Over het Boekenweekgeschenk 2026

De Nederlandse burgerman (m/v/x) die dat wil kan van couveuse tot crematorium begeleid worden met fijne leesboeken, en dat alles op een brave burgermannenmanier. Na Nijntje lees je Jip-en-Janneke, net een beetje stout maar niet zo erg dat je er later niet een nette belastingbetaler in een rijtjeshuis van wordt die bijtijds het vuilnis buitenzet; dan lees je op diezelfde route Philip Huff om je middelbare-schooltijd mee door te komen; daarna ben je stilaan toe aan het Vinexproza van Ronald Giphart, waar je ongeveer mee doorkunt tot de leeftijd van jongens-waren-we-en-wat-zullen-we-nou-eens-als-midlevenscrisis-mannen – voorts vervolg je dan de weg richting Ventoux of, ten behoeve van heuse diepgang, neem je afslag Arthur Japin of Susan Smit, om ten slotte te eindigen in de troostrijke armen van Hendrik Groen.
Een heel leven lezen en toch niks aan de hand.
Van alle hiervoor genoemde auteurs las ik één of meer boeken, behalve van Hendrik Groen en dat tekort viel goed te maken met het Boekenweekgeschenk van dit jaar. Nu vernam ik van collega’s, bevriende boekhandelaren en professionele critici louter negatiefs over Piaggio en dat in een unisono koor van kritiek dat ik me uit het recente (en trouwens ook niet minder recente) verleden niet kan heugen.
Stortbak
Temidden van die eenstemmige storm is er slechts één opmerkelijke uitzondering: de Wierd Dukstadkrant. Die weten er bij monde van Bernice Breure toch nog een populistisch muntje uit te slaan. Onder de titel ‘Niets mis met keuze voor Hendrik Groen’ overziet zij het kritische bloedbad en concludeert ze: ‘Enkele andere auteurs en columnisten stellen dat literatuur het onderspit delft en mokken dat een “multimiljonair” deze kans krijgt. Wat een onzin-argument. Leeft een auteur als Ilja Leonard Pfeijffer, die het geschenk in 2022 schreef, dan van de bedelstaf?’
In de gauwigheid tel ik, niet ongebruikelijk natuurlijk bij De Telegraaf, twee of drie drogreden in paar zinnen. Belangrijkste punt is dat die financiële kwestie helemaal niet het belangrijkste punt ís. Verre van. Het echte probleem is dat Piaggio een ongehoord stuntelige, rommelig gecomponeerde stortbak vol clichés is.
Boycotten
Laat ik zelf ook kort bij een paar voorbeelden stilstaan. Aan het begin van het boek is hoofdpersoon Anton ‘onverwacht werkloos’ geworden. Dat wil zeggen: hij gaat maandagochtend naar zijn schoenenwinkel en stelt vast dat het slot van het rolluik niet meer past. Bedrijf failliet. Moeten wij nu echt geloven dat iemand – die nota bene ‘filiaalmanager’ is – zonder enige vooraankondiging voor een dichte deur staat bij het bedrijf waar hij al twintig jaar werkt? Zijn vrouw was twee jaar eerder ook al zomaar ‘van de ene op de andere dag vandoor gegaan met iemand van haar werk’. Maar dat gaf niet want ze waren toch al een ‘meubelstuk’ voor elkaar geworden: een ‘leunstoel die er altijd stond maar waar je nooit in ging zitten’. Van de fijnzinnige metaforiek moet Piaggio het ook al niet hebben.
