Lesbiennes in de zeventiende eeuw?
Katharina Lescailje, de ‘vrouwelijke Vondel’ en haar netwerk
Wie in de tweede helft van de zeventiende eeuw iets wilde betekenen in het literaire leven van de Republiek, kon niet om Katharina Lescailje heen. Zij was niet alleen dichter, maar ook erfgenaam van een invloedrijke Amsterdamse uitgeversfamilie. Haar vader gaf vanaf de jaren zestig vooral toneelteksten uit, nadat hij het drukrecht van werk van de Amsterdamse Schouwburg had verkregen. In zijn winkel op de Middeldam verzamelden zich toneelauteurs, acteurs en regenten van de Schouwburg. Hij publiceerde werk van Catharina Verwers en Catharina Questiers, was bevriend met Jan Vos, kwam geregeld over de vloer bij Joost van den Vondel. Vrijwel wekelijks leverde hij affiches en boeken aan de Schouwburg.

Lescailje groeide dus letterlijk op tussen manuscripten en toneelspelers. Geen wonder dat zij zich ontwikkelde tot een spilfiguur in het culturele verkeer rond de Keizersgracht. Tijdgenoten noemden haar de “vrouwelijke Vondel”, de “vernuftige Katharine” en de “IJ-nimf”. Een geleerde schreef dat hij speciaal naar Amsterdam was gekomen om te zien hoe de Nederlandse dichtkunst hier werd aangevoerd door de “moedige amazone” Lescailje.
Om haar heen ontstond een circuit van vrouwelijke dichters dat via dichtbrieven, drempeldichten en bundels deelnam aan het publieke literaire leven. In dat netwerk speelden Cornelia van der Veer, Titia Brongersma en Elisabeth Hoofman ieder op een andere manier een belangrijke rol.
Cornelia van der Veer (1639-1704): jaloezie op rijm
Cornelia van der Veer drukte haar stempel op het Amsterdamse literaire leven van de jaren zestig. In 1665 publiceerde zij samen met Catharina Questiers de Lauwer-stryt: een afzonderlijk uitgegeven dichtwisseling waarin de vrouwen elkaar uitdagen én loven. Ze zetten een wedstrijd in scène, claimen de lauwerkrans en laten het publiek meelezen, alsof ze elkaar de loef afsteken midden op het toneel. Dat dit de eerste door twee vrouwen gezamenlijk uitgegeven bundel was, maakt hun inzet alleen maar indrukwekkender: hier claimen twee vrouwelijke auteurs openlijk hun plek in de literatuur.

In deze speelse competitie duikt een opvallend motief op: de kousenband. In een gedicht bezingen ze een verloren exemplaar. Een knipoog naar de prestigieuze Orde van de Kousenband in Engeland? Ja, zeker. Maar de kousenband is behalve ereteken ook een intiem kledingstuk, een object dat in vroegmoderne liefdespoëzie vaak verlangen oproept (zoals ook een kam of waaier dat kon doen). Maar hier richt een vrouw zich tot een vrouw. Dat verschuift de betekenis. Het ironische motto luidt niet voor niets: “Die erg denkt, vaart erg in ’t hart.” Ofwel: Wie kwaad vermoedt, verraadt vooral zichzelf. Het gedicht pareert mogelijke beschuldigingen nog vóór ze worden geuit. Zo wapenen deze dichters zich tegen een lezer die te gretig wil interpreteren (of dat interpreteren wij nu zo vanuit onze eenentwintigste-eeuwse blik).
