Door Marc van Oostendorp
Een paar weken geleden raakte Christiaan Weijts in een opinie-artikel in NRC Handelsblad een interessante kwestie aan: waarom lezen leerlingen op de middelbare school geen Tolstoj of Murakami? Die schrijvers hebben in de verkeerde talen geschreven, daarom, en vertalingen worden op de middelbare school niet gelezen. Weijts stelt daarom een uitbreiding van het vak CKV voor met wereldliteratuur.
In hun reactie op Neerlandistiek van gisteren gaan de leden van het zogeheten ‘meesterschapsteam’ helaas vooral in op de organisatorische kant van de zaak: ze geven argumenten waarom je literatuur niet weghalen bij Nederlands. Maar ze gaan daarbij helaas voorbij aan wat ik als de kern van Weijts’ voorstel zie: verruim de grenzen van wat kinderen mogen lezen.
Dwingende reden
Je kunt per slot van rekening Tolstoj en Murakami óók in het Nederlands lezen. De vraag is dan waarom je dat niet zou doen? Wat zijn de argumenten om te eisen dat alle boeken rechtstreeks in het Nederlands geschreven zijn?
Een goede literaire vertaling kan net zo rijk, leerzaam en fraai van taal zijn als een origineel. Op allerlei manieren hebben vertalingen (om te beginnen die van de bijbel) bijgedragen aan de vorming van de Nederlandse taal en het Nederlandse cultuurgoed. Vertalers horen tot de beste taalgebruikers die er zijn. Hun werk is net zo goed onderdeel van de Nederlandse cultuur.
Het is waar dat pakweg Max Havelaar en Ik heb altijd gelijk ooit duidelijk de Nederlandse geschiedenis een duwtje hebben gegeven, en dat je van Nederlandse burgers zou kunnen verlangen dat ze inzicht hebben in hoe de Nederlandse cultuur zich heeft ontwikkeld. Maar ik kan geen dwingende reden bedenken waarom dit per se alle kennis moet wegdrukken van hoe andere culturen (behalve de klassieke, de Engelse, de Franse en de Duitse) zich hebben ontwikkeld. Waarom zou het geen zin hebben om iets te weten over de Russische cultuur, de Japanse, of de Arabische?
Literair journalist
Sterker nog, een belangrijke functie van literatuuronderwijs lijkt mij: dat je leerlingen leert door andere ogen naar de wereld te kijken. En dat lukt misschien wel beter met de boeken van Amos Oz dan met die van Connie Palmen.
Ik kan me eigenlijk niet voorstellen wat erop tegen is. Er zijn natuurlijk praktische problemen (mag je voor Nederlands Houellebecq lezen als je dat ook al voor Frans doet?) maar dat lijkt me allemaal wel op te lossen (je mag een boek niet in twee talen lezen; of juist wel, maar dan moet je de twee versies deskundig kunnen vergelijken).
Natuurlijk zullen leraren Nederlands een iets bredere blik moeten hebben, maar die hoeft niet breder te zijn dan die van de Nederlandse literair journalist die de nieuwe vertaling van Murakami voor de krant bespreekt.
Dus wat is er tegen?
Dag Marc,
Een (pragmatisch) tegenargument is dat je als docent nu eenmaal niet de hele wereldliteratuur kunt bijhouden. Om als docent boven de stof te staan, kader je het curriculum in. Ik werk nu met een lijst met zo’n zeshonderd titels waaruit leerlingen in de bovenbouw kunnen kiezen. Die heb ik niet allemaal gelezen, maar door mijn kennis van de Nederlandse literatuur heb ik genoeg context (stromingen, historische achtergrond, etc.) om alle boeken te kunnen plaatsen en er op het mondelinge examen zinnige vragen over te stellen.
Nu is dit corpus op een vrij logische manier afgebakend, namelijk door de oorspronkelijke taal waarin de boeken geschreven zijn. Als je van die grens afwil, zullen docenten andere criteria gaan bedenken om het corpus te beperken. Je wil als docent een zekere grip hebben en ook duidelijkheid bieden wat wel en wat niet geschikt is. Maar welke andere grens ga je dan hanteren? De smaak of de belezenheid van de docent? De boeken top-100? De schimmige grens tussen lectuur en literatuur (eerder een groot grijs gebied dan een grens)?
Kortom, wat schieten we er eigenlijk mee op? Belangrijk daarbij is te kijken wat je leerlingen eigenlijk wil laten doen met hun leeservaringen. Want waarom laat je ze die boeken eigenlijk lezen? Toch niet alleen omdat het moet?
