Verlangen in C.O. Jellema’s ‘Sneeuwsonnet’

Ruim drie jaar woon ik nu op het Groninger Hogeland, ongeveer 5 km vanaf Leens. Daar, in huize Oosterhouw, schreef C.O. Jellema zijn indrukwekkende poëzie. Vanuit zijn studeerkamer keek hij uit over uitgestrekte landerijen met daarboven de imposante wolkenluchten. Zittend in de stoel van zijn grootvader (zoals zijn echtgenoot Klaas Noordhuis me vertelde) schreef hij zijn ‘Gedicht’, waarvan de eerste strofe luidt:
In stilte schrijf ik jou, gedicht, in stilte,
een stoel draagt mij, op tafel rust mijn arm,
en als ik opkijk zie ik over buxushagen
in ‘t open veld de trage schapen grazen
onder gelaten wolken van dit kustgebied –
in stilte schrijf ik jou, in deze stilte.
Op dat open veld, op die uitgestrekte landerijen lag in de voorbije weken sneeuw, veel sneeuw. Het is niet te omschrijven hoe mooi, hoe sereen het landschap was. Een foto kan het beeld niet op de juiste manier weergeven. Je kan alleen maar ademloos toekijken en als vanzelf komen de beelden van Jellema’s ‘Sneeuwsonnet’ boven:
Toen ik, kind nog, door hoge vensters dromend
over de gracht heen zag besneeuwde velden
daarachter als oneindig, me voorstelde
hoe als een zwerver uit de verte komendik naar dat huis keek: achter lege ramen
het wit gezicht van iemand die er woonde
en woof – zo, in mijzelf terug, beloonde
ik mijn aanwezigheid in stille kamer.Vroeger is sneeuw; die kleine tijd van jaren
toedekkend lijkt wit warm, en je mag hopen
dat iemand uit een einder aan komt lopen,zoals je wilde dat nu bij je waren
die niet meer zijn – hun vlakke land hetzelfde,
alsook hun hemel die dat overwelfde.
Het gedicht lijkt, bij een eerste lezing, een natuurgedicht te zijn. Met heimwee denkt de ik-persoon terug aan zijn kinderjaren, vooral aan de winters met veel sneeuw. Hij zou nu wel willen dat hij dit alsnog kon beleven, samen met zijn, al overleden, familie en bekenden. En dan niet zozeer op het Groninger Hogeland, maar daar waar hij als kind woonde.
Het sonnet bestaat uit twee gedeeltes, eigenlijk twee zinnen. De eerste zin omvat de eerste twee strofen, de tweede zin omvat de derde en vierde strofe. “Vroeger is sneeuw” met een puntkomma erachter heeft zowel betrekking op het eerste gedeelte, de droom van het kind, als op het tweede, het terug verlangen van de volwassene naar zijn kinderjaren.
“Vroeger is sneeuw” in combinatie met de daarop volgende regels lijkt, taalkundig gezien, wat merkwaardig. Behoort er niet iets te staan als: “vroeger was er (veel) sneeuw”? Als het vanuit het kind geschreven is (in de herinnering weliswaar) dan kan het betekenen dat de volwassene met plezier terugdenkt aan de tijd dat hij als kind zo genoot van de sneeuw en daarom ernaar terug verlangt. Maar er is niet veel kinderlijks in de eerste strofen: geen sleetje rijden, geen sneeuwballen gooien, geen sneeuwgevecht met andere kinderen, alleen “besneeuwde velden daarachter als oneindig” en een “zwerver”. Het vervolg van “vroeger is sneeuw” is daarbij niet zo duidelijk: “die kleine tijd van jaren / toedekkend lijkt wit warm,”. “Warm” bij sneeuw doet denken aan smelten, dan is de sneeuw gauw verdwenen en dat is voor een kind jammer. Maar het suggereert eerder blijven, beschermen van wat onder die sneeuw ligt, zoals sneeuw de bloembollen onder de grond beschermt. Welke “kleine tijd van jaren” wordt er toegedekt? De tijd van de kinderjaren? Dat zou kunnen, daar denkt de “ik” met warme gevoelens aan terug. Maar waarvoor moest het kind beschermd worden? Of is “die kleine tijd van jaren” misschien de tijd dat hij, in de verbeelding, een zwerver was en toch door de sneeuw naar huis liep en daar “iemand” zag. Wie is die “iemand”? Het is hijzelf: “me voorstelde / hoe als een zwerver […] / ik naar dat huis keek:” Tegelijk lijkt het een ander te zijn, want toen de “ik” naar het huis keek, zag hij ‘achter lege ramen / het wit gezicht van iemand die er woonde / en woof […].” En opnieuw lijkt het hijzelf te zijn, want dat hij die “iemand” zag, betekende dat hij “zo, in mijzelf terug” was.
