Lees Interacties

Reacties

  1. 't Lijkt inderdaad wel met taalcontact te verklaren zijn. Kennelijk was in West-Europa verlies van uitgangen de mode, alle grote talen hier zijn analytischer geworden – maar tegelijk niet allemaal in dezelfde mate. In andere regio's is het anders gelopen. Het Grieks en het Roemeens hebben samen met andere Balkantalen juist weer nieuwe vormen en uitgangen ontwikkeld (het Roemeens heeft bv. een achtergevoegd lidwoord, ook een uitgang) die typisch voor dat deel van de wereld zijn. De Indo-Europese talen van de Kaukasusregio, het Armeens en het Ossetisch, hebben de Kaukasische agglutinerende grammatica deels overgenomen, met nieuwe achtervoegsels ("naamvallen"). Het hoeft dus zeker niet altijd eenvoudiger te worden.

  2. Ik vraag me overigens wel af, of dat wat voor óns complexer uitziet ook voor de taalgebruiker toen complexer was. Zouden gebruikers van toen niet juist het ontbreken ervan en de vervanging van bijvoorbeeld het uitgebreide naamvallensysteem door combinaties met voorzetsels als moeilijker ervaren?

  3. Ik betwijfel het. Ik ben een beetje Turks aan het leren. En hoewel ik dat door zijn structuur, die erg van de onze afwijkt, een lastige klus vind, ontmoedigt zo'n hoogst regelmatige taal me veel minder dan het Russisch, met zijn eindeloze onvoorspelbaarheden in beklemtoning, werkwoordsvervoeging, naamvalsvorming enz. Ik ervaar het Turks uiteindelijk als gemakkelijker dan Russisch. Morfologische wildgroei ervaar ik als lastiger dan onwennige regels.

  4. De veronderstelling dat oude talen gecompliceerder zijn, kan misschien kloppen als je alleen naar de morfologie kijkt, maar in andere opzichten (de uitspraak, het aantal fonemen) is bijvoorbeeld het Engels veel gecompliceerder dan het Latijn. Eenvoud op het ene gebied betekent meestal complexiteit op het andere.

  5. Alle Romaanse talen hebben nieuwe uitgangen ontwikkeld, sommige meer dan andere, maar in elk geval de toekomende tijd (uit infinitief + verbogen vorm van 'hebben'). Verder hebben verschillende talen nog andere nieuwe uitgangen ontwikkeld zoals de Portugese 'persoonlijke infinitief' en er valt iets voor te zeggen om het onderwerpsvorm van persoonlijke voornaamwoorden in het Frans ook als uitgangen of tenminste clitics te beschouwen, want voor zelfstandig gebruik worden daar de voorwerpsvormen gebruikt, de onderwerpsvormen komen alleen voor samen met het werkwoord (voor andere voornaamwoorden links van het werkwoord in het Frans geldt trouwens grosso modo hetzelfde, duidelijkst te zien aan 'en' en 'y').

    Voorbeeld: de 1e persoon enkelvoud toekomende tijd van 'zingen':
    cantare + habeo
    Frans: chanterai (ik heb = j'ai)
    Spaans: cantaré (ik heb = he)
    Italiaans: canterò (ik heb = ho)

    Voorbeeld 2:
    Je chante une chanson.
    Qui chante?
    Moi. (niet: "Je.")

  6. Dit is iets wat ik me als leek tijdens het leren van het Litouws ook vaak heb afgevraagd. Mijn kennis van Latijn bleek hierbij namelijk bijzonder waardevol (ivm de vrije woordvolgorde; de vele naamvallen etc.) en ik vroeg me af hoe dat nou allemaal kwam. Ik heb begrepen dat het Litouws ook lange tijd bijna uitsluitend in vrij afgezonderde boerengemeenschappen gebruikt werd. Er moet trouwens wel veel contact met andere talen geweest zijn, dat kan haast niet anders in zo'n centraal gelegen gebied.

    Trouwens, dit gezegd hebbende en gezien de verdere opmerkingen over het Russisch en het Turks is het de vraag in hoeverre het Engels en het Nederlands representatief zijn voor de 'moderne taal'.

Laat een reactie achter

%d bloggers liken dit: