Over De clown die uit de lucht kwam vallen van Koos van Zomeren

In 2001, kort voor het einde van het jaar, bundelde De Arbeiderspers ruim 70 columns van Koos van Zomeren en schonk de bundel ‘ter gelegenheid van de jaarwisseling 2001-2002 in een oplage van 1000 exemplaren exclusief voor vrienden en relaties’ van de uitgeverij. Duizend vrienden en relaties! Mooi aantal. De bundel draagt als titel De clown die uit de lucht kwam vallen en bevat columns die over het lachen gaan, over de humor in terloopse ontmoetingen en herinneringen, de humor van oude mensen, jongeren en vogels.
Niet helemaal duidelijk is of de gebundelde columns alle uit 2001 of ook van eerdere jaren dateren. Een verantwoording van de De clown ontbreekt. Naar alle waarschijnlijkheid maakten de columns, in boekvorm alle zo’n anderhalve pagina’s groot, hun debuut in NRC Handelsblad, de krant waarvoor Van Zomeren aanvankelijk dagelijks, nadien wekelijks schreef.
De bundel is geen moppentrommel, al biedt Van Zomeren wel enkele geestige verhalen en vermakelijke anekdotes. In zijn columns is hij vooral ernstig als het om humor gaat. In dat opzicht sluit hij aan bij wat de meeste ‘humoronderzoekers’ bindt. Aan Het was maar een grapje. Nederland in tien humorschandalen (2023) van Ivo Nieuwenhuis ontleen ik enkele observaties, zoals het bestaan van ‘verschillende humortheorieën’. Nieuwenhuis volgt de socioloog Giselinde Kuipers die ‘voor een wetenschappelijk artikel’ ooit een lijst van ‘zes ingrediënten’ van humor onderscheidde: incongruentie, niet-serieusheid, plezier, sociabiliteit, transgressie (grensoverschrijding) en agressie. Daar valt niet mee te spotten.
Grappiger
En toch denk ik dat het humoronderzoek veel van Van Zomeren kan opsteken. In ‘Apen’ bijvoorbeeld beschrijft hij hoe twee apen elkaar verrassen, de een met aanstekelijke dwaasheid en de ander met schrik daarover: ‘Hier werd beslist geen humor bedoeld.’ Onbedoeldheid kan een kenmerk van humor zijn. Gaat het hier om incongruentie, het eerste kenmerk van Kuipers? Volgens Bergson, de filosoof van het lachen, horen incongruentie en het onverwachte tot de pijlers van de humor, maar onbedoeld en onverwacht, dat is toch niet helemaal hetzelfde.
In een andere column, getiteld ‘Pictogram’, gaat het andermaal over onbedoeldheid. Zijn stuk opent Van Zomeren met een zin die ik zeer humoristisch vind, al is dat mogelijk zo bedoeld: ‘Vogels staan niet bekend om hun gevoel voor humor.’ Ernstiger is het vervolg: ‘Misschien komt dat doordat zelfs de droogste humor een zekere mimische ondersteuning nodig heeft en wat mimiek betreft zijn vogels nogal karig bedeeld’. Hier onderscheidt Van Zomeren een ander humoristisch bestanddeel: ‘mimische ondersteuning’ in de uitvoering, het stalen gezicht of de bijzondere oogopslag. Wat later brengt een raaf hem desondanks vrolijkheid, wat tot de vraag leidt: ‘Nu kun je je nog afvragen of dit ook geestig bedoeld was.’ De vraagstelling vermoedt dus van niet. Van Zomeren bekent dat hij de raaf heel wat grappiger vindt ‘dan een heleboel dingen die zo goed als zeker wél geestig bedoeld zijn – Hans Liberg bijvoorbeeld.’
Mimiek
Opmerkelijk is zijn stelling dat het ‘een stuk makkelijker’ is om leuk te zijn ‘als je jong bent (…) dan wanneer je oud bent’. Wie oud is, moet harder werken voor de lach, beweert hij. Wie als oude baas geweldig zijn best doet, is Van Zomerens oude hond Rekel: die is geestig ‘omdat hij doet alsof hij jong is’. Dat ‘doen alsof’ lijkt op de ‘niet-serieusheid’ waarover Giselinde Kuipers sprak, maar het is toch niet helemaal hetzelfde.
Bij Van Zomeren is er een relatie tussen humor en de ‘veronderstelling dat alle anderen dom zijn’. In de aangehaalde column ‘Apen’ schrijft Van Zomeren dat hij soms denkt ‘dat lachen in essentie een tamelijk domme reactie op tamelijk domme gebeurtenissen is’. Humor raakt volgens hem ook aan wreedheid: ‘Ik vraag me weleens af of er zonder wreedheid wel humor zou zijn op deze wereld.’
Tot een samenhangende theorie over humor en lachen komt Van Zomeren niet, dat zou ook de droefheid ten top zijn, maar in zijn denken, vaak in de vorm van zich afvragen, verkent hij deze fenomenen op een originele manier. Zo stelt hij in een column over Benny Hill vast dat mensen ‘dagelijks een bepaalde dosis humorine’ nodig hebben: humor als zuurstof! Onbedoeldheid van humor effent voor Van Zomeren de weg naar de lach; zo blijken honden en raven ‘per ongeluk’ onverwacht humoristisch. Al dan niet met ondersteuning van mimiek.
Laat een reactie achter