
Jackie Wernets leven was vrij alledaags. Ze had een kantoorbaan bij Kaersenhout, Wilson & Tan, maar dat paste niet bij haar. Daarom liet ze zich omscholen tot kledinghersteller. Ook dat zou een gewone baan kunnen zijn – maar al snel kom je er als lezer achter dat niets dat is in het leven van Jackie, hoofdpersonage van Marie Kessels’ nieuwste boek Jackie’s keuze.
De roman opent op het moment waarop Jackie een nieuw huis zoekt. Via via komt ze terecht in een pand dat ook bewoond wordt door Elena, tevens haar huisbaas. Vanuit huis runt Elena een winkel met militaire spullen. Ook heeft ze een ruimte waarin ze accordeonlessen geeft aan jonge kinderen. Hierdoor geïnspireerd besluit Jackie haar atelier niet te verplaatsen naar een andere plek, maar te bestieren vanuit haar eigen piepkleine slaapkamer. Dat levert kleurrijke dagen op waarop net zo veel kleurrijke figuren over de vloer komen. Die klanten moeten zich op de één of andere manier verhouden tot het feit dat ze zich in Jackie’s slaapkamer bevinden. Gelukkig kunnen ze zich laten afleiden door muren vol foto’s van jazziconen, waarvan vooral Eric Dolphy veel bekijks trekt.
Naast klanten bezoeken ook vrienden Jackie’s studio. Zo trekt ze bijvoorbeeld op met Fred. Met hem zat Jackie vroeger in de anarchistische Emma Goldman Kring. Tegenwoordig houdt hij zich op een obsessieve manier bezig met de doodstraf. Samen waren ze bevriend met Manu, een fysiotherapeut die hen gratis masseerde. Nu hij er niet meer is, herdenken ze hem door in huis massages te nemen en herinneringen aan hem op te halen. In hun vrije tijd gaan Fred en Jackie naar huize Vishnu, een onbewoond vervallen pand in de buurt waarvan ze zichzelf zien als tijdelijke ‘maandagavond-oppassers’. Als ze dat huis op een dag bezoeken en door de stromende regen naar huis fietsen, pikken ze twee hardlopers op die ze meenemen naar Jackie’s huis.
Door het gewicht van de meisjes bij mij achterop vergeet ik te letten op dit maar zwoegen tegen de wind in, mond neus oren vol water. Fred laat de plotselinge weersomslag onverschillig, hij heeft het buitenleven in zijn systeem. Dit buitje van niets, dit stormpje waardoor zijn passagier rusteloos, nog zoekend naar het goede evenwicht over zijn bagagedrager heen en weer schuift, haar armen om het hooggebergte van zijn buik heen geslagen ter geruststelling, há! Dachten wij dat hij nooit eerder regen had gezien, schreeuwt hij met die smachtende weidse gebaren naar ons alsof we wel gek waren, wij alle vier, om het niet onmiddellijk zwaar te pakken te krijgen van dit weertype. Dachten wij dat hij nooit aan iets ergers was blootgesteld dan aan dit drupje? Dat zijn papierdunne rokershuid paars doorschijnt van alle harde regenstriemen in zijn gezicht, slaat hem niet terneer.
Thuis drogen de hardlopers op en krijgen ze van Fred een les in de namen van iedereen die ooit met de elektrische stoel werd geëxecuteerd. Het is nooit saai in Jackie’s leven.
Ik zou nog even zo door kunnen gaan. Dit soort details schetsen namelijk een beeld van de sfeer in dit verder plotloze boek. Toch doen ze dat maar deels. Want het zijn niet alleen de personages die een bepaalde sfeer met zich meebrengen; het is vooral de stijl die dat doet. Deze is bloemrijk op een explosieve, associatieve manier: zinnen starten, duren een paar regels lang, eindigen op een heel andere plek en wijze dan hoe en waar ze begonnen. De hoofdstukken zijn voorzien van data en hebben daardoor iets dagboekachtigs, ook omdat je als lezer in Jackie’s hoofd zit en het leven vanuit haar beleeft. Maar het is dan wel een dagboek dat geschreven werd voor een lezer, omdat deze zo nu en dan wordt aangesproken:
Wel, lezer, met je vinger geduldig bij de regel […]
Het boek staat bol van de monologen, want de personages lijken niet met elkaar te praten, maar vooral tegen elkaar. Over wat ze die dag deden, wat ze vinden, wat ze in hun levens meemaakten. Alsof je in een café zit waar de stamgast na drie jenever te veel, ongevraagd natuurlijk, haar levensverhaal met je deelt. In eloquente volzinnen.
Het lijkt in deze roman dan ook niet te gaan om een verhaal, een plot. Er is geen drijvende kracht, geen specifieke weg die Jackie probeert te bewandelen, geen doel dat ze voor ogen heeft – behalve dan het leiden van een cultureel geëngageerd, vrij leven, waarin ze niets zoals bijvoorbeeld geld nastreeft. Aan het eind van de roman is er geen verandering teweeggebracht: Jackie’s leven is nog precies hetzelfde als aan het begin, behalve dan dat ze een man heeft ontmoet waar ze af en toe mee slaapt.
Deze keuze, die de roman enerzijds voortstuwt en interessant maakt, zorgt er soms ook voor dat het een uitdaging is om hem te lezen. De zinnen zijn mooi, maar ook weer zo omslachtig en overweldigend dat je je afvraagt waarom er voor deze taal en plotloosheid gekozen is. Is het om te laten zien dat Jackie en haar vrienden, als uitvoerders van praktische beroepen, net zo welbespraakt en cultureel geëngageerd kunnen zijn als de mensen in de kringen waar Jackie zich eerder in bevond? Is het om de lezer uit te dagen: baan je een weg door deze pagina’s aan soms onbegrijpelijke zinnen die soms helemaal niet zoveel lijken te zeggen? Is het om een levensenergie te vatten die op een andere manier platter was geweest? Na het slot weet ik het nog niet. Ik hoopte op een teken, op een onthulling, maar het boek eindigt op een manier die net zo goed de voorbode van een nieuw hoofdstuk had kunnen zijn.
Dat had een gevoel van zinsloosheid kunnen opwekken, van de gedachte dat Jackie’s keuze alleen maar een literair experiment is. Maar dat zou de roman tekortdoen. Jackie wordt juist door haar taal springlevend en vormt de brug naar een groep personages die niets kwaads in de zin heeft, die hun jaren op deze planeet simpelweg op een fatsoenlijke, vrolijke en goede manier wil besteden. Er zijn slechtere plekken om te vertoeven.
Laat een reactie achter