
Leerlingen die zich voorbereiden voor een mondeling examen, kunnen zich misschien oefenen in een gesprekstechniek: om opheldering vragen.
Het is iets wat in gesprekken voortdurend gebeurt. Zo normaal is het, dat we ons er nauwelijks van bewust zijn, want je vergeet het meteen weer. Iemand zegt ‘Heb je gisteren Dottie nog gezien?’, maar je hoort het niet goed en zegt ‘Wat?’, en de ander zegt ‘Dottie. Of je die gezien hebt.’ Het gebeurt nu eenmaal voortdurend dat het net even rumoerig is, of de spreker net een beetje onduidelijk articuleerde, of de luisteraar een microseconde werd afgeleid. In de gespreksanalyse worden verschillende vormen van herstelverzoeken onderscheiden, van heel algemeen (‘huh?’) tot heel specifiek (‘bedoel je die bokkige witte pony?’).
Een mondeling examen is natuurlijk geen gewoon gesprek, bijvoorbeeld omdat de verhoudingen zo asymmetrisch zijn. De ene deelnemer wil haar beste beentje voorzetten, de ander wil achterhalen wat dat beste beentje precies is. En toch gelden er voor een deel dezelfde regels.
In een nieuw artikel in het Tijdschrift voor Taalbeheersing bespreken de Utrechtse student Ester van der Wal en de Nijmeegse hoogleraar Wyke Stommel deze regels. Ze hadden toegang tot opnamen van mondelingen Nederlands op Nederlandse middelbare scholen. Tijdens die mondelingen wordt normaal gesproken de kennis van en het inzicht in literaire werken getoetst.
In die gesprekken blijken leerlingen regelmatig herstelvragen te stellen van alle verschillende typen. En doorgaans krijgen ze daar dan een beter beantwoordbare vraag op terug. Soms is zo’n vraag zelfs aanleiding voor de docent om de eerdere vraag zelf te bekritiseren:
Laura (L) en Meneer Vermeer (V) over De Engelenmaker van Stefan Brijs
V: Welke twee grote gebieden in de wereld staan eigenlijk tegenover elkaar in het boek? Probeert die man te combineren?
L: Gebieden?
V: Ja: nou ja denk… kennisgebieden. Eh ja, misschien is het een beetje cryptisch, maar als ik meer vertel is het niet meer zo’n goeie vraag, denk ik. Misschien is het nu ook al geen goeie vraag, dat kan ook, hè. Ehm, kijk hij is wetenschapper…
L: *knikt* hmhm
V: …en wat probeert ie eigenlijk te doen?
In eerste instantie vraagt Laura alleen maar naar de precieze betekenis van gebieden, maar ze krijgt er gratis voor terug dat de docent de vraag als geheel begint te bekritiseren, ook doordat ze haar mond houdt nadat meneer Vermeer heeft verhelderd dat het gaat om ‘kennisgebieden’. Uiteindelijk krijgt ze een nieuwe, behapbaarder, vraag (‘wat probeert ie eigenlijk te doen?’)
Ik moet hierbij zeggen dat ik De Engelenmaker gelezen heb, maar nog steeds geen idee heb wat men op deze vraag zou moeten beantwoorden. Maar dat terzijde. In ieder geval is reparatie natuurlijk in sommige gevallen nodig. De docent zit er ook maar wat te improviseren, dus de kans dat hij iets onduidelijks vraagt is altijd aanwezig
In het onderzoek van Van der Wal en Stommel bleek de leerling er altijd zo beter uit te komen. De onderzoekers plaatsen daarbij zelf nog wel als kanttekening dat ze alleen de gevallen hebben bekeken waarin er inderdaad gerepareerd werd. Als de docent reageerde met ‘Dat had je toch eigenlijk moeten weten’, werd dat dus niet beschouwd. Bovendien weten we natuurlijk niet in hoeverre de docent registreerde dat er uiteindelijk een eenvoudigere versie van de vraag beantwoord werd.
Het is belangrijk om goed te begrijpen wat er bij een mondeling examen gebeurt, al is het maar doordat de komst van chatbots de mondelinge toets misschien belangrijker gaan maken. Er gaan bijvoorbeeld stemmen op dat de traditionele scriptie veel van zijn waarde verliest als er nauwelijks nog zicht is op hoe die precies tot stand is gekomen. Het menselijke, heel menselijke, spel van het gesprek moet dan uitkomst bieden – maar dan is het wel handig om te begrijpen hoe dat spel gespeeld wordt.
Laat een reactie achter