeft een onderhoudende roman gecomponeerd, die op een al even onderhoudende manier het archetypische goed-foutthema behandelt. In een wereld waar verhalen vaker dan eens – al dan niet ingegeven door nepnieuws en leugens – lijnrecht tegenover elkaar staan, is het aardig om te zien hoe volhardend mensen met wie je het niet eens bent kunnen zijn. Niet goed, niet slecht, geen longlist, maar toch zeker wel de moeite waard.
Laat een reactie achter