In juli 1674 intensiveert Van der Veer haar band met Lescailje via een reeks gedichten. Wanneer Van der Veer naar Den Briel vertrekt, uit Lescailje haar berouw daarover in een afscheidsgedicht. Bij Van der Veers terugkeer volgt een uitbundig welkom. In een verjaardagsgedicht — hertaald en voorgedragen door Ellen Deckwitz in Historische Klassiekers-podcast 5 over Katharina Lescailje — behangt Lescailje haar vriendin met veren. Van der Veer moet zich een plumeau hebben gevoeld. Het gedicht zit stampvol overdrijving, tegenstellingen en ironie, maar de strategie is serieus: Lescailje tilt Van der Veer hier op in het literaire veld, geeft haar glans en zichtbaarheid. Poëzie als publieke steunbetuiging: kijk haar, kijk hoe geweldig zij is! Geen old boys network, maar een girls network dus.

Hoe intens zulke relaties konden zijn, blijkt uit Van der Veers beroemde “Klaghte” (1675) aan Lescailje. Op oudejaarsavond ziet zij Lescailje het huis van Sara de Canjoncle verlaten. Ze volgt haar. Het gedicht dat ze daarover schrijft, barst uit z’n voegen van jaloezie en gekwetstheid. Lescailje antwoordt met retorische beheersing: ze zet alle conventionele metaforen van vriendschapsvuur en hernieuwde zonneschijn in om de band te herstellen. Hun poëzie lijkt zo wel een sessie bij de huwelijkstherapeut.
Maar Van der Veer bleef ongehuwd. In haar bruiloftsgedichten waarschuwt ze dat in het huwelijk de vrijheid schipbreuk kan lijden, een motief dat aansluit bij Lescailjes uitspraak “ik min mijn vrijheid” (maar dat ook gebruikt werd door Anna Bijns in de zestiende eeuw, zie Historisch Klassiekers-podcast 1). Zulke regels tonen hoe vrouwen ook in de vroegmoderne tijd dachten over autonomie, afhankelijkheid en zelfbeschikking, thema’s waarvoor op 8 maart mensen nog steeds de straat op gaan.
Is deze vrouwenvriendschap nou “lesbisch” te noemen? Het is een verleidelijke vraag, maar ook een anachronistische: de term bestond nog niet. Wat we wél zien, is dat vrouwen onderling woorden en beelden uit de liefdestaal gebruiken — zelfs termen die horen bij jaloezie of het willen “bezitten” van de ander — zonder dat dit toen ongepast werd gevonden. Sterker, vrouwen kunnen zich er zelfs mee op de literaire kaart zetten en er dus eer mee inleggen.

Titia Brongersma (1648- na 1688): verlangen in druk
Toen in 1686 De bron-swaan of Mengeldigten verscheen van de Friese dichter Titia Brongersma, was het alweer even geleden dat een vrouw een zelfstandige bundel had uitgegeven in het Nederlands taalgebied (Bijvoorbeeld Maria Margaretha van Akerlaecken met Den lof der vrouwen. Tegen der Vrouwen Lasteraers in 1662). Alleen al het feit dat Brongersma dit initiatief zelf nam — en ook zelf het voorwoord verzorgde — doorbrak een patroon waarin publicatie doorgaans via mannelijke bemiddeling verliep. Zij nam de regie.
Brongersma werd rond 1650 in Dokkum geboren in welvarende burgerkringen. Ze ontwikkelde zich breed: ze schilderde, tekende, musiceerde, borduurde en schreef. De bron-swaan biedt een staalkaart van haar kunnen. Het maakt de reikwijdte en experimenteerdrift van vrouwelijke auteurs in de vroegmoderne tijd goed zichtbaar: gelegenheidsgedichten, verjaardagsverzen, lijkklachten, bruiloftsliederen, pastorale poëzie, liedjes, vertalingen uit het Frans, lofdichten op vrouwen en mannen en vier gedichten in het Fries. De voorganger van Albertina Soepboer dus.