Groet,
Maurice
Je kunt inderdaad niet de hele wereldliteratuur bijhouden. Toch heb ik de beperking van de oorspronkelijke taal altijd vervelend gevonden. De meeste boeken waaruit ik waardevolle inzichten heb gehaald, waren vertalingen (of dat aan mijn vroegere docent Nederlands ligt, laat ik in het midden). Uitbreiding van het corpus zou denk ik waardevolle leeservaringen kunnen opleveren voor leerlingen.
Natuurlijk kun je niet de hele wereldliteratuur bijhouden; maar je kunt ook niet de hele Nederlandstalige literatuur bijhouden. Dat is natuurlijk de reden waarom je tot die 600 komt. Ik snap daarbij niet zo goed hoe die lijst níét arbitrair kan zijn, want er zijn natuurlijk veel en veel meer dan zeshonderd goede Nederlandstalige boeken. Ik snap daarom niet zo goed waarom het anders wordt als je andere culturen erbij betrekt.
Ik kan me overigens voorstellen dat je, als je niet met zulke lange lijsten werkt, ook op andere manieren kunt examineren, zoals door leerlingen presentaties te laten geven of werkstukken te laten maken over die literatuur. Het doel is bij dat alles, denk ik, tweeledig: om de keuze nog breder te maken voor de leerling en daarmee de mogelijkheid om plezier te krijgen in lezen te vergroten. En om de blik nog meer te verbreden, in ieder geval voor leerlingen die dat aankunnen.
Even terug naar de praktijk, dan, of althans, mijn praktijk:
Dat leerlingen gebaat zijn bij, of behoefte hebben aan bredere keus, valt te bezien. In de acht jaar dat ik nu in de bovenbouw lesgeef, ben ik maar een handjevol leerlingen tegengekomen met een voor mij verrassende leeslijst.*) Het gros van mijn leerlingen gaat af op adviezen van medeleerlingen of op mijn adviezen. Leerlingen die komen vragen of ze anderstalige boeken mogen lezen, zijn veelal grote liefhebbers van fantasy (waarvan het Nederlandstalige aanbod zeer beperkt is), of filmliefhebbers die het boek van de film willen lezen, of eigenlijk liever alleen de film kijken.
Wellicht is mijn praktijk niet representatief, maar voor mij als docent is het wel een gegeven.
*) Natuurlijk breng ik graag onconventionele titels en schrijvers onder de aandacht van mijn leerlingen, maar met verrassend bedoel ik hier dat ze zonder mijn hulp met onverwachte titels komen.
Gaap. Hierover hield ik alweer 10 (!) jaar geleden een lezing en publiceerde in vakblad voor neerlandici De toekomst van de neerlandistiek in 2006 en in NRC Mondiale canon voor googelende pubers in 2007. zie http://www.eggels.com/publicaties .
Een beetje webgebruiker vindt al gauw de link die wel werkt: http://www.eggels.com/index.php?page=70 (Maar Hanneke mag best wel even aan de technik van haar website werken om ‘vind-de-echte-pagina’ spelletjes overbodig te maken.
@hanneke Jammer alleen dat de link niet werkt, dus nu zullen we nooit weten wat je 10 (?) jaar geleden over dit onderwerp vond.
Een (plaatje-PDF van) de bedoelde publicatie i.p.v. verwijzing naar alle publicaties (zie boven) is overigens hier te vinden: http://www.eggels.com/publicaties/MondialecanonNRC.pdf
Dank voor de link, Marjolein, maar dat NRC-stukje van Eggels heeft toch ook weer niet zó veel om het lijf dat het haar verveelde gaap rechtvaardigt, als ik heel eerlijk ben.
Op Marcs `Vertalers horen tot de beste taalgebruikers die er zijn’ reageer ik als vertalertje in goed Nederlands met `Hear! Hear!’
Daar is principieel gezien niets op tegen: ‘Een raam dat wat ons betreft hoognodig mag worden opengezet is dat van de afbakening. Nederlandse literaire teksten worden al te angstvallig afgezonderd van de fictie in beeldcultuur, anderstalige literatuur en populaire cultuur. Literatuuronderwijs richt zich primair op teksten, maar in een de multimediale samenleving kan dit niet meer zonder verbinding met beeldtaal en –verhalen’. Ik neem deze woorden over uit een stuk dat het Meesterschapsteam Nederlands – letterkunde momenteel onder de pen heeft en dat in de geest aansluit bij eerdere publicaties van ons over het literatuuronderwijs (bijvoorbeeld ‘#literatuuronderwijs2032’ op de HSN-conferentie 29 (2015); helaas nog niet digitaal beschjikbaar, wel op papier). Wel twee kanttekeningen daarbij: (1) of de problemen die docenten ervaren bij het motiveren van leerlingen voor het literatuuronderwijs verdwijnen als Tolstoj en Murakami ten tonele verschijnen, waag ik te betwijfelen; (2) er valt veel te zeggen voor ruime aandacht voor Nederlandse literatuur in het Nederlandse onderwijs (dat wil ik zo nodig bij gelegenheid nog wel eens doen).
