
In colleges poëziegeschiedenis haal ik soms het gedicht ‘Dikke mensen’ van Luuk Gruwez aan, uit zijn gelijknamige bundel uit 1990. Het luidt:
Dikke mensen weten alles van de liefde,
tot in de meest verloren uithoek van hun lijf,
de katakomben van hun vlees.
Hun buik is buitenland waarin zij wonen,
aldoor verlangend naar de slankste tailles
die hen doen watertanden als gebak.
Er is geen mens oprechter droef,
zo goedlachs treurig in die afgelegen balg,
die verre tenen en die bolle billen,
alsof zij slechts uit overschot bestaan:
zo’n kleine honderd kilo niets
die niemand ooit zal willen.
Enkele jaren geleden reageerde een van onze studenten woest op dit gedicht. In haar vlammende betoog tegen Gruwez’ woorden fileerde ze de beeldspraak waarin het corpulente lichaam wordt verbonden aan het macabere van katakomben en de buik een vreemd buitenland wordt, alsof je in zo’n lichaam niet echt ‘thuis’ zou kunnen zijn. Via het woord ‘alsof’ in de slotstrofe mag de dichter het idee dat dikke mensen ‘honderd kilo niets’ zijn dan wel in twijfel trekken, zei ze, maar nergens in zijn eigen woorden worden zij méér dan een blok vet vlees. ‘En als ik na dit college een tosti ga eten, ga ik heus niet watertandend naar slanke tailles kijken, en al helemaal niet “als gebak”. Alsjeblieft zeg.’
Tijdens het lezen van Eline van Wierens debuutroman Popcorn donut kaassoufflé moest ik regelmatig aan dit moment denken. We volgen in die roman Kato, een bibliotheekmedewerker die samenwoont met haar kat en worstelt met een eetbuistoornis. Haar dagen worden gedomineerd door boodschappenlijstjes, dwanggedachten en een voortdurend ervaren druk om te veranderen. Daarom meldt ze zich aan voor groepstherapie, waarbij ze wordt opgezadeld met oefeningen en eetschema’s zonder dat iemand echt weet door te dringen tot de problematiek die daadwerkelijk onder haar eetbuien schuilt. Mededeelnemer Toby, echter, weet wel dichtbij te komen. Ondanks (of juist dankzij) hun wat ongemakkelijke gesprekken ontstaat er een prille verliefdheid die een belangrijke motor blijkt voor Van Wierens plot en Kato’s zoektocht naar zelfacceptatie.
Die zelfacceptatie staat in Popcorn donut kaassoufflé nooit los van de manier waarop Kato de blik van niet-dikke mensen ervaart. Als zij en Toby voor het eerst zoenen, noteert Van Wieren:
Toby opent zijn lippen niet, probeert niet direct zijn tong in haar mond te stoppen. Tot nu toe heeft iedereen altijd direct een tong in haar mond proberen te stoppen. God, wat heeft ze zich vaak een object gevoeld met lekkere vette billen waar mannen hun fantasie om het een keer met een dikke vrouw te doen op kunnen botvieren. Kato schaamt zich diep als ze bedenkt hoe vaak ze heeft geprobeerd om dit soort mannen ervan te overtuigen dat ze niet onderdoet voor haar dunne soortgenoten. Maar hier, met haar ene hand op Toby’s onderarm en de andere op het zadel van haar fiets, heeft ze niets te bewijzen.
Het geseksualiseerde dikke lichaam als (eenmalig geile) afwijking van de norm is binnen de zogeheten fat studies herhaaldelijk geproblematiseerd. Literatuurwetenschapper Jessica Murray liet in een analyse van romans van Laura Dockrill, Mona Awad en Sarai Walker al eens zien hoe complex het is om dikke vrouwelijke personages in literaire teksten positief te representeren. Want ook als ze een centrale positie en een rijk gevoelsleven hebben – en dus uitstijgen boven een stereotypische bijrol – worden hun verhalen vaak verteld vanuit een logica die Murray ‘fat phobic’ noemt. Het dikke lichaam is bijvoorbeeld een plotmotor (als probleem of trauma dat overwonnen moet worden) en de sociale omgeving van zulke personages bevestigt voortdurend dat hun gewicht moet worden gecorrigeerd. Murray betoogt dat de focus in zulke romans daardoor verschuift van wie deze vrouwen zijn naar wat hun lichaam betekent voor anderen – hetgeen waarlijke zelfbeschikking in de weg zou staan.
In Popcorn donut kaassoufflé is die representatiekwestie eveneens aan de orde. Ook voor Kato is haar lichaam immers een probleem om te overwinnen, een dagelijks beleefd trauma dat de plot van de roman in haar greep heeft. Tegelijkertijd laat Van Wieren zien dat Kato veel méér is dan dat, en de vele Goodreads-recensies die de roman heeft gekregen onderstrepen hoezeer haar lezers dit personage – de ene bladzijde ontroerend kwetsbaar, de andere scène ronduit onsympathiek – in hun armen sluiten. Zoals vaker in online lezerskritiek domineren daarbij affectieve en identificerende leeshoudingen. Ene Malou schrijft bijvoorbeeld: ‘Ik heb dit verhaal helemaal doorleefd en moest oprecht even goed huilen, gewoon omdat het nu echt uit is.’ Afgaand op de vele soortgelijke reacties lijkt Van Wieren erin geslaagd een personage neer te zetten met wie lezers – met verschillende lichaamstypen – tijdelijk konden samenvallen.
Wie erin gelooft dat het lezen van literatuur helend kan werken, kan zich beslist aan die receptie ophalen. Als Kato een persoon van vlees en bloed was geweest, had zij dat misschien zelf ook gedaan. Op haar werkdagen geniet ze het meest van het eerste halfuur, ‘als de bibliotheek nog dicht is. Honderden verhalen staan in stilte op de planken. Geen bezoekers die een boek pakken, er wat doorheen bladeren en het dan op compleet de verkeerde plek terugzetten. De eenzame poëziehoek hoeft het nog even niet af te leggen tegen de leeggeroofde planken met zelfhulpboeken.’
Liever poëzie dan zelfhulp, dus – liever volwaardige literatuur zonder lezers dan influencende goeroes met hun zogenaamd goedbedoelde tips. Al blijft het de vraag of Kato die poëziehoek zo zou koesteren als Gruwez’ Dikke mensen er stond te pronken.
Laat een reactie achter