Wat klets je dan over de volmaakte vrouw?
Juliana Cornelia de Lannoy steekt haar tong uit

Ik was net afgestudeerd en gaf les over vrouwen in de literatuur aan de Joke Smit School – trigger warning: dit is echt een stenentijdperk-verhaal. Ik schreef een handboekje voor die lessen over de geschiedenis van vrouwelijke auteurs. Omdat ik eigenlijk voor eeuwig aan de universiteit had willen blijven – onderzoeken was in m’n bloed gekropen – ging ik daarom naar de universiteitsbibliotheek aan het Singel in Amsterdam om de historie zélf te bestuderen. En daar, in de muf geurende ruimte van de Afdeling Handschriften en Oude Drukken, deed ik netjes witte handschoenen aan om het boek te kunnen openen waarin zich het gedicht ‘Aan mijn geest’ van Juliana Cornelia baronesse de Lannoy bevond. Een naam die ik zomaar had gevonden in de archieven. Het moet een uitgave uit 1766 zijn geweest, een eerste druk. Tot grote schrik van de bibliothecaris, gilde ik het uit van verrukking. Wat ik hier las – het kon toch niet waar zijn – wat ik hier las was waanzinnig! Dit was van nu! Hoe was het mogelijk! Vrouwen zaten in de vroegmoderne tijd toch braaf te breien en te kantklossen bij de haard? Waarmee ik niet wil zeggen dat dit betekenisloos of makkelijk was, want breien en kantklossen vergen rekenkunst en vaardigheid: ik heb zelf nog nooit een breiwerk of kantwerkje van enige importantie voortgebracht en hoeveel mannen ken jij die een trui kunnen breien? Nou, dat bedoel ik. Maar amai, ik dacht toen nog niet aan vrouwen als geestige en slimme wezens in het verleden, laat staan dat zij met hun pen als zwaard een pleidooi voor de macht en kracht van vrouwen zouden voeren. Het kwam simpelweg niet in me op, zo was ik getraind in het bestuderen van enkel mannelijke teksten, zozeer was ik doordesemd van de mannelijke blik die me overal steeds opnieuw was bijgebracht.
Kruiwagen
Het was 1997, het jaar waarin Met en zonder lauwerkrans zou verschijnen. Een heel team had onder redactie van Riet Schenkeveld-van der Dussen vrouwelijke auteurs tot 1850 in kaart gebracht. Het werd mijn Bijbel, ook van deze serie (hier kun je er lekker in grasduinen op de DBNL). Uiteraard stond daar ook De Lannoy tussen. Het lemma was geschreven door Pim van Oostrum, een voor mij toen nog onbekende naam. Twee jaar later zou zij met een kloeke biografie komen: Juliana Cornelia de Lannoy 1738-1782 ambitieus vrijmoedig en gevat. Een paar jaar later las ik het en zag bevestigd waardoor ik het had uitgegild in de bibliotheek: wát een vrouw! Voor de serie las ik de studie opnieuw. Mijn exemplaar zit vol met aantekeningen, uitroepen, “geeltjes” omdat het zo’n prachtig portret is van de tijd waarin De Lannoy leefde en de manieren waarop zij invulling gaf aan haar vrijheidsdrang en de wil om iets te betekenen.
Van Oostrum schrijft bijvoorbeeld: “Haar faam voor haar treurspelen en lierzangen verwierf zij op eigen kracht en dankzij haar eigen verdiensten. Zij was een beroemd dichteres vóór Bilderdijk of Feith ook maar een gram bekendheid hadden verworven en beide mannen dongen om háár vriendschap.” Ziedaar maar weer dat mannen vrouwen ook nodig konden hebben als kruiwagen om hogerop te komen!
(Eerder kwamen we dat proces tegen bij Michel de Montaigne. Als een vertrouweling van hem, Maria de Gournay, zijn essays postuum niet had afgeschreven en naar de uitgever gebracht, waren wij verstoken gebleven van zijn alom beroemde Essais. Waarbij het dus de vraag is welk deel van dat werk aan De Gournay kan worden toegeschreven. Maar dat terzijde.)
Nu een toelichting op tien pagina’s uit het werk van De Lannoy, hertaald door Jannah Loontjens en te vinden op de site van Fixdit.
1. Aan myn geest (1766)
Je kunt zó een lijn trekken van Johanna Hobius (aflevering 4) en Anna Maria van Schurman (bonustrack 4.1) naar Juliana Cornelia de Lannoy, die in deze scherpe, ironische dialoog tussen de dichter enerzijds en de maatschappelijke normen anderzijds een pleidooi houdt voor de intellectuele ontwikkeling en kunstzinnige expressie van vrouwen. Met zelfspot bekritiseert ze in dit debuut de beperkingen die vrouwen in de 18e eeuw werden opgelegd. Ga toch weg, zegt ze, waarom dienen vrouwen zich bezig te houden met huishouden, mode en oppervlakkige bezigheden?