Het zal vast liggen aan het feit dat de 61-jarige hoofdpersoon een leeftijdgenoot van me is, maar ik ken dus nogal wat mensen van zijn leeftijd (mijzelf incluis) en ik geloof niet dat ik tussen hen ooit één zo’n geestelijk halfbakken (on)blij ei aantrof als deze Anton. Oké, onze generatie heeft te lijden gehad onder het regime-Lubbers, zure regen, de bom, no future, Frank Boeijen, kaalslag in het onderwijs noemmaarop, maar niemand is er toch zo gekwetst uitgekomen als deze onwaarschijnlijk onzekere halfwit, die al bloednerveus wordt van het maken van het treinritje Almere-Amsterdam-Zuid. Marieke, zijn tegenspeelster, is dan nog een graadje of wat dommer. Ze wordt neergezet als een stereotiep, licht-obees type dat weinig anders doet dan clouloos babbelen en kirren. Wanneer ze met een auto een proefrit gaan maken: ‘“Zo spannend!” kraaide ze.’ Of wanneer Anton door de autoruit bergen aanwijst:
‘De Alpen.’
‘Tjéé, moeten we daaroverheen?’
Badinerend
Overigens had ik, als ik die Marieke was geweest, vanaf mijn eerste gesproken zin geweigerd om verder op te treden in deze roman. Een schrijver die je dit soort dingen laat zeggen, moet je als personage rigoureus boycotten:
“Ik moet mezelf een schop onder mijn twijfelkontje geven”, mompelde ze
O ja, nog zoiets: dat Groen dus niks beters weet te verzinnen dan zijn twee personages hardop in zichzelf te laten mompelen als ze alleen zijn.
Het verhaal ontrolt zich dus plat en voorspelbaar met deze twee hoofdrolspelers die qua karakter de diepgang van een rubberboot hebben. Ze zijn niet grappig, niet geestig, niet aandoenlijk, niet intelligent – of was dat misschien de bedoeling? Nou er is niet één aanwijzing dat Groen beoogde een ironische tekst te schrijven of een empathisch portret van twee kinderlijke volwassenen die hun weg in de grote wereld moeten vinden. Als je het wat kritisch bekijkt, is is het zelfs, met al zijn clichés, nogal een badinerend (en dan ook nogeens slecht getroffen) portret van mensen die het maatschappelijk niet zo getroffen hebben.
Chagerijnig
Samenvattend moet je vaststellen dat Piaggo helemaal niks is, en dat maakt het opgelaaide debat rondom het boek zo wezenloos, want het frame lijkt nu te worden dat het literair snobisme of gewoon elitair is om kritiek te leveren op dit prul van formaat.
Scheidend CPNB-baas Eveline Aendekerk publiceerde gisteren in NRC, onder de titel ‘Het hardnekkige misverstand over de Boekenweek’, een boos en ontevreden artikel. Zij is de genius achter het Boekenweekgeschenk en is duidelijk niet blij met alle kritiek die Hendrik Groens’ Boekenweekgeschenk ten deel valt.
Of…eh, is dat wel zo?
Het is interessant om Aendekerks chagrijnige reactie wat zorgvuldiger te bekijken. Dan moet je namelijk vaststellen dat ook zij het helemáál niet opneemt voor de geplaagde geschenkauteur Groen. Haar centrale punt is: ‘Waarom verschijnt er toch met regelmaat weer zo’n knorrig commentaar dat voorbijgaat aan de rijkdom die de Boekenweek biedt? Want naast het Boekenweekgeschenk en het Boekenweekessay is er zoveel meer.’
Daar ga je, Groen!
Het echte probleem
Geen woord over de (vermeende) kwaliteit van Piaggio. Sterker nog, die boeit Aendekerk totaal niet: ‘De CPNB is geen literaire jury en ook geen culturele smaakpolitie. Wij werken voor uitgevers, boekhandels en bibliotheken. Onze opdracht is helder: het boek onder de aandacht brengen van een groot publiek en de boekverkoop een impuls geven.’
Alvorens zij, in de rest van haar tekst, uitbarst in jubelende zelffelicitaties over hoen commercieel succes haar Boekenweek wel niet is is, schrijft ze nog even dit: ‘Toch richt de kritiek zich regelmatig (…) op één element van die campagne: het Boekenweekgeschenk. En dat deugt eigenlijk nooit. Dat staat critici uiteraard vrij.’
