
Een van de twintigste-eeuwse vertalers van nagenoeg mythische proporties was J.A. Sandfort (1893-1959). Mathijs Sanders en Janine Mooij zijn nuchterder maar noemen hem toch een van de meest toonaangevende. Sandfort heeft vertalingen van meesterwerken op zijn naam die op hun beurt de status van meesterwerk kregen. Op de eerste plaats zijn dat Gargantua en Pantagruel van Rabelais (1932) en Reis naar het einde van de nacht van Céline (1934). Maar Sandfort vertaalde niet alleen uit het Frans en wederom staan er toptitels op zijn naam: De Decamerone uit het Italiaans (1948) en Lady Chatterley’s minnaar uit het Engels (1950). Sandfort koos de boeken die hij vertaalde in hoge mate zelf. Volgens Sanders en Mooij legde hij daarbij een voorkeur aan de dag voor romans en verhalen ‘waarin een individu streeft naar bevrijding uit de knellende banden van kerk en moraal en waarin lichamelijkheid en intuïtieve intelligentie boven de ratio worden geplaatst’. Befaamd is zijn briefwisseling met Céline waarin hij de Franse auteur een aantal vertaalproblemen voorlegde. Een makkelijk leven had hij niet, hij was een eenzaam mens, een door periodieke depressies gekwelde kluizenaar. Vast staat dat hij de eigen literatuur wilde verrijken met spraakmakende teksten in natuurlijk Nederlands, waaronder de straattaal en scheldwoorden die hij nodig had om Céline recht te doen.
Meer weten over J.A. Sandfort? Lees het portret op het Vertalerslexicon.
Laat een reactie achter