Aan myn geest is een vroeg-feministisch manifest, dat je – anachronistisch – zou kunnen vergelijken met The Vindication of the Rights of Women van Mary Wollstonecraft (1792): blijkbaar gistte er iets in de samenleving in die tijden. Net als Wollstonecraft valt De Lannoy op door haar onverschrokken toon. Ze eist haar plaats op en benadrukt haar rechten.
De Lannoy haakt met de dialoogvorm van haar gedicht slim aan bij literaire voorgangers, maar bekritiseert hen tegelijk. De vorm stelt haar in staat om de innerlijke strijd tussen plicht en verlangen te verbeelden. Haar “geest” – de stem van het gangbare en wat hoort – verwijt haar dat ze zich met filosofie, wetenschap en dichten bezighoudt, terwijl een vrouw zich “bevallig” zou moeten kleden en Clarissa. Or the History of a Young Lady van Samuel Richardson zou moeten lezen (waar toen in weldenkende kringen op werd neergekeken). De Lannoy weerlegt die norm met scherpe argumenten:
Is ’t mogelijk, met een ziel, zo edel, zo verheven,
Die schier iets God’lyks heest, zoo laag aan ’t stof te kleeven?
Ze wijst op de hypocrisie van de dubbele standaard en claimt ruimte voor vrouwen in de wereld van het denken. En ze sluit af met “de geest” die tegen “de norm” zegt:
Vaart wel dan, Wysbegeerte, en taalen, en Poëeten!
De huiszorg zal in ’t eind dit alles doen vergeeten.
Dan moet je het dus zelf maar weten. De ironie druipt er vanaf. Alsof De Lannoy zich neerlegt bij de conventies, haha! In werkelijkheid tekent ze hier protest aan en legt haar overdrijving de absurditeit van de maatschappelijke verwachtingen bloot. Wie worstelt met genderrollen, herkent vast de frustratie in haar woorden. Met humor en vastberadenheid toont De Lannoy dat vrijheid begint bij durven denken: educate yourself!
Op het gevaar af dat dit verhaal te lang wordt en je afhaakt, toch nog even dit. Hella S. Haasse deed iets soortgelijks als De Lannoy in haar snedige en intelligente roman Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven (1976): twee fictieve brievenschrijvers die elkaar de maat nemen, maar die eigenlijk de twee stemmen zijn, de weldenkende geest en de normen van de samenleving, die met elkaar strijden in het hoofd van de schrijver.
2. Aan den Heer Jossee, kundig arts te Noordeloos Die mij verweten had dat de vrouwen een noodzakelijk kwaad zijn (1775)
Al vanaf Anna Bijns, dus de eerste aflevering van de serie, zien we dat vrouwen uitblinken in ironie. Hier gebruikt De Lannoy dat stijlmiddel elegant als boemerang en ontmaskert daarmee Jossees seksisme. Ze keert zijn bewering dat vrouwen een “noodzakelijk kwaad” zijn om, in een lofzang op de vrouwelijkheid:
Wij zijn, met uw verlof, de wellust van het leven,
Natuurs verrukkelijkste werk, en ‘s werelds pronksieraad
Haar retorische vragen (“Zijn onze feitjes zelfs niet vol bekoorlijkheden?”) ondermijnen Jossees vooroordelen door het ridicule ervan te openbaren.
De tweede helft van het gedicht slaat harder terug. Artsen, die zich als autoriteiten opwerpen, zijn namelijk zelf tamelijk onvolmaakt. Hun rabarberkuur (een bitter purgeermiddel) is immers erger dan de ziekte. Zo prikt ze met dubbele ironie zowel zijn mannelijke superioriteitsdenken als de medische arrogantie door:
Uw dranken, uw dieet, gaan alle plaag te boven.
Je zou het compliment maar krijgen; dit is heel wat venijniger dan hoe Tesselschade Roemers in de derde aflevering over akelige doktersdrankjes dichtte.
Het slot van De Lannoys gedicht is geniaal: ze lijkt Jossee te vleien (“een arts als gij is een voortreffelijk goed”), maar ondermijnt tegelijk zijn gezag door te suggereren dat juist hij de vrouwelijke sekse beter “eerbiedig hulde doet” (in plaats van andersom). “Sliep uit!”
Kortom: een meesterlijke combinatie van charme, satire en feministische kritiek, die machtsstructuren ontmantelt met een glimlach. Ik steek er mijn hand voor in het vuur, De Lannoy zou zich nu bij de Dolle Mina’s aansluiten en anders wel gevraagd worden dat te doen.

3. De volmaakte man
In dit sonnet gaat De Lannoy vol op het orgel. Als je tot dusver nog niet om haar ‘wit’ kon lachen, dan nu wel. Het gedicht is een voortreffelijke omkering van de dubbele moraal. De Lannoy zegt eigenlijk: dit is wat jullie van mannen verwachten, maar zo’n man bestaat niet – en dan wél verwachten dat vrouwen perfect zijn?! Ja, duh.
Ze ontbloot in dit gedicht opnieuw de hypocrisie van de samenleving die vrouwen in een keurslijf van deugdzaamheid dwingt, terwijl mannen zelden aan dezelfde normen hoeven te voldoen. Een briljante en – helaas – tijdloze observatie.

