
Veel schrijvers hebben nog een baan naast hun werk als schrijver, maar Detlev van Heest vult zijn inkomen op een wel heel bijzondere manier aan: hij publiceert boeken en schrijft bonnen als parkeercontroleur. Hierover, en dan vooral zijn baan in Hilversum, schrijft hij in zijn in 2025 verschenen autobiografische roman De resten van een mens. En dat doet hij met smaak: hij is goed in zijn werk en deelt de meeste bonnen van heel de stad uit. Het boek is dik, ruim 800 pagina’s, en dat geeft Van Heest de ruimte om voornamelijk aan de hand van dialogen flink uit te wijden over zijn eigen leven, maar vooral over de levens van de mensen om hem heen.
Zo is hij in het begin van het boek samen met een vrouw, Adèle, waarmee hij vrij plots uit elkaar gaat nadat hun levens toch niet compatibel blijken. En bezoekt hij regelmatig familieleden in Duitsland, zijn geboorteland, die allemaal hun eigen problemen hebben. Veel tijd brengt hij door met Lousje, de weduwe van J.J. Voskuil, die net als Detlev – zo noemt hij zichzelf in het boek – auto’s haat en houdt van katten. Maar, het meeste schrijft hij over zijn collega’s. Dit zijn kleurrijke figuren die allemaal hun eigen bijzondere eigenschappen hebben. Het team van controleurs wordt geleid door Jane, een meedogenloze vrouw die voor de minste overtreding een waarschuwing uitdeelt en collega’s consequent met onjuiste namen aanspreekt. Ook is er Djokan, een man die moeite heeft met de Nederlandse taal, en als voormalig teamleider na een incident thuis zit. En de vriendelijke Bercolo (‘Berco’ voor Jane), die alle feitjes die hij met collega’s deelt uit de Quest haalt. En Antoinetta, die iedere zin begint met, ‘Ik heb zoiets van’. De collega’s van Detlev accepteren hem, zeker in het begin, als hij zijn werk serieus neemt en iedere dag vol goede moed naar zijn werk gaat.
Maar dit enthousiasme neemt langzamerhand af: zo vindt hij het maar saai dat Djokan er niet meer is en wordt hij bekritiseerd om kleine dingen zoals het dragen van een bruine in plaats van een zwarte riem. Alle regels overtreedt hij door tijdens werktijd met de voormalig burgemeester iets te gaan drinken. Wat hier zo verkeerd aan is, ziet Detlev zelf niet, maar Lousje brengt hem tot dat inzicht:
[…] In hun ogen ben jij de gestudeerde man. Je bent een bedreiging voor deze mensen. Ze begríjpen niet dat jij dit werk doet. En het ís ook ongewoon dat jij dit doet. Die mensen zouden dat werk nooit doen als ze jouw mogelijkheden hadden. Die mensen haten jou als de burgemeester jou uitnodigt, want ze weten dat zij nóóit door de burgemeester uitgenodigd zullen worden. […] Ze staan door hun afkomst helemaal onderaan de maatschappelijke ladder. Jij staat op het niveau van een burgemeester en een hoogleraar. Jij verkiest dat werk te doen. Het is hun lot dat zij dat werk doen.
Het is typisch dat het verschil tussen Detlev en zijn collega’s pas zichtbaar wordt op het moment dat hij zich niet meer thuis voelt op zijn werk. Waar het voor de collega’s eerst wel grappig was, zo’n geleerde man in hun midden die niet te beroerd is hen te helpen met vaak talige klusjes, wordt het vervelend zodra hij zich begint te verzetten. Want, hoewel hij vaak op papier gelijk heeft — de reglementen waar leidinggevenden zich op beroepen blijken niet te bestaan of zijn anders dan geschetst — is het in veel situaties waarin Detlev zich in Hilversum begeeft geen kwestie van regels kennen, maar vooral van weten hoe deze te accepteren. Dat weigert hij te doen; de leiding ‘werkt hem eruit’.
In principe tragisch, zeker als je als lezer al zoveel honderden pagina’s hebt gelezen over deze voor hem belangrijke baan. Maar op dit punt van het boek kan het Detlev niet meer zoveel schelen, merken ook zijn collega’s op. Ook is er, vrij onopmerkelijk, een uiteindelijk belangrijk personage ten tonele verschenen: Emma Paulides, de moeder van de vermoorde Sandra van Raalten. Aan deze diepongelukkige vrouw, die Detlev twee katten gaf, brengt hij een lange tijd spontane bezoekjes. Tijdens deze bezoekjes spreekt ze vooral over haar overleden dochter. Emma’s gezondheid wordt steeds slechter, en dat het boek eindigt met haar overlijden, voelt passend. Het laat zien dat De resten van een mens niet alleen een droogkomische roman is over de worstelingen en merkwaardigheden van alledag, maar ook een gevoelig boek waarin de grotere kwesties van het leven ruimte krijgen. Soms heel expliciet, zoals bij dit einde, en soms meer onder de oppervlakte, zoals dat gebeurt door de ogen van collega’s. Het is daarmee een uitgebalanceerde roman die niet alleen her en der ontroert, maar ook vaak grappig is – een boek dat enerzijds volledig om de schrijver ervan draait, en anderzijds juist helemaal niet. Een bijzonder, smaakvol geheel.
Laat een reactie achter