De grootste afdeling in de bundel bestaat uit lofdichten op vrouwelijk talent; vrouwen in haar nabije omgeving, uit Friesland en Groningen, die ze prijst om hun talrijke huiselijke vaardigheden, zoals “het kanten naaien van doek” en “het boetseren in was” en beroemde historische vrouwen. Je zou dat deel van De bron-swaan een soort vrouwenlof kunnen noemen, zoals we die kennen van Johanna Hobius (zie de Historische Klassiekers-podcast 4), alleen zonder expliciete verdediging. Brongersma sluit zich aan bij de Franse traditie die op de querelle des femmes volgde, die van la femme forte: de dappere vrouw. Een enkele vrouw moedigt ze ook aan in de ontwikkeling van haar dichttalent. Tegelijk presenteert Brongersma zichzelf bescheiden als ze zich tot mannen richt en excuseert zich dat ze in “dorre en schorre klanken” zingt. Die bescheidenheid is maar spel. Het contrast tussen enerzijds bescheiden zelfpresentatie en anderzijds het uitbundig prijzen van anderen maakt duidelijk dat ze precies wist hoe ze zichzelf zichtbaar moest maken in de literatuur.
Opvallend is haar relatie met andere vrouwen, onder wie Elisabeth Joly (met de prachtige bijnaam “Elisene”). In pastorale en romantische verzen bezingt Brongersma haar in termen van verlangen en gemis. Ze dicht naar Ovidius dat het is alsof:
ik waarlijk U omhelsde,
En mont en lippen knelsde,
Doch ’t is maar enkel droom.
Net als Lescailje op Van der Veer een afscheidsgedicht had geschreven, deed Brongersma dat op Joly. De taal sluit naadloos aan bij de petrarkistische traditie, maar laat ook weer zien hoe intensieve vriendschappen tussen vrouwen in poëzie konden belanden. Misschien was het doel juist om via de taal het verlangen te temperen en daardoor een hogere deugd te bereiken, zodat hun vriendschap een symbool werd voor eeuwige waarden. Brongersma vroeg in een sonnet aan Katharina Lescailje of zij enkele van haar gedichten wilde sturen. Wat daarvan gekomen is, weten we niet.
Brongersma moet een nieuwsgierig persoon zijn geweest. In 1685 woelt zij in de aarde onder de steenhopen van een hunebed in Borger, dat nu naar haar is vernoemd. De ronde potten met oortjes – urnen – die ze er vond, vielen uit elkaar, de as van de doden verspreidend. Ze schreef er een gedicht over waarin ze zich afvroeg of het reuzengraven of toch menselijke begraafplaatsen waren. De gebeurtenis werd door een kennis beschreven in Schatkamer der Nederlandsche Oudheden (1711), waarmee Brongersma als een van de eerste vrouwen in Nederland verbonden raakte aan de archeologie.
Elisabeth Hoofman (1664-1736): poëzie als onderhandeling
Het leven van Hoofman zou zo verfilmd kunnen worden, zo dramatisch verliep het. Ze was een van de geleerdste vrouwen uit haar tijd. Ze komt uit Haarlem en was de oudste dochter in een welvarend mennonietengezin. Ze ontving een humanistische opvoeding: dankzij privéles in Latijn en Grieks vertaalde ze op zestienjarige leeftijd al de Oden van Horatius. Al vroeg schreef ze zelf gedichten, onder andere in het Latijn, de taal van de intellectuelen. Ze voerde een levendige en langdurige correspondentie met toonaangevende geleerden in de Republiek en daarbuiten. Zo’n beetje als Anna Maria van Schurman had gedaan.
Hoewel Hoofman in 1693 op bijna dertigjarige leeftijd trouwde met een vermogend koopman uit haar eigen milieu, bleef poëzie belangrijk voor haar. Daarom hield ze nauwkeurig in de gaten wat ervan gepubliceerd en voorgedragen werd. Dat ze zich tot vooraanstaande kringen kon rekenen, blijkt ook doordat de familie in 1717 de tsarin Catharina en haar man Peter de Grote in Haarlem mocht ontvangen. Hoofman schreef voor dat bezoek een gedicht waarin ze de tsaar prijst. Niet alleen om zijn oorlogsdaden, maar ook om zijn streven naar bestuurlijke en culturele vernieuwing in Rusland.
