Er is je niets beloofd: geen roem, geen macht, geen voorspoed
Schandelijk! Het is een woord dat Lucretia Wilhelmina van Merken niet snel uit haar pen zou laten vloeien, maar ik heb er geen ander woord voor. Dat deze koningin van de tragedie, die in de achttiende eeuw bovenop de Parnassus stond, terwijl mannen uit haar tijd omhoog probeerden te klauteren en haar aanbaden om haar kunsten, dat déze auteur nu nog zo weinig aandacht en erkenning krijgt, ja, dat vind ik schandelijk. De volgende aflevering van Historische Klassiekers gaat over haar.

Babs Gons hertaalde 2 gedichten van Lucretia Wilhelmina van Merken en een stuk uit de tragedie Het beleg van Leiden. U vindt de hertalingen op de site van Fixdit. Hieronder een toelichting.
1. ‘Johanna Gray aan Maria van Richmond, koninginne van Engeland’
Dit gedicht komt uit de bundel Het nut der tegenspoeden. Brieven en andere gedichten (1762), waarmee Van Merken grote eer inlegde (zie 2. hieronder waarom). De titel zegt het al: ellende kent ook een positieve kant, het is maar net hoe je het bekijkt. Om de kracht te benadrukken van vrouwen – die van oudsher al geacht worden veel leed te kunnen doorstaan, voert Van Merken in de bundel in zeven heldinnenbrieven historische vrouwen op die een grote beproeving doorstaan: als een geschiedkundige eregalerij. Dat lijkt wel op de vrouwenlof in de lijn van Christine de Pizan en Johanna Hobius (zie Historische Klassiekers podcast-aflevering 4). Van Merken laat de moederkoningin Maria de Medici bijvoorbeeld een brief schrijven aan haar zoon, koning van Frankrijk, die haar verstoten en verbannen heeft. En ze voert Lady Jane Grey ten tonele, de negendagen-koningin van Engeland.
De historische achtergrond is tamelijk dramatisch: na de dood van koning Edward VI van Engeland werd Jane in 1553 door protestantse machthebbers tot koningin uitgeroepen, maar haar regering duurde slechts negen dagen. Mary Tudor, de katholieke dochter van Henry VIII, greep de macht. Ze liet Jane opsluiten in de Tower en uiteindelijk in 1554 onthoofden.
Van Merken grijpt dat moment aan voor een monoloog in de traditie van de klassieke “heroïde”, waarin een historische vrouw haar laatste woorden richt tot een tegenstander, een vorm die teruggaat op de Heroides van Ovidius. Jane verschijnt daarbij als een toonbeeld van waardigheid, wat bijna ironisch en daardoor vilein wordt: zij ontkent dat ze ooit naar de kroon verlangde, aanvaardt haar dood met opmerkelijke kalmte en vermaant de koningin zelfs om met goedheid, niet met angst, over haar volk te regeren.
Toch bevat de titel van het gedicht waarschijnlijk een kleine historische vergissing. Van Merken richt de brief aan “Maria van Richmond”, maar de vorstin die Jane Grey liet terechtstellen was niet Mary FitzRoy, gravin van Richmond en Somerset, maar Maria Tudor zelf, koningin van Engeland. Mary FitzRoy (geboren Mary Howard) was de weduwe van Henry FitzRoy, de buitenechtelijke zoon van Henry VIII. Hij speelde geen rol in de troonstrijd van 1553. Waarschijnlijk berust de verwarring op een achttiende-eeuwse bron waarin de namen of titels door elkaar zijn geraakt, iets wat in historische compilaties uit die tijd vaker voorkomt (er was nog geen internet, laat staan een bibliotheek). Voor het gedicht van Van Merken maakt dat uiteindelijk weinig uit: het geeft geen precieze politieke reconstructie, maar een moreel voorbeeld. Lady Jane Grey als symbool van waardigheid tegenover het onrecht dat haar wordt aangedaan.
We zullen Lady Jane Grey later in deze serie nog tegenkomen bij Petronella Moens (Historische Klassiekers podcast-aflevering 11 ), die een tragedie over de negendagen-koningin schreef.

