
Eric Hoekstra bespreekt zinnetjes met negatie overgeleverd uit verschillende periodes van het Oudfries en het Oudengels. Vandaag deel 8: Oudengelse Beowulf ‘niet dat’
Niet dat je voor de rite rond mijn lijk veel hoeft te regelen
De meest voorkomende negatie in de Oudgermaanse talen van het eerste millennium AD is de enkelvoudige cliticnegatie. Die staat meteen voor de persoonsvorm, en heeft in het Oudengels en Oudfries de vorm ne. Het Gotisch kent een andere vorm van cliticnegatie, namelijk ni, een vorm die eveneens in het Oudfries voorkomt. De oudste Oudengelse tekst is het heldendicht Beowulf. Het aantal cliticnegaties bedraagt daar zo’n 60% van het totale aantal negatieve zinnen. Maar hoe zit het dan met de andere 40%?
Ik heb daar één van mijn assistenten opgezet en deze talentvolle jongeman wees me op de vreemde negatieve vorm no. Die is toch nog verantwoordelijk voor een kwart van alle negaties, en dan hebben we het over algemene/reguliere negaties, niet over woorden als niets en nooit. Een voorbeeld met no is hieronder gegeven:
(1)
nó | ðú | ymb | mínes | ne | þearft |
NEG | jij | over | mij.GEN | NEG | hoeft |
líces | feorme | leng | sorgian | ||
lijk.GEN | rite.DAT | lang | zorgen |
‘‘Niet dat jij voor de rite rond mijn lijk veel hoeft te regelen’ (Beowulf 450)
De zin bevat zowel de cliticnegatie ne als de geheimzinnige negatie no. Maar meestal is de cliticnegatie afwezig, zoals in het volgende voorbeeld:
(2)
nó | his lífgedál | sárlíc þúhte | secga aénegum |
NEG | zijn levenseinde | droef dacht | zeggen enigen.DAT |
‘Niet dat iemand rouw zou uitspreken over zijn levenseinde’ (Beowulf 841)
Mogelijk heeft de aanwezigheid van de cliticnegatie in (1) te maken met het hulpwerkwoord. Hoe dit ook zij, er valt iets op aan deze zinnen. Ik heb de relevante observatie al voorgekookt door de persoonsvorm vet af te drukken. Waar de cliticnegatie direct voor de persoonsvorm staat, staat de no-negatie (laten we zeggen, de nogatie) juist gescheiden van de persoonsvorm. Het lijkt een beetje op het verschil in positie tussen een hoofdzin met Verb-Second en een bijzin waarin de persoonsvorm achterin de VP staat. Er lijkt zelfs sprake van een vergelijkbaar semantisch verschil, want de nogatieve zinnen laten zich prima vertalen met ‘Niet dat …’.
Mijn luie assistent heeft 9 nogaties in de eerste 600 regels geturfd. In alle voorbeelden staat de persoonsvorm ver naar achteren. Hier nog zo’n voorbeeld:
(3)
Nó hé | þone gifstól | grétan | móste |
NEG hij | die geschenk.stoel | groeten | moest |
‘Niet dat hij die plaats van geschenken zou mogen begroeten’ (Beowulf 168)
Als ik dan snel digitaal door de Beowulf blader en zoek op ‘no’ met spaties ervoor en erna, dan staat in alle relevante zinnen de persoonsvorm achterin de zin. Daarentegen staat een persoonsvorm voorafgegaan door cliticnegatie regelmatig aan het begin van de zin. Nog eentje om het af te leren:
(4)
Nó hé þaére feohgyfte | for scótenum | scamigan ðorfte |
NEG hij die goudgift | voor schutters | schamen hoefde |
‘Niet dat hij zich bij de schutters voor de goudgift hoefde te schamen (Beowulf 1026)
Die nogaties komen volgens de taalkundige literatuur alleen voor poëzie.
Nu is er nog een derde type negatie. De vorm is ne, hetzelfde als cliticnegatie, maar het staat niet voor de persoonsvorm en betekent vaak ‘noch’. Een voorbeeld van deze derde negatie is hieronder gegeven.
(5)
Nó ic on niht | gefrægn | under heofones hwealf | |
NEG ik in nacht | vroeg | onder hemels gewelf | |
heardran feohtan | né | on égstréamum | earmran mannon |
hardere gevechten | NEG | bij oeverstromen | armere mannen |
‘Niet dat ik onder het hemelgewelf van harder vechten hoorde noch bij de waterstromen van ellendiger mannen’ (Beowulf 575)
Dit voorbeeld laat mooi zin dat dit type negatie ne (ne2) een vorm van onderschikking aan een eerdere negatie weergeeft. In dit voorbeeld is ne afhankelijk van de eerder gegeven zin met no. Dit type (is ne2gatie een goede term?) scoort zo’n 15% van de reguliere negaties, wat ruwweg karakteristiek is voor lijstnegatie ‘noch’. Dit type ne2 neemt dezelfde positie in als no, maar in de meeste gevallen volgt het op een eerdere negatieve zin. Het lijkt dus een soort van anaforische tegenhanger van no te zijn. Hiermee zijn de negatieve geheimen van Beowulf nog lang niet uitgeput (maar ik wel).
Als we deze minder frekwente vormen van negatie (met name nogatie) vergelijken met het Oudfries, vinden we weinig vergelijkbaars. Daarentegen komt cliticnegatie (de negatie die voor de persoonsvorm staat) evenveel in Beowulf voor als in de Oudfriese tekst Het Recht van de Skelta. Die laatste is eeuwenlang een stabiele vorm van negatie geweest in alle Westgermaanse talen.
Laat een reactie achter