In een onbekende wereld

Ik kon mij maar moeilijk zetten tot het schrijven van deze tekst. Het boek was gelezen, de brainstorm gedaan, er was een mogelijke richting en voldoende brandstof voor mijn schrijfmotor. Toch haperde er iets. Deze tekst, die geen recensie hoefde te zijn (dat zou een niet zo goede worden), die ook geen voorspelling voor de Libriswinst hoefde te zijn (helaas, dat wordt hem niet) en verder alles wèl mocht zijn. Zelfs het aantal woorden was grenzeloos veel of weinig. Ik wist niet goed wat ik met al deze vrijheid, deze weg met honderden kruispunten en zijweggetjes aan moest. Mijn motor stond stil voor een doolhof.
En ik denk dat Wim de Gelder, toen hij het verhaal van zijn collega Alexandre Pedro samen met hem opschreef, ook voor dat doolhof heeft gestaan, misschien even heeft geaarzeld, en toen gewoon is gaan rijden.
Dat is moedig en verwarrend tegelijk. Mijn naam is Leu vertelt het verhaal van de jonge Alexandre Pedro (geboren als Leu) die opgroeit in Kipanda Bunga, Angola. Het is een jeugd waarin oorlog, afzien in het nauwelijks begaanbare schoolsysteem, ziektes en een liefhebbende en verstikkende familie samengaan. Een jeugd zo vol en zo anders (De weg naar dat ‘anders zijn’ sla ik straks in, hopelijk vind ik daar de uitgang) dan een jeugd in het Nederland van de jaren ‘70, dat het maar moeilijk in 238 bladzijden te vatten is.
Maar dat was natuurlijk wel het plan: een coming-of-age verhaal, zoals de achterflap vermeldt. Het boek begint daarin hoopvol:
Ik zie alles. Ik zie iedereen. Maar nu nog niet.
Alexandre Pero ziet, droomt, denkt terug vanuit het hedendaagse Groningen aan hoe de dag moet zijn geweest waarop zijn familie hem in 1988 heeft begraven. Het bericht van zijn dood heeft het dorp bereikt: omgekomen in de strijd van het leger tegen de rebellen. Na drie weken wachten zonder tegenbericht, besloot men dat het waar moest zijn.
Een visueel begin, een sterk begin omdat je je afvraagt ‘wat is er dan wel gebeurd?’ Helaas blijkt de weg naar dat antwoord snel dood te lopen.
Wel zien we Leu (op papier Alexandre Pedro) vanaf zijn zesde jaar opgroeien. Soms heel gedetailleerd:
Iedere avond ging ik met de jongens op krekeljacht. We namen olielampen mee en liepen op de geluiden af. Na afloop deden we de lampen uit en gingen in het gras omhoog liggen kijken. Sterren – jaren niet gezien, en vuurvliegjes – wondervluchten, als kleine blikseminslagen.
Soms geschiedkundig uitgezoomd:
Binnen een jaar veranderde ons leven drie keer: van gekoloniseerde mensen via de irmãos, broeders, van de FNLA naar de camaradas, kameraden van de MPLA. Er kwam een coördinator voor het district Buengas, elk dorp kreeg een plaatselijke coördinator, elke coördinator kreeg assistenten. De oude structuren van Bakongo met hun stamhoofden verdwenen.
Hierdoor krijg je als lezer snel door dat deze roman eigenlijk een (auto)biografie is, een opgetekend levensverhaal, waarbij de chronologie de enige houvast biedt. Een biografie vol schrijnende momenten, afgewisseld met vrolijke stukken die eerder aan een dagboek doen denken:
Ik ben ontzettend blij. Niet meer lopen, niet meer vechten om eten, niet langer op één been staan achter in de klas. Ik ga in een auto naar Uíge. Ik ga verblijven bij dubbele familie. Ik ga doorleren. Wow!
Het lastigste aan deze reis vind ik het gigantische gat dat zich midden op de weg bevindt. Een gat dat de schrijvers zelf hebben gegraven en de lezer op afstand houdt. Alexandre Pedro’s vlucht naar Nederland wordt namelijk helemaal buiten het verhaal gehouden. Er zijn de jonge jaren van Leu tot in zijn twintigste, deze omvatten vrijwel het hele boek, en de recente jaren waarin hij – het laatste hoofdstuk- als volwassenen terugkeert naar zijn geboortegrond om zijn broertje te begraven.
Het is een afstand van jaren, plaatsen en culturen. Het is een afstand die het ‘anders zijn’ midden op die weg plaatst. Het maakt de ‘onbekende wereld’ waarover de achterflap (Een indringend coming-of-age verhaal, dat de lezer meevoert in een onbekende wereld) rept, niet per se vreemd, maar wel moeilijk te betreden, moeilijk om ten volste te ervaren en emotioneel te raken.
Misschien heb ik hiermee de oorzaak van mijn haperende motor gevonden. Een reis door een doolhof spreekt immers tot de verbeelding, maar zonder spanning, ontreddering, machteloosheid, twijfel, hoop, hartstocht en verwondering is het slechts een wandeling met weinig uitzicht.
Mijn naam is Leu, Alexandre Pedro en Wim de Gelder. Alfabet
Deze roman is inmiddels van de Groslijst afgehaald.
Laat een reactie achter