Brieven van Frans Lodewijk Pannekoek aan Gerard Reve
Zonder de vriendschap van Gerard Reve met Frans Lodewijk Pannekoek in hun Friese jaren zou waarschijnlijk slechts een enkele kunstverzamelaar van de etser en schilder Pannekoek hebben gehoord. Wat de beeldend kunstenaar betreft was dat misschien ook het beste geweest. In tegenstelling tot Reve, was FLP wars van het onderhouden van een ‘winkel’ en het promoten van zijn werk voor middelmatige, stompzinnige leeghoofden. Dat wisten we al van Reve, maar nu horen we het van Pannekoek zelf in zijn brieven aan Reve in het pas verschenen onthullende brievenboek Ik wil voort werken en verder geen gelul, (Uitgeverij Fragment).
De lezers van het werk van Gerard (Kornelis van het) Reve kennen Frans Pannekoek als Bullie van der Knaak, wiens bijnaam is bedacht door Fritzi ten Harmsen van der Beek, omdat Frans ‘dik en teer’ was en nooit meer dan een knaak (ƒ 2,50) durfde lenen. Een eigenzinnig kunstenaar, die prachtige etsen maakte. En een mooie jongen. Het lot bracht de etser (in Pingjum) en de schrijver (in Greonterp) samen in Friesland. Als Nescianen zaten ze nachtenlang te bomen over het tobberige bestaan, de kunst en de anderen. Doorwaakte nachten met veel jenever en geoudehoer waar Gods zegen op rustte. Maar Frans Lodewijk was uit ander hout gesneden dan Gerard Reve: in hun seksuele geaardheid, in hun spel met het publiek (hun kopers), de media en in hun onrust. Reve is een huiselijke jongen in vergelijking met de immer reizende Pannekoek die, uiteindelijk vanuit een schamel onderkomen in Cadiz in Spanje, leeft als een zigeuner.
Overleven
Reve wierp zich vanaf het begin van hun vriendschap op als de promotor van het werk van Pannekoek, die figureert in Nader Tot U. Reve was de man achter het boek Veertien Etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor Arbeiders verklaard (1967), waarin etsen van Pannekoek zijn opgenomen. Reve stelt alles in het werk om via de media de aandacht te vestigen op tentoonstellingen en het aankopen van etsen van Pannekoek, die het op zijn beurt allemaal maar ‘gelul’ vindt en niet wil buigen voor commercie en snobistische leeghoofden. Hij maakt kunst als een Oude Meester, zoals Hercules Seghers dat deed. ‘Nu ja, je begrijpt dat ik zal gaan proberen te werken,’ schrijft hij op 12 oktober 1967 vanuit Taragona in Spanje, ‘hier op deze houten (ruw) tafel met mijn spulletjes etc. Het enige waar het om gaat in wezen; de rest is en blijft gelull.’
Het zijn de jaren van het Ezelproces, verhuizingen van Reve, de zwerfjaren van Pannekoek in zijn Rode Bus die hem naar Cadiz zullen voeren, samen met zijn vriendin Helmi Slaaf, ‘Pamphylia’ zoals Reve haar noemt. De vrienden schrijven elkaar en gaan soms bij elkaar op bezoek. Beiden zijn begiftigd met een groot talent, maar in tegenstelling tot Reve, die commercieel alles uit de kast haalt om zijn werk te verkopen, draait Pannekoek zijn rug naar de wereld toe. Frans koestert het primitieve bestaan. Hij is een natuurmens, een avonturier, een jager. Met de media (Mies en scène, van Mies Bouwman, een documentaire door Hans Keller) wil hij niks te maken hebben, al is het geld dat dankzij Reve en anderen (‘Verzamelaars’ als Peter Schatborn, galeriehoudster Debbie Wolf, Frans’ zusje Tita dat etsen voor hem verkoopt) bij hem binnenkomt meer dan welkom. Hij heeft geld nodig om in Spanje te kunnen blijven, om te overleven.