4. Op de vriendschap
Vriendschap was een groot goed in de vroegmoderne tijd: de wereld was sociaal transactioneel (zo anders dan in onze tijden waarin het louter lijkt te draaien om financiële transacties) Zonder vrienden was een bestaan onmogelijk. Maar De Lannoy snapte net als wij dat het niet zo makkelijk is om vrienden te behouden. En misschien begreep ze zelfs ook al wel dat je langer leeft als je goede sociale contacten hebt, iets wat alle studies tegenwoordig uitwijzen. Je hebt meer gedeelde vreugde, gedeeld leed en daardoor meer veerkracht voor het leven.
Echte vriendschap is volgens De Lannoy een zeldzame, bijna goddelijke bron van geluk. Een vriend biedt troost, want staat je bij in moeilijke tijden. Geen rijkdom, roem of macht evenaart de helende kracht en diepe waarde van vriendschap.
5. Belegering van Haarlem. Vijfde bedrijf, elfde tooneel (1770)
Met tragedies oogstte De Lannoy de grootste lof. Samen met Lucretia Wilhelmina van Merken (aflevering 7) stond zij bovenop de Parnassus, de dichtersberg. Hoger kon literair niet. En hoe grappig toch, dat vrouwen zo vaak overgeslagen worden in de literatuurgeschiedenissen, terwijl aan het einde van de achttiende eeuw juist twee vrouwen bovenaan de literaire ladder stonden. Ik kan er niet over uit dat ik dit pas nu, door het maken van Historische Klassiekers, heb ontdekt.
De Belegering van Haarlem is om nog een andere reden heel interessant. In dit stuk staat Kenau Hasselaer centraal, die een aanvoerder was in de strijd tegen de Spanjaarden in 1572. Waarom greep De Lannoy 200 jaar terug voor haar stuk? Vaderlandsliefde (of Moederlandsliefde)!

Van Oostrum vertelt hoe De Lannoy in Belegering van Haarlem Kenau’s reputatie als heldin herstelt en versterkt. In eerdere toneelstukken over het beleg van Haarlem werd Kenau neergezet als een uitzondering; als een ‘mannelijke’ vrouw of als een karikatuur. De Lannoy maakt van Kenau iemand die juist haar vrouwelijkheid én moed combineert. Ze haalt haar kracht dus niet uit een man maar uit haar vrouw-zijn zelf. Ze is daarmee geen uitzondering meer, maar een voorbeeld van wat vrouwen kunnen betekenen voor het vaderland. Weg met de ‘onvrouwelijke’ amazone, en ziedaar: een moeder en burgervrouw die bewust kiest voor plicht boven persoonlijk geluk. De vaderlandslievende De Lannoy droeg zo haar steentje bij aan een emensipatiegolf aan het einde van de achttiende eeuw.
We kijken er nu wat op neer, maar toen werden deze rollen gezien als verrijkende en belangrijke opdrachten: de vrouw als hoeder van het vaderland, de schepper van leven en de opvoeder van de kinderen die het vaderland zouden besturen en bestieren. Juist als moeder kon de vrouw emensiperen. Vanaf toen was niet alleen het huishouden het terrein van de vrouw (wat het in de zeventiende eeuw geworden was), maar ook de opvoeding van kinderen.
Niet dat vrouwen alleen dit konden doen voor het vaderland, want er waren natuurlijk ook nog steeds vrouwen als visverkoper, kaasmaker, zoutkeetmeid, zoetelaar (marktvrouw bij het leger) en nog heel wat andere beroepen die specifiek door vrouwen werden uitgeoefend in de vroegmoderne tijd.
Je kunt zeggen: met die rol van moeder en huishoudster stoeien we vandaag de dag nog steeds. Maar dat ligt volgens mij niet aan de rollen zelf. We waarderen dat huishouden en die opvoeding niet; het is werk dat je erbij doet, waar je op neer kunt kijken. Maar als we met z’n allen ontzag en waardering zouden hebben voor huishoudelijk en opvoedkundig werk, en dat net zo honoreren als de arbeid van een politicus of een bankdirecteur, dan zijn we met z’n allen heel snel ge-emensipeerd. Wat dat betreft kunnen we nog wat van het verleden leren.
Hier vindt u de gedichten en het toneelfragment van Juliana Cornelia de Lannoy, hertaald door Jannah Loontjens.
Volgende week vrijdag, 27 maart, vindt u de podcast over Juliana Cornelia de Lannoy, met hertaler Jannah Loontjens en literatuurwetenschapper Marleen de Vries, in uw favoriete podcast-app.
Laat u ons vooral ook weten wat u ervan vond! Een duimpje maakt de podcast voor anderen zichtbaarder, zodat de vrouwen uit Historische Klassiekers steeds bekender raken en hopelijk nooit meer worden overgeslagen.
Voor wie echt nú meer wil weten over Juliana Cornelia de Lannoy als vroegmoderne Jane Austen of Amy Winehouse (met dat haar): luister naar de podcast van Imre Besanger en Lieke van Deinsen, Vondel was een vrouw, gemaakt door Roos Hamelink:
Laat een reactie achter