2. Het nut der tegenspoeden – Eerste zang
Het gedicht ‘Het nut der tegenspoeden’ bestaat uit drie ‘Zangen’ en totaal 880 versregels. Babs Gons hertaalde de eerste dichtzang. Het begint met de regel: “Ik zing, door leed geleerd, het Nut der Tegenspoeden.” Van Merken had haar zus tijdens een ziektebed bijgestaan, had haar ouders verloren en was ook zelf bijna aan koortsen bezweken. Dus ja, ze spreekt uit ervaring. Haar lezers spreekt ze direct aan als “drukgenooten”, “treurgenooten” en “rampgenooten”: een gemeenschap van mensen die lijden en daar betekenis in proberen te vinden. Want de grote vraag is natuurlijk: waaróm laat God ons lijden? Waarom overkomt ons dit?
Van Merken bouwt voort op het achttiende-eeuwse religieuze en filosofische idee dat het kwade ogenschijnlijk kan zijn en uiteindelijk een vorm van het verborgen goede kan blijken doordat je er iets van opsteekt. Zoals mijn dochter laatst tegen me zei: als je altijd maar alle cadeautjes voor je verjaardag krijgt die je wenst, valt er niets meer te wensen over. En wat betekenen die cadeaus dan nog? Dat gaat dan alleen nog maar over wensen. Van Merken dicht over de harde slagen van het leven; het zware lot van pijn, verdriet, ziekte, einde. Haar troost is dat dit de mens tegen wereldse verleidingen beschermt en dwingt tot innerlijke bezinning: dát is het nut ervan. Omdat ze daarbij vertrekt vanuit haar eigen ervaring en persoonlijke streven, en een soort levensles geeft met een morele reflectie, maakt haar werk diepe indruk op haar tijdgenoten.
En het gaat niet alleen over leed. Van Merken waarschuwt ook voor moreel verval en gezapigheid. Verlangen naar aanzien en gezag, de verleiding van schijnbaar succes, de bedwelming van macht: blijf op je hoede, dicht ze. Pas op! Je denkt dat je er recht op hebt, maar het is vergankelijk, tijdelijk, ongrijpbaar en uiteindelijk – at the end – betekenisloos. Het lijkt wel een vingerwijzing naar de door testosteron gedreven mannen die bommen laten regenen uit woede en wraak, bedwelmd door hun eigen macht.
Van Merken overgiet dat lijden en die kracht uiteraard wel met een goddelijk sausje. Dat is voor ons wellicht wat lastiger te verteren. Maar de nadruk op veerkracht, op het zoeken naar betekenis in moeilijke ervaringen en op het delen van verdriet samen met “lotgenoten” is wel degelijk herkenbaar. Zoals Babs Gons – zelf ook niet door het noodlot overgeslagen – in de podcast zegt: Het is je niet beloofd. Er is geen vanzelfsprekendheid aan het geluk dat je ten deel valt.
3. Het beleg der stad Leyden – Vierde bedryf, eerste tooneel
Lucretia Wilhelmina van Merken was de koningin van de tragedie. Niemand werd meer bezongen, geliefd en geloofd dan zij: mensen vertrappelden elkaar om een toneelstuk van haar bij te wonen (ziehier het prachtige filmpje van Imre Besanger en Lieke van Deinsen op haar 300ste geboortedag: echt even kijken!). Ze stond absoluut aan de top van de literaire piramide, doordat ze het moeilijkste genre, dat van de tragedie, zo opmerkelijk goed beheerste. Zelfs de zure Willem Bilderijk aanbad haar. Opmerkelijk, dat we in de schoolboeken niets teruglezen over het feit dat een vrouw de dienst uitmaakte in de literatuur aan het einde van de achttiende eeuw, toch?
In Het beleg der stad Leyden (1774) maakt Van Merken duidelijk dat oorlog niet wordt uitgevochten op het slagveld, maar in de levens van gewone mensen die wanhopig op zoek zijn naar nieuws en eten om te overleven. In deze scène van het vierde bedrijf, eerste toneel, spreekt Elizabeth van der Werf met haar vader, de burgemeester van Leiden. In dat gesprek staat niet de militaire strategie centraal, maar het lijden van de bevolking. Elizabeth beschrijft hoe mensen uit pure wanhoop zoeken naar ‘afgeknaagd gebeente of loof of koolstruik’ om te eten in de al dagen afgezette stad. Daarmee verschuift het perspectief van de heldhaftige strijd naar iets veel fundamentelers: het voortbestaan van een gemeenschap, van ménsen.
Wat is het nut van dit lijden? Het stuk is geschreven ter gelegenheid van het tweehonderdjarig jubileum van het Beleg van Leiden (1573–1574), een gebeurtenis uit de Tachtigjarige Oorlog die geldt als symbool van burgerlijke moed (nog jaarlijks wordt de bevrijding, het Leids Ontzet, op 3 oktober met haring en wittebrood gevierd). Van Merken bevraagt erin hoe een samenleving overeind blijft wanneer alles dreigt te verdwijnen. Het nut van het lijden is uiteindelijk wel duidelijk: dat is natuurlijk het voortbestaan van het vaderland.
Ook in hedendaagse oorlogen zijn het de burgers die de zwaarste gevolgen dragen, niet de militaire leiders. En steeds draait het uiteindelijk om de vraag hoe een stad, een gemeenschap, kan overleven. Voor Leiden kan makkelijk Gaza, Beiroet, Kobani of Kupiansk worden ingevuld. Of Khartoem, waarvoor Babs Gons in haar hertaling kiest.
Opvallend is dat Van Merken in dit verhaal vrouwen de centrale, en wijze rol geeft. Elizabeth verwoordt het lijden van de bevolking en maakt zichtbaar wat er op het spel staat. En Magdalena Moons speelt de sleutelrol in het drama. Volgens de overlevering wist zij de Spaanse bevelhebber Francisco de Valdez ervan te overtuigen de aanval op de stad uit te stellen, waardoor de Hollandse vloot die Leiden zou ontzetten tijd kreeg om de stad te bereiken. Moons grijpt met overtuigingskracht en moreel gezag in en daarmee laat het stuk ook nog eens zien dat de geschiedenis niet alleen wordt bepaald door generaals en soldaten – zoals we nog steeds in de schoolboekjes lezen – maar door individuen, zoals vrouwen, die op andere manieren van beslissende invloed zijn. Dank, Lucretia Wilhelmina van Merken, ons daar nog eens op te wijzen!
Hier vindt u de gedichten en het toneelfragment van Lucretia Wilhelmina van Merken, hertaald door Babs Gons.
Volgende week vrijdag, 13 maart, vindt u de podcast over Lucretia Wilhelmina van Merken, met hertaler Babs Gons en literatuurwetenschapper Imre Besanger, in uw favoriete podcast-app.
Laat u ons vooral ook weten wat u ervan vond! Een duimpje maakt de podcast voor anderen zichtbaarder, zodat de vrouwen uit Historische Klassiekers steeds bekender raken en hopelijk nooit meer worden overgeslagen.

Laat een reactie achter