De reden om in de reactie vooral in te gaan op enkele praktische bezwaren is om het schoolvak voor een herhaling van zetten te behoeden, wat met het geschetste zwalkende beleid geen denkbeeldig risico is.
Overigens noemen we wel een zwaarwegend inhoudelijk argument voor het behoud van het literatuuronderwijs bij Nederlands, aanhakend bij het Manifest Nederlands op School: meer samenhang, minder (eenzijdig) vaardigheden. Het moet bij ‘Nederlands draaien om bewuste geletterdheid, om taal- en denkvaardigheden die steunen op inzicht in taal, literatuur, cultuur en communicatie’ (overgenomen uit onze reactie op Weijts).
Ik heb destijds voor Engels “Waiting for Godot” en voor Frans “En attendant Godot” gelezen. Dat is goedgekeurd door de docenten van de beide talen omdat zij accoord gingen met mijn argumentatie dat de auteur het werk zelf had vertaald. Dus dat zou je kunnen aanvoeren als reden voor afwijzing of goedkeuring als een leerling een boek in de brontaal én in het Nederlands wil lezen.
Los hiervan, Houellebecq in het Frans lezen? Pittig hoor! Ik geef het je te doen, zelfs met VWO-Fransvaardigheid.
Toen ik op de middelbare school zat was dit inderdaad onderdeel van het vak CKV, alleen ontsprong ik de dans omdat ik al KCV had (klassieke culturele vorming).
Ik zou zoiets wel graag in combinatie met een introductie op de Europese canon zien. Meer algemeen: ik zou het uitstekend vinden als het vak Nederlands in de bovenbouw wordt opgesplitst in “literatuur” en “taalkunde” en dan dus niet meer alleen maar Nederlands is. De andere taalvakken kunnen zich dan concentreren op taalverwerving.
desgevraagd nogmaals de link naar http://www.eggels.com en doorklikken naar publicaties. Of even googelen, dan vind je de NRC-publicatie ook, Marc Dumont.
Het lijkt me dat een groot deel van deze discussie eigenlijk over de doelen van literatuuronderwijs bij Nederlands gaan. Als je doel uitsluitend, of voornamelijk leesplezier is lijkt het mij vooral van belang om een vrije keuze niet te beperken tot werken die de leerlingen niet aanspreken. Als het gaat om taalvaardigheid (leesvaardigheid) of literaire ontwikkeling in brede zin is het uitsluiten van vertaalde literatuur inderdaad minder relevant. Als het gaat om kennis van de Nederlandse literatuur(geschiedenis) kan ik me wel iets voorstellen bij de eis dat je dan ook werken uit de oorspronkelijk Nederlandstalige literatuur zou moeten lezen.
Ik kan me ook voorstellen dat je per schooltype of niveau andere accenten in die drie doelen legt (die denk ik alledrie in zekere mate relevant zijn).
Natuurlijk zouden leerlingen uitstekende literatuur in vertaling in de lessen Nederlands moeten kunnen lezen. We leven maar één keer en lezen dus beter de allerbeste literatuur. Ondertussen kunnen leerlingen het verschil leren zien tussen heel goede literatuur en niet zo goede literatuur. Dat leren ze helaas veel te weinig in de lessen Nederlands, terwijl dat voor mij een van de belangrijkste doelen van literatuuronderzoek zou moeten zijn.
Nederlandse literatuur is vaak seksistisch, rapey, pedoish en eenzijdig. Als je het ze jong dwingt te lezen heeft het invloed op hoe mannen vrouwen zien. Vrouwen krijgen hierdoor minder kansen op de werkvloer, want mannen kunnen zich in Nederland o.a. door de Nederlandse literatuur alleen inleven in mensen die op henzelf lijken. Vrouwen bekijken elkaar er ook objectiverend door en vinden dat zijzelf en andere vrouwen terecht tweederangsburgers zijn in Nederland.