Vroeger is sneeuw, niet was, kan betekenen dat er bij het denken aan vroeger voor de volwassene alleen maar “sneeuw” van belang was. Er is geen enkele verwijzing naar het genieten van de zon, nee het terugdenken aan sneeuw bepaalt zijn geluksgevoel en zijn verlangen. Net als in het eerste gedeelte, is er een wat vaag gebleven “iemand”. Het is niet een overleden familielid of bekende. Hij komt van heel ver “uit een einder”. En net zoals de “iemand” in het huis woonde, verlangt de volwassene nu weer samen te zijn met die iemand en met zijn overleden familie en bekenden op hetzelfde “vlakke land” onder “hun hemel die dat overwelfde”.
‘Sneeuwsonnet’ in context
‘Sneeuwsonnet’ is verschenen in de bundel Droomtijd (1999), kort nadat de dichter zijn Eckhart-vertaling afgerond had. Volgens Jellema kan een goed gedicht een lezer aanspreken zonder gegevens uit de context erbij te betrekken. Maar, zo meende hij, die gegevens kunnen wel verhelderend werken, zeker als je meerdere gedichten uit het oeuvre bespreekt. Hij achtte het belangrijk dat voor de analyse van zijn gedichten Eckharts mystiek bestudeerd zou worden. Daardoor zou een gedicht een heel andere betekenis kunnen krijgen, of zelfs iets toevoegen. (In het interview met John Exalto en Gert van de Wege, ‘Het gebeurt in taal. In gesprek met C.O. Jellema’, Liter 20, 2001, 2-15).
In Droomtijd staat ‘Sneeuwsonnet’ in een cyclus van zes sonnetten. In al die sonnetten is er een verlangen naar het voorgeslacht.
In ‘Tijdopname’ zag de ik-persoon “Op ’t gras vannacht” zijn ouders zitten in “voorjaarslicht” in “witte / tuinstoelen naast elkaar,”. Hij “dronk het beeld in, beeld van moeder, vader”. Nu is hun tuin een “wandelpark, het huis kantoor” en door “de voetstap van vreemden” is “door jaren heen van ons elk spoor” gewist. “En toch vannacht dat grasveld, zij daardoor / nog op hun vaste plek, nog geen ontheemden,”.
In ‘Gelijkenis’ luistert de ik-persoon naar “verhalen / die mijn moeder vertelt”. Ze “droomde” te “verdwalen”. Het is “buiten guur”; “het vlakke kale / landschap verandert in oernatuur”, waarbij “ik alleen tussen lianen” ben, die “als slangen om mijn benen” slingeren, “terwijl een aap mij op de hielen zit.” Aan het eind van het sonnet is “plotseling alles weer verdwenen,”, “ik hijg nog” maar “het hele veld is wit.”
Het derde sonnet is ‘Sneeuwsonnet’; daarna volgt ‘Jachtstuk’. Jagers komen “lachend, goedmoedig” en “luidruchtig” “de stille kamer” binnen waar “wij, kinderlijk boek op schoot” “opeens verlangen / naar een ontsnapping”. “Maar”, zo eindigt het sonnet, “achter hoge vensters trekt mist dicht / over ons vlakke land, die grijze klei.”
In ’Heraldiek’ is er heel nadrukkelijk een band met het voorgeslacht: “lichamen waaruit mijn lichaam kwam” en “heel het denken dat mij sinds omgaf / als wereldbeeld”. Hun “wapens dekken nu het dubbel graf / met leeuw en wildeman, adelaar en lam”. Dat “wapenschild”, met beelden voor de evangelieschrijvers Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes, “beschermt de zekerheden van mijn stam:” Die zekerheden, na de dubbele punt, zijn: “die van het woord dat was in den beginne, / en was bij god en in de duisternis”. Het waren de zekerheden van “lijden dat zij louterende wisten / om in geloof de dood te overwinnen:” Na de dubbele punt volgt: “lam, adelaar, wildeman, leeuw – het is / hun heraldiek in vier evangelisten.”
In het laatste sonnet van de reeks, in ‘Oudjaarsdag’, “zijn er gedachtenissen aan wat was”. En “Zo bleef dit uitzicht: op diezelfde gronden / waarin nu liggen die elkaar eens vonden, / de erven waar het kind de groten zag.”
Intertekstualiteit van Eckhart
Meerdere beelden uit de zes sonnetten zijn beelden die in Eckharts geschriften voorkomen, zoals: stilte; droom/slaap; wit/rein; grond/velden/oernatuur; horizon; omhoog kijken; kind-zijn en uitzicht. Al die beelden hebben in de sonnetten betrekking op het terugdenken aan en terugverlangen naar de wereld van vroeger. Maar, dat blijkt vooral in ‘Sneeuwsonnet’, dat is niet slechts een nostalgisch terugdenken aan, het is een verlangen naar eenheid. Verlangen naar eenheid herkende Jellema bij Eckhart, die hij als een “geestverwant” zag. Het lezen van diens werk bracht hem, zo zegt hij in het hierboven genoemde interview, in een sfeer van “sereniteit, het heeft iets uitzuiverends, de leeservaring zelf al.”