Pijnlijk hoe Aendekerk het mes in Groens rug nog wat dieper ronddraait: ze schrijft nog geen bijzin waarin ze iets positiefs meldt over Piaggio. Maar los daarvan klopt haar bewering eenvoudigweg niet. De afgelopen jaren verschenen er wel degelijk volop Boekenweekgeschenken die de toets der kritiek perfect doorstonden: Ilja Leonard Pfeijffer, Lize Spit, Esther Gerritsen, Hannah Bervoets, bijvoorbeeld, schreven prima tot uitstekende boeken. En onder de niet-bekroonde inzendingen voor die curieuze wedstrijd van vorig jaar zitten ook minstens twee prachtboeken: Engelland van A.H.J. Dautzenberg en Het geschenk van Gaea Schoeters.
Het echte probleem is: Hendrik Groen.
Verkapte arrogantie
Laat ik hier even duidelijk zijn. Ik heb helemaal niks tegen goedgeschreven boeken die ook nogeens een groot publiek bereiken. Zelf heb ik onlangs nog publiek betoogd dat er geen reden is om blasé te doen over ultieme bestseller De Camino van Anya Niewierra (en daarvoor zijn meer dan 450 fysieke en digitale deelnemers aan de PAO-cursus in Nijmegen mijn getuige). Wat mij stoort is de desinteresse en liefdeloosheid die spreekt uit het grootscheeps op de markt plempen van dit (soort) Boekenweekgeschenk, en in het verlengde ervan de arrogante minachting voor het grote lezerspubliek die eruit spreekt.
Dan heb ik het over de op het oog zo tolerant en breeddenkend ogende uitlatingen die je ook ziet bij iemand als Ilja Gort: ‘Ik schrijf niet voor intellectuelen’. Wat kennelijk een vrijbrief is om – letterlijk en figuurlijk – onwaarschijnlijke troep van een kaftje te voorzien en in de aanbieding te doen. De ‘gewone lezer’ hoef je niet serieus te nemen, die merkt dat immers toch niet. Groen zingt, naar aanleiding van Piaggio, hetzelfde, op het oog pretentieloze, liedje. Piaggio is ‘gewoon een heel lief, leuk, klein verhaaltje dat mensen even tussendoor lezen en waarvan ze denken: o, wat leuk zeg! Meer niet’. Opnieuw die verkapte arrogantie.
Onverteerbaar
Hendrik Groens welwillende goedmoedigheid tijdens de door de CPNB geregisseerde interviews verdwijnt dan ook acuut, als hij geconfronteerd wordt met kritiek als die van Joost Oomen. De dichter, met hart voor de literatuur, verzuchtte over Groens boekje: ‘Is het origineel? Nee. Is het kunst? Ook niet. En kunst, echte originele, nieuwe perspectieven biedende kunst, dat hebben we als land nou net zo ontzettend nodig.’
Groen vindt het helemaal niet leuk als er zo over op zijn heel lieve, leuke en kleine verhaaltje gereageerd wordt, zo blijkt als hij in een Volkskrant-interview reageert op Oomen. Hij gaat niet in op diens kwestie – kort gezegd: dat literatuur ergens over zou moeten gaan – maar beperkt het tot een klassieke riedel: ‘Een lichte ergernis kan ik niet onderdrukken. Hij zal zelf wel een heel vernieuwende schrijver zijn met een heel klein publiek. Het is helemaal niet aan hem om te bepalen wat de waarde van het Boekenweekgeschenk is. Als hij kunst met een grote K wil promoten, moet hij dat op een andere manier doen.’
Gewoon de traditionele frustratie van de goedverkopende maar miskende auteur. Je zou het, alles overziend, bijna sneu gaan vinden dat Hendrik Groen met zijn boekje toch wel heel erg in zijn eentje staat.
Wat het feit dat de gewone Nederlander zowel in (als personage) als buiten (als lezer) Piaggio danig tekort wordt gedaan, niet minder onverteerbaar maakt.
Laat een reactie achter