Door financiële tegenslagen verdampte uiteindelijk het familievermogen, wat hen in de problemen bracht. Gelukkig trad haar man in dienst van Karel I, landgraaf van Hessen-Kassel. Na de dood van de landgraaf (1730) en kort daarna van haar man, hield zij alleen geen inkomsten meer over. Ze overleed enkele jaren later, inmiddels inwonend bij haar gehuwde dochter, die was getrouwd met de hofdrukker.
Hoofman schreef gelegenheidsgedichten voor familie en vrienden, maar vooral voor vorstelijke personen zoals de landgraaf en zijn gezin (een van zijn zonen werd koning van Zweden). Ze gebruikte die poëzie als een soort zakenvrouw: het moest de sociale banden lijmen om financiële gunsten te verkrijgen. Een gedicht als cadeautje waarvoor je iets terugkreeg: het was een vorm van strategisch netwerken. Vleien en paaien om aandacht te krijgen. Iets wat mensen als Erasmus eeuwen eerder ook hadden moeten doen. De landgraaf was er gevoelig voor, maar zijn zonen niet. Ook al probeert Hoofman de ongeïnteresseerde opvolger van de landgraaf gunstig te stemmen door zichzelf “zwak van geslacht” te noemen, het mag niet baten. Nina Geerdink onderzocht dat de keuze om zich in gedichten aan vorsten en beschermheren te richten in een bredere praktijk van vroeg-achttiende-eeuwse literaire netwerken past.

Hoofmans poëzie bevatte ook persoonlijkere en reflectieve verzen, zelfs stichtelijke, waaronder gedichten in handschriften en in de postume bundel De Naagelaatene gedichten uit 1774. Daarin gaat het over het verlies van dierbaren, melancholische reflecties op leven en dood, maar ook pastorale lofdichten op buitenplaatsen. Een goed voorbeeld van haar bewogen poëzie is het gedicht “Klagten, over de zwaare krankheid van mijn echtgenoot”, waarin zij haar intense verdriet uitdrukt over de ziekte van haar man.
Er staat ook dit gedicht in: “Aan Mejuffrouw Katharyne Lescailje, by het te rug zenden van haren Tyter”, waarin zij Lescailje bedankt voor een toegezonden gedicht en hoopt nog andere te mogen ontvangen. Hier weliswaar niets van grootse verlangens, laat staan fysieke termen, maar het gedicht bewijst wel dat ook haar poëzie functioneerde binnen een literair sociaal verband onder vrouwen, waarin relaties via gedichten werden onderhouden.
Lesbiennes?
Pas vanaf de negentiende eeuw wordt de term “lesbisch” zoals wij het nu gebruiken gangbaar. In de vroegmoderne tijd konden er best intense zinnelijke banden en erotische verlangens tussen vrouwen bestaan en zelfs seksuele handelingen plaatsvinden, maar die werden niet begrepen als een uitdrukking van een seksuele oriëntatie zoals wij die sinds de negentiende en twintigste eeuw kennen.
Vrouwen als Van der Veer, Brongersma en Lescailje bezingen hun genegenheid voor vrouwen in hun poëzie met een grote intensiteit. Jaloezie, verlangen, exclusiviteit; het staat er allemaal. Dat maakt deze gedichten dus nog niet automatisch tot een bewijs van seksuele relaties. Maar het laat wel zien dat vrouwelijke vriendschap in een taal van wellust kon worden omschreven zonder onmiddellijk schandalig te zijn. In het spanningsveld tussen reputatie, retoriek en verlangen kregen vrouwen in de Republiek de ruimte om elkaar niet alleen als collega’s, maar ook als geliefde vriendinnen te bezingen.
Dit stuk verscheen eerder in Historiek
Laat een reactie achter