Over Het verhaal van Koos van Zomeren

Van Koos van Zomeren heb ik lang niet alles gelezen – de teller staat thans op 15 titels -, maar van wat ik las, beschouw ik zijn kleine roman Het verhaal uit 1986 als een hoogtepunt. Mijn exemplaar kocht ik in februari 1987, Van Zomeren signeerde het in Nijmegen op 19 december van dat jaar. Mij staat bij dat ik het toen twee keer las, en dan nu andermaal. Ik wens het boek nieuwe herdrukken toe.
De roman start met de introductie van drie naamgenoten: grootvader, oom en de ik-figuur. Drie keer Felix Rutten, van wie er als het verhaal verteld wordt nog maar eentje in leven is. De kleinzoon en neef Felix is de overlever, hij is op het moment van vertellen veertig en voert de regie van verhaal en herinnering.
Al op de eerste bladzijde wordt van de grootvader achteloos afscheid genomen. In leven duivenmelker, in een vloek en een zucht verdwenen uit het verhaal. Herinnerd duikt hij in het oude huis in Velp nog even op als ‘de patriarch van de familie, heerser op een wankele troon’, maar in werkelijkheid is hij al lang geleden door de dood van de wiebelende troon gestoten.
Veelzeggend
Van zijn vertelmacht is de jongste Felix zich goed bewust, waar hij na het inderhaaste afscheid van zijn grootvader bekent dat hij in zijn schrijven personages ‘als lucifershoutjes’ verbruikt: de personen die hij ‘met links en rechts bijeengesprokkelde gebaren en uitlatingen’ met grote inspanning tot leven gewekt heeft, laat hij vervolgens gruwelijk aan hun einde komen. Met die bekentenis van de jonge Felix werpt Koos van Zomeren licht op zijn werkwijze, op de manier waarop hij personages ‘schept’. Niet spectaculair, maar wel een soort ‘disclaimer’: mijn personages zijn ‘bijeengesprokkeld’ en dus niet enkelvoudig op één werkelijk bestaande figuur geënt. Geen overbodige waarschuwing, veel van de hoofdpersonen delen stukken van de biografie van de schrijver, maar neef Felix is niet Koos, zoals grootvader Felix niet dezelfde is als de Velpse grootvader van de schrijver. Fictie en werkelijkheid zijn uiteraard wel familie van elkaar.
Op die eerste bladzijde behoort ook oom Felix niet meer tot de levenden, maar die wordt door de auteur heel wat minder onverschillig naar de uitgang geleid. De oom had in Indië gevochten, zo staat er te lezen, en ook hij wordt in eerste instantie herinnerd. Op het moment dat de verteller en zijn broer Jaap zich hun oom en hun bezoek aan de kazerne herinneren, leeft hij nog wel, al hebben beiden al lang niets meer van hem gehoord. Een paar dagen later is de oom van zijn wankele troon gevallen. Felix hoort van zijn vader dat oom zich ‘in koloniale stijl’ van het leven had beroofd, met zijn klewang. Een dag later ontvangt hij een brief van de oom die zegt ‘ermee’ te kappen, hij zegt zijn schuld niet te kunnen uitwissen, ‘maar de herinnering wel’. Het is veelzeggend dat oom Felix de afscheidsbrief aan zijn neef stuurt.
Handgranaat
Oom wordt begraven op Moscowa en bij die gelegenheid vertelt neef Felix dat hij aan zijn oom een column had gewijd. Die column veranderde in enkele dagbladen in een nieuwsbericht: in Arnhem had een 66-jarige ex-onderofficier zich van het leven beroofd, in 1947 was hij betrokken geweest bij een massamoord in Java, nabij Tjiawi, en zijn wroeging had hem de moed ontnomen de herdenking van het veertigjarig bestaan van de oorlog onder ogen te zien.
Neef Felix vertelt hoe zijn verhouding met de oom zich had ontwikkeld. Die was zijn lievelingsoom, de man met een martiale snor, hij zat graag bij oom op schoot. Intussen rekent de neef in de vertelling nu schuldbewust af met de jongen die hij destijds was: een leugenachtige pestkop. In de jeugd van neef was de kameraadschap tussen oom en neef nog heel sterk: hij kwam op bezoek en schaakte met zijn oom. Allengs ontwikkelt zich bij de neef nieuwsgierigheid, hij wil meer weten over oom Felix en dan in het bijzonder over diens tijd op Java. Met tegenzin geeft oom stukjes van de geschiedenis prijs, uitgedaagd door neef die de Indonesische actualiteit bespreekt en met misplaatste deskundigheid duidt. Dat oordeel over die misplaatste deskundigheid is overigens een later kritisch oordeel van de neef. Oom Felix vertelt, in overeenstemming met dat wat nadien gedacht werd, dat Nederland destijds niets in Indonesië te zoeken had. Hij zegt bij navraag er veel van opgestoken te hebben: ‘‘Mij hoeft niemand meer te vertellen waartoe een mens in staat is.’’ Eerst is er een herinnering aan Jopie Boeve die een inlandse vrouw zonder enige aanleiding dood schoot, later is er de beschrijving van een patrouille waarbij een jochie van zes het pad kruist en zich de mogelijkheid aandient dat het kereltje een handgranaat kan gooien en dan dood zaait.
Verwondering
Neef Felix neemt met die vertelling nauwelijks genoegen. Hij is een twintiger, in de ban van het socialisme, en dan nog de radicale variant, in de liefde aan het rotzooien en activist in de strijd tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam. Oom Felix komt voor hem op de zoveelste plaats, terwijl dat voor de eenzame oom anders ligt. Oom komt met enige regelmaat bij neef op bezoek, maar het schikt zelden. Totdat oom zijn neef kan bedienen met een verhaal over de Nederlandse misdaden bij Tjiawi, zijn betrokkenheid daarbij, wat onder de pen van de neef uitgroeit tot ‘het My Lai van Java’.
Het heeft er alle schijn van dat de herinnering van oom Felix steeds meer gaat beantwoorden aan dat wat de neef horen wil, niet alleen gretig gelooft, maar ook opschrijft en daarmee onweerlegbaarheid verleent. En die arme oom die gaat steeds vaster geloven in het verhaal dat hij verteld heeft en hem aandacht van de neef opleverde. Hoe Het verhaal eindigt, zal ik niet vertellen, maar aan het einde resteert er voor de neef een kolossaal schuldgevoel – is hij schuldig aan de zelfgekozen dood van zijn oom? Heeft hij politieke principes laten prevaleren boven de loyaliteit aan zijn oom? – en is er voor de lezer en de verteller het ongemakkelijk inzicht dat iedereen gelooft wat hem het beste uitkomt.
Voor neef Felix is er een uitweg en die is hem halverwege de roman op subtiele wijze aangereikt: de natuur, een voorbij scherende uil, ‘kent geen schuld, hoogstens verwondering’.
Dank voor dit artikel: ik vond Van Zomerens ‘Alle vogels’ wonderschoon en zou graag wat meer van hem lezen. Ik ga op zoek…