Een bakker vastpakken

Gerbrand Bakker scharrelt in zijn Duitse tuin, wandelt over een Amsterdams eiland, gaat langs bij zijn moeder op de boerderij. Hij schrijft, reist, drinkt gin-tonic met zijn man, trouwt, poot cyclamenknollen, ontwikkelt een terloopse obsessie voor Mathieu van der Poel – en barst tijdens een optreden in Turkije in tranen uit als hij komt te praten over zijn broertje Ariën, dat in 1969 verdronk. Aha, denkt hij dan, dáár gaat dit deel Privé-domein dus over. Maar ja:
Kijk, wat ik daar in Istanbul op dat podium zei, is meer iets voor in een boek van een andere schrijver.
Die andere schrijvers maken “gratis en voor niks” allerlei spectaculaire ellende mee en schrijven daar spektakelstukken over, terwijl hij met zijn scharrelleven en zijn reputatie van ingehouden Noordhollander zit. En met dat broertje, kennelijk. Zijn boek heet dan ook Aan mij heb je niks: een uitspraak van zijn moeder. Zoals vaker bij Bakker is zo’n terloops zinnetje eigenlijk een kwestie van leven of dood. Ze zei het voor het eerst:
(…) op een moment van totale ontreddering: wat haar in juni 1969 met haar zoontje Ariën was overkomen, overkwam nu, in juni 1998, haar dochter met haar kind.
Moeder Bakker kan op dat moment alleen maar steeds herhalen: “Aan mij heb je niks!”
Het was vreselijk. Het was niet zomaar iets wat ze zei, het was vooral voor ons, haar kinderen, een uiting van iets enorms wat we in juni 1969 niet hebben gezien.
Niks
Zo weinig als de Bakkers zeggen, zo raak is het meestal. Want natuurlijk wil moeder er voor haar dochter zijn, maar ze kan het niet. Ze kon haar eigen zoon niet eens redden, lang geleden, het peutertje dat verdronk. In haar eigen ogen faalt ze nu opnieuw als moeder, en als grootmoeder. “Aan mij heb je niks.” De verlatenheid van zo’n zinnetje.
Wij huilden mee, we zeiden wat we wél iets aan haar hadden: ze wás er, ze kon iemand vastpakken, wij konden haar vastpakken.
Ik hoor het moeder Bakker denken: vastpakken, wat heb je eraan? Als de dood je aankijkt uit het gezicht van je kind of kleinkind, dan is het enige waar je op zo’n moment iets aan hebt, een wonder: het kind slaat de ogen op, gaat zitten, laat zich gewillig vastpakken en knuffelen, wordt beter. Iedereen die dát wonder niet voor elkaar krijgt, daar heb je niks aan.
Wenkbrauwen
In het heden dwarrelt moeder verweduwd door de boerderij en vindt veel zaken “niet van toegevoegde waarde”. Heb je óók al niks aan. En haar zoon maar schrijven over cyclamen en cyclistes, en soms dat broertje, met eenzelfde efficiënt, verwonderd, ongenadig taalgebruik als zijn moeder:
Het onverwachte ervan ook: op de meest vreemde momenten volschieten over een gebeurtenis van 55 jaar geleden. Alsof ik toen helemaal niets verwerkt heb.
Bakker en zijn moeder bezien niet alleen zichzelf, maar ook hun omgeving met haviksblik en gefronste wenkbrauwen. Soms schemert er mededogen door, vaker wekken ze het op. Je zou ze dan even willen vastpakken.
Laat een reactie achter