
Vorig jaar schreef ik op Neerlandistiek een stuk over de verkoop van het Engelstalige boekenprogramma van Amsterdam University Press aan Taylor & Francis. Ik maakte me zorgen over die transactie, maar vooral over wat ik erachter vermoedde. AUP was in 2019 stilletjes geprivatiseerd, een onderneming geworden die wel de naam mocht blijven voeren die aan de UvA verwant is. Nu werden de Engelstalige boeken doorverkocht aan een commercieel conglomeraat met een winstmarge van 36 procent. Dertig reeksredacteuren namen collectief ontslag. Ik schreef erover, en haalde het stuk de volgende dag weer weg, want de directeur van AUP had me opgebeld. en bezwoer me dat het juist allemaal was om het Nederlandstalige fonds te behouden. Ik maakte, zei hij, met mijn schrijven te veel mensen ongerust. Ik dacht dat ik hem niet in de wielen moest rijden en deed iets wat ik zelden doe – het stukje verwijdere.
(Ik word vaker opgebeld door mensen die willen dat ik iets weghaal. Maar in totaal heb ik in de afgelopen vijftien jaar maar drie keer iets weggehaald, en altijd op verzoek van de auteur.)
Het nieuwe dubbelnummer van het prachtige, liefde voor het vak spetterende, tijdschrift Zacht Lawijd is het laatste dat onder de vlag van AUP verschijnt. De redactie zoekt een nieuwe uitgever en nieuwe financiën, schrijft ze in dat nieuwe nummer. AUP vindt dat er te weinig clicks zijn.
Dat is geen detail in een voetnoot. Het is een symptoom van iets wat al jaren aan de gang is en waar we in het vak veel te lang veel te weinig over hebben gezegd.
Infrastructuur
AUP geeft een indrukwekkende reeks Nederlandstalige tijdschriften uit: Nederlandse Letterkunde, Nederlandse Taalkunde, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, De Boekenwereld, Queeste, De Moderne Tijd, en tot voor kort dus Zacht Lawijd. Wie de neerlandistiek in het Nederlands wil beoefenen, komt vroeg of laat bij AUP terecht. Dat is infrastructuur, voor het vak minstens even vitaal als de spoorlijnen tussen Amsterdam, Leiden, Nijmegen, Utrecht en Groningen. (En net zo kwetsbaar wanneer het onderhoud aan de markt wordt overgelaten; maar dat is een ander verhaal).
Ik geloof nog altijd niet dat AUP noodzakelijkerwijs van kwade wil is. Het probleem is dat een geprivatiseerd bedrijf, ook als de eigenaar het beste voorheeft, uiteindelijk zakelijke beslissingen moet nemen. In 2022 nam AUP Zacht Lawijd, De Boekenwereld en Scheepshistorie in zijn fonds op, met de belofte dat de toekomst van deze tijdschriften nu verzekerd was. Vier jaar later stopt de samenwerking met Zacht Lawijd, . Beloftes van bedrijven zijn altijd voorwaardelijk aan de volgende strategische heroriëntatie. Zelfs als AUP zou willen dat deze tijdschriften blijven bestaan, kan het dat niet garanderen. Niemand kan dat, behalve de gemeenschap die ze nodig heeft.
Liefde
En dat die gemeenschap ze nodig heeft, kun je aan iedere bladzijde van dit laatste nummer van Zacht Lawijd af lezen. Het dubbelnummer gaat over vondsten — boeken, manuscripten en objecten die ergens op een veiling of in een archief opdoken en ons beeld van de literatuurgeschiedenis verschuiven. De nadruk ligt op de minder spectaculaire vondst, want als onderzoeker kun je natuurlijk om een niet-spectaculaire vondst al heel blij zijn.
Neem het artikel van Kris Steyaert, hoogleraar Nederlandse literatuur in Luik. Op een veiling kocht hij een album uit voormalig Nederlands-Indië met daarin handgeschreven poëzie van een tot dusver volkomen onbekende dichteres. Niemand had haar ooit opgemerkt. Steyaert groef verder, probeerde de herkomst te achterhalen en een naam bij de verzen te vinden. Dat is geen type onderzoek dat miljoenengrants aantrekt of krantenkoppen genereert. Het is het soort werk dat ontstaat uit nieuwsgierigheid en toewijding, en dat een plek nodig heeft om gepubliceerd te worden. Een plek als Zacht Lawijd.
Of neem het essay van Lieke von Berg over de drukgeschiedenis van Anna Blamans Eenzaam avontuur — een roman die in veertig drukken meer dan honderdvijftigduizend exemplaren bereikte, maar van wie steeds weer beweerd wordt dat de auteur ‘vergeten’ is. Von Berg stelt een voor de hand liggende vraag die desalniettemin nog niemand had gesteld: wat bedoelen we eigenlijk met vergeten? Meten we het aan verkrijgbaarheid in de boekhandel, aan academische aandacht, aan quizvragen in De slimste mens? Het is precies het soort genuanceerde analyse dat nergens anders meer een plek vindt: te lang voor de krant, te essayistisch voor een academisch tijdschrift. Dat tussengebied was het domein van Zacht Lawijd.
Erosie
We leven in een tijd waarin de infrastructuur van de geesteswetenschappen – de tijdschriften, de universitaire uitgeverijen, de bibliotheken, de vakgroepen — stuk voor stuk wordt afgebroken, niet door één daad van vandalisme maar door een langzame erosie van het vanzelfsprekende. Niemand besluit op een kwaaie ochtend: laten we de letterkundige geschiedschrijving om zeep helpen. Het gaat sluipend. Een privatisering hier, een verkoop daar. Een tijdschrift dat zijn uitgever verliest. Een redactie die doorgaat op eigen kracht, met de geestdrift van vrijwilligers en de middelen van niemand.
Dat is het patroon: de gemeenschap levert het werk, de instelling trekt zich terug, en een commerciële partij springt in het gat, tot het gat niet meer rendabel genoeg is. Bij de Engelstalige boeken ging het zo. Bij Zacht Lawijd gaat het nu zo. Bij de andere tijdschriften in het AUP-fonds — Nederlandse Letterkunde, Nederlandse Taalkunde, TNTL, al die onmisbare organen van ons vak — kan het morgen zo gaan.
Zacht Lawijd is vernoemd naar een gedicht van Richard Minne.
Ik floot een zacht lawijd
op een gespleten blaere:
Het was een schoone tijd,
mijn hart kan niet bedaren.
Het was inderdaad een schoone tijd. De redactie zoekt een nieuwe uitgever. Laten we hopen dat ze die vinden. Maar ondertussen mag ons hart niet bedaren.
Laat een reactie achter