Hoewel er in ‘Sneeuwsonnet’ geen directe verwijzingen naar Eckhart zijn, is het verlangen naar eenheid met dingen en mensen, ook uit het verleden, een terugkerend thema in de (door Jellema vertaalde) traktaten en preken. In het traktaat Levenslessen bijvoorbeeld is het zelfs een verlangen naar het ware, het eigenlijke bezitten: “niet in de vorm van ‘ik zou meer willen’, dat zou op de toekomst betrekking hebben, maar van ‘ik wil dat het nu zo is’.” En “Wil ik iets hebben dat meer dan duizend mijl van mij verwijderd is, dan bezit ik dat eigenlijker dan wat ik in mijn schoot heb en niet wil bezitten.”
Het wegvallen van tijd en afstand is bij Eckhart niet alleen een eenheid met mensen en dingen, maar eveneens een eenheid met God. In meerdere preken omschrijft hij die eenheid als volheid van tijd; de eeuwigheid; één tegenwoordig Nu; volheid der godheid; volheid en zaligheid van de gehele godheid. Die godheid is voor een mens niet te kennen. Over hoe er dan toch eenheid kan zijn, schrijft Eckhart in de preek Misericordia domini plena est terra (Psalm 33,5). Hij onderscheidt drie vormen van kennis. De eerste vorm is kennis via de zintuigen van dingen en mensen die om ons heen aanwezig zijn. De tweede vorm is geestelijker: die kan men hebben zonder aanwezigheid, bijvoorbeeld kan ik een vriend kennen “die duizend mijl ver weg woont en die ik vroeger heb gezien.” Om hem te kennen moet ik me hem, aldus Eckhart, voorstellen, dat is: denken aan zijn kleren, aan zijn gestalte en aan plaats en tijd van vroeger, kortom net als de eerste vorm aan materie gebonden. De derde vorm van kennen is “een zuiver geestelijk kennen”, het is daar “waar de ziel onttrokken wordt aan alle aanwezige en stoffelijke dingen.” Alleen in dat zuivere kennen “onderkent de ziel God volkomen, zoals Hij één is in Zijn natuur en drievuldig in de personen.” De “Heilige Drievuldigheid” kan alleen gekend worden waar God, en hierbij citeert hij de evangelist Johannes, “het woord is in den beginne, en het woord is bij God, en God is het woord.” De mens nu, die God wil kennen, moet zich, aldus Eckhart, met zijn verlangen en vertrouwen plaatsen in de eeuwigheid en zich richten op dat woord.
In ‘Sneeuwsonnet’ is er een verlangen naar eenheid, naar eenheid met de mensen en dingen uit het verleden. Of er daarbij een zich richten is op het woord in den beginne is niet eenvoudig vast te stellen. Er is wel een hopen op iemand uit een einder die aan komt lopen door de sneeuw. De sneeuw is toedekkend. In ‘Heraldiek’ komt het begrip toedekken eveneens voor: de wapens “dekken het dubbelgraf” en dat wapenschild “sluit hun schaamte af”. Dat toedekken betekent bescherming, want het wapenschild op het graf beschermt letterlijk wat onder de grond ligt – “de lichamen waaruit mijn lichaam kwam”. Figuurlijk “beschermt” het “de zekerheden van mijn stam”. Die zekerheden zijn de zekerheden “van het woord dat was in den beginne.” Het is daarbij een zich terugplaatsen in de eeuwigheid: “in geloof de dood te overwinnen”. Of in ‘Sneeuwsonnet’ “iemand uit een einder” het beeld is voor “het woord dat was in den beginne” zal door het bestuderen van de context en Eckharts mystiek duidelijker worden. In Droomtijd is er bijvoorbeeld intwee gedichten, direct na de sonnettencyclus, opnieuw een niet-concreet “iemand”: in ‘Gedachtenis’, met daarin een citaat van Eckhart, wordt gedroomd over “iemand”, over het “beeld”, dat “eeuwig” is en in ‘Fata morgana’ is er een “grondwoord” en “iemand” die “ons tezaam verlost / van een gescheidenheid.” Alle gedichten uit de bundel zijn te verbinden met het eerste gedicht, dat een citaat van Eckhart als motto heeft en een verlangen verwoordt naar vroeger en naar “iets eeuwigs (een woord maar)”. Dit gedicht, met de veelzeggende titel ‘Het onbegonnene’, eindigt met de ontroerende regels:
[…] zo
waar als ik jou zie, jij mij, als een wonder met
open ogen de terugkeer aanvaarden naar
eenvoud, in oorsprong het onbegonnene.
Laat een reactie achter