
Op 27 maart verscheen een rapport van de Werkgroep Academische Taalvaardigheid van de vereniging van Nederlandse universiteiten (UNL) met de titel Bevordering van Nederlandse taalcompetentie van studenten aan Nederlandse universiteiten: Handreiking Werkgroep Academische Taalvaardigheid.
Aanleiding voor het rapport (ik was een van de auteurs) was de intentie die de Nederlandse universiteiten in 2024 uitspraken om de Nederlandse academische taalvaardigheid van zowel Nederlandstalige als anderstalige studenten te versterken. Ook ligt er sinds 2024 het voorstel voor de Wet Internationalisering in Balans. In dat wetsvoorstel, dat nog wacht op behandeling in het parlement, wordt de bevordering van de Nederlandse taalvaardigheid van studenten als één van de beoogde doelstellingen benoemd. Om invulling aan deze ambitie te geven, is de landelijke UNL-werkgroep Academische Taalvaardigheid ingesteld.
Vooruitzicht
In het bericht op de UNL-site waarin de publicatie van het rapport wordt aangekondigd, wordt aan een deel van de adviezen in het rapport gerefereerd. Zo onderschrijven de universiteiten onze aanbevelingen die gericht zijn op het continueren van laagdrempelig en toegankelijk onderwijs in Nederlands als tweede taal. Ook gaan de universiteiten op korte termijn bekijken of er een gezamenlijke landelijke onlinecursus (MOOC) Nederlands voor internationale studenten op beginnersniveau (A1) kan komen. Verder wordt onze aanbeveling genoemd om de academische schrijfcentra duurzaam te blijven ondersteunen. De komende periode gaan de universiteiten bespreken hoe ze de handreiking verder zullen gaan gebruiken bij het actualiseren van hun taalbeleid, aldus de informatie op de site. Later dit jaar volgt een bijeenkomst over taalbeleid waarin universiteiten hun kennis en ervaringen hierover delen.
Dat is een mooi vooruitzicht, zeker als daarbij ook andere overwegingen en adviezen uit het rapport aan de orde komen.
Kritisch
Zo vindt de werkgroep dat alle universitaire studenten aan het eind van hun opleiding niet alleen een adequate academische taalcompetentie moeten hebben bereikt in de voertaal van hun opleiding, maar ook een adequate competentie, op een nader te bepalen niveau, in minstens één andere taal. Als Engels de voertaal van de opleiding is, is dat het Nederlands; als Nederlands de voertaal van de opleiding is, zal dat meestal het Engels zijn.
Achterliggende overweging is dat de maatschappelijke en academische realiteit van de 21ste eeuw meertalig is; beheersing van slechts één taal, of dat nu Nederlands of Engels of een andere taal is, vormt een academische handicap. Studenten hebben er voordeel van als ze zowel Nederlands als Engels goed beheersen. Vermogens die via de ene taal geleerd zijn, zoals structureren, logisch redeneren en publieksgericht formuleren) zijn overdraagbaar op de andere taal.
Ook adviseert de werkgroep om opleidingen te laten investeren in een doorlopende leerlijn academische taalcompetentie, en daarbij:
- helder, consequent en consistent aan studenten te expliciteren wat de verwachtingen ten aanzien van academische taalcompetentie zijn, en op welke wijze ze daaraan kunnen voldoen;
- aandacht te besteden aan een consequente behandeling door het curriculum heen;
- leermiddelen te kiezen die in de hele opleiding worden gebruikt;
- docenten van vakinhoudelijke onderwijsonderdelen systematisch te laten verwijzen naar voorzieningen die het universitaire taleninstituut aanbiedt, bijvoorbeeld een schrijfcentrum.
Verder wordt aanbevolen om studenten te trainen in academische taalcompetentie zowel zonder gebruik van generatieve AI als met gebruik daarvan. Ook in tijden van generatieve AI is het nodig om aandacht te besteden aan de taalcompetentie van studenten, en dan met name aan hun schrijfvaardigheid. Leren schrijven versterkt het vermogen om logisch, helder en kritisch na te denken. Dat is een onderwijsdoel dat in elke opleiding van eminent belang is, nu en ook in de toekomst, aldus de handreiking die onze werkgroep met dit rapport aan de universiteiten heeft voorgelegd.
Laat een reactie achter