
De mooiste gedichten in de bloemlezing In mijn dichten is mijn hart uit de poëzie van Nicolaas Beets door Rick Honings, zijn de gedichten uit de ouderdom. In zijn jonge jaren zat hij wel heel dicht bij zijn modellen, Byron en andere Engelse romantici, en daarna raakte zijn poëzie wel erg met zijn ambt als dominee vervlochten. Die gedichten zitten heel knap in elkaar – de volmaakt geconstrueerde versregels stromen voorbij – maar inhoudelijk staan die beschouwingen over hoe de natuur ons inzicht geeft in Gods goedheid soms wat verder van de lezer af. Of in ieder geval van mij.
Maar gelukkig werd Beets heel oud, en na zijn pensioen liet hij het wat meer los. Hij bleef gelovig, maar dat uitte zich onder andere in zijn terecht beroemdste gedicht ‘De moerbeitoppen ruisten’ (ik neem Honings’ gemoderniseerde spelling over):
‘De moerbeitoppen ruisten’:
God ging voorbij;
Nee, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde;
En sprak tot mij;
Maar ook schreef hij satires, op moderne aberraties zoals het darwinisme, op de crematie, op het feit dat iedereen zoveel haar had (‘de vrouwen dragen vlechten / van haar op ’t hoofd als Atlas’ hemelkloot; / De mannen, baarden, zwart bruin, grijs, wit, bont, en rood –’; terwijl Beets zelf enorme bakkebaarden droeg!). De auteur van de Camera obscura en de nationale knuffelpoëet bleek eveneens een zeer getalenteerde nurks. Hij verzette zich ook tegen de Tachtigers, met hun veel te grootse gebaren. En tegen het woord prachtig:
Pracht
’t Is alles prachtig wat men hoort of leest:
Een prachtig boek, lied, landschap, uitzicht, feest…
Wat altijd lief, bevallig, schilderachtig,
Door reine eenvoud treffend is geweest,
Het moest nu prachtig heten, ’t minst en ’t meest.
‘k Moet zeggen, al die pracht verveelt mij machtig.
En word ik dan dat oude woord indachtig,
En spreek ik ’t uit, bescheiden maar met kracht:
‘Ik vraag u schoonheid, en gij geeft mij pracht’ –
Men roep van alle kant: ‘dat woord is prachtig!’(1873)
Mensen hebben de neiging om voor ervaringen van grote schoonheid steeds weer nieuwe woorden in te vullen en sinds 1873 hadden we dan ook heel veel varianten van dit gedichtje kunnen schrijven (’t is alles episch wat men hoort of leest’, ‘een heel gaaf boek, lied, landschap, uitzicht, feest…’, enzovoort). Het heeft weinig zin om je ertegen te verzetten, net zo min als tegen de harigheid van je medemens, maar als je je er dan toch tegen verzet, kan dat misschien beter in een gedichtje zoals dit.
Interessant is bijvoorbeeld dat van Beets’ alternatieven lief, bevallig, schilderachtig alleen de laatste nog enigszins gebruikelijk is., in ieder geval voor landschappen en uitzichten Mensen zijn nog wel lief, en ook hun gedrag kan dat zijn, maar een ‘lief lied’ is net zo ongewoon als een ‘bevallig feest’. Prachtig is natuurlijk op al deze zaken nog onverkort van toepassing, het is inmiddels kennelijk meer dan 150 jaar in ons mond bestorven. Taalverandering valt niet te stoppen – maar wie er getalenteerd over moppert kan zorgen dat het gemopper net zo lang blijft bestaan als het nieuwe woord.
Nicolaas Beets. In mijn dichten is mijn hart. Bloemlezing uit de poëzie van Nicolaas Beets door Rick Honings. Prometheus, 2026. Bestelinformatie bij de uitgever
‘De boermeitoppen ruisten’, inderdaad een van zijn mooiste gedichten, wat kan omdat wij de oorsprong van die regel niet meer kennen. En het mooi en vredig klinkt.
Het komt uit de bijbel (uiteraard zou ik haast zeggen, 2 Sam. 5: 23 e.v.), waar het een verrassend andere betekenis heeft.
David heeft het weer eens aan de stok met de Filistijnen en God geeft hem strategisch advies en zegt hem de Filistijnen in de rug aan te vallen, door zich daar bij de moerbeibomen op te stellen en zodra uit de toppen het geluid van een aanstormend leger klinkt, toe te slaan. Dat geeft toch te denken.
Over taalverandering gesproken; mij doet het denken aan Hildebrands leukste boek (afgezien van de Camera Obscura) ‘Na vijftig jaar’, een boek waarin hij allerlei woorden en begrippen behandelt die een halve eeuw na de eerste uitgave niet meer begrepen werden door de nieuwste generatie.
Zijn uitvoerige uiteenzettingen zijn nog steeds een feest om te lezen, al zijn van die verklaringen na al die tijd veel woorden en begrippen nu ook al niet meer te begrijpen voor de geletterde lezer.
Zo verbaast hij zich dat niemand meer de term ‘’Rapponische krachten’ kent, van Jean Paul Rappo, toch een bekende atleet uit zijn jeugd, terwijl de schrijver van ‘De betooverde wereld’ uit de zeventiende eeuw iedereen nog bekend is.
En zo noemt hij nog wat voorbeelden van bekende personen, die door ons inmiddels vergeten zijn (gelukkig staat ‘De betooverde wereld’ in mijn kast; dat was Batlhazar Bekker ). Een aanrader.