Raffia
Een honorarium en reiskostenvergoeding voor een documentaire van Hans Keller wijst hij af. ‘Bovendien ben jij veel meer gehard tegen al deze publiciteitsonzin,’ schrijft hij aan Reve (12 februari 1968). ‘Jij bent de manager, maar de artiest verdomt het dit keer toe te geven aan ev. ijdelheid etc. Veertien dagen verpesten, vermoeiend reizen etc. (…) De vreemde tovenaar, die ik zou willen wezen en misschien voor sommigen ook ben, wil ik liever blijven en bij m’n potjes en bakjes met zuren en vernissen zitten om nog voordat ik de weg van alles vlees ben gegaan, het wereldraadsel zoal niet op te lossen, dan wel in het zink neer te krassen.’ ‘Koning Zenuwlijder,’ noemt Reve hem.
Als de financiële nood te hoog wordt, doet Frans toch weer een beroep op Reve, want Pannekoek wil in Spanje blijven en zich niet vestigen in ‘kankertyfusland’ Nederland. Reve wordt gek van Pannekoeks destructieve ideeën. Hij maakt ‘de maatschappij’ veel te belangrijk: ‘Ik bedoel,’ schrijft Reve in een van de brieffragmenten in de annotaties van bezorger Nop Maas, ‘dat jij roem & erkenning wilt, maar niet naar die roem & erkenning wilt streven. Dat gaat niet! Jij hebt een winkel, net als ik. Er is geen keus: je moet in een stofjas achter de toonbank willen staan, of je moet je eigen ophangen.’ Reve veracht een dergelijk kunstenaarsleven: ‘Je hoort eigenlijk in een inrichting, waar ze goed voor je zorgen, & je kreatief materiaal geven, klei & raffia.’
Grimmiger
Interessant in de brieven van Pannekoek zijn aanvankelijk de Reviaanse toon en stijl en de onderlinge uitspraken van bekenden en citaten van schrijvers (Nescio). Al maakt Pannekoek er in zijn tobberig gekanker minder muziek bij dan Reve. Zijn brieven worden sterker, avontuurlijker, naarmate hij in de loop der jaren losser van de schrijver Reve komt te staan. Hij heeft inmiddels van Reve geleerd dat brieven geld waard zijn. Hij publiceert een brief aan Reve in Propria Cures en later een in Hollands Diep. Helmi is in 1973 bij Frans weggegaan en heeft voor Jan Cremer gekozen die in Londen woont. Marja van der Veen is Frans nieuwe liefde.
Naast etsen hanteert Pannekoek vaker het penseel. Hij schildert houten boten. Oermateriaal. Zijn werk wordt tentoongesteld in Parijs (Fondation Custodia), Amsterdam, Londen en New York. Dat levert soms een aardig bedrag op. Hij is ondanks zichzelf zakelijker geworden. Tien jaar na Veertien etsen verschijnt bij Erven Thomas Rap zijn fraai gebonden, met etsen geïllustreerde boek Prenten, Gedichten & Enige Aantekeningen (1977). Reve heeft hem dus toch iets geleerd.
De vrienden kennen elkaar goed. Beiden geven blijk van psychologisch inzicht in de ander. Zo schrijft Pannekoek op 10 april 1969 vanuit Cadiz: ‘De gedachten aan verderf en verramping zijn op hetzelfde niveau gebleven en ik geloof dat ik weinig materieel constructief ben, hetgeen voor jou verschrikking inhoudt. Jij bent materieel constructief, de geestelijke tobberij daarentegen is bij jou groter en intenser. Hoogstwaarschijnlijk komen geen van beide dingen ooit meer goed. Jij zit in je goed geconstrueerde vesting, terwijl ik reizen wil. Deze beide dingen zijn de grote verschillen, die altijd zo zullen blijven. Mijn hang naar de vesting en de jouwe naar die vrijheid die ik me probeer te permitteren. De vernieuwing en verfrissing, is bij mij afhankelijk van een omgeving, terwijl bij jou alles in je kop gebeuren moet. God is oneindig en weet alles.’
Het brievenboek Brieven aan Frans P. (1984), door Reve geschreven in de periode 1965-1969, vormt het keerpunt in hun leven: het einde van de vriendschap. De brieven over en weer worden grimmiger en eindigen ten slotte in vijandelijk zwijgen.
Frans Pannekoek ‘Ik wil voortwerken en verder geen gelul’. Brieven van Frans Lodewijk Pannekoek aan Gerard Reve. Bezorgd door Nop Maas. Uitgeverij Fragment, 2025. Bestelinformatie
Laat een reactie achter