Categorische ontkenning bij de NoC
In de laatste aflevering van zijn immer belangwekkende managersfeuilleton op dit platform, ‘De verleden tijd van lijken’, van 9 februari jl., , introduceert Marc van Oostendorp een personage Femke als volgt:
Er was geen vooraanstaand wetenschappelijk tijdschrift of Femke had erin gestaan met haar haarscherpe analyses. Er was geen congres, of ze had er de aandacht getrokken.
Vele van dit nieuwsbulletin zullen deze tweemaal toegepaste zinsconstructie herkennen als een standaardgeval van de negatief gebonden of-constructie (NoC). Het is daarbij ook gefundenes Fressen voor een erkend NoC-oloog, die een dergelijk buitenkansje niet mag laten liggen.
Het betreft hier een relatief veel voorkomend gebruiksgeval en een van de belangrijkste ondertypes van de NoC, een standaardgeval dat we als een apart basistype kunnen aanmerk lezers en. Zoals altijd en overal in het veld van de NoC staat ook hier het betekenisaspect maatgeving in de voorzin centraal. Toch wijkt de invulling van dit principe hier sterk af van de gebruiksgevallen in basistypen die we in deze reeks over de NoC tot nog toe hebben besproken.i
Vorige hier besproken gevallen hadden betrekking op noties van bijna samengaan van de sequensen p en q, respectievelijk gerealiseerd in de voor- en de nazin bij:
(a) incidentele, versneld opeenvolgende situaties: nauwelijks / nog niet p of q; het scheelde niet veel of q ; het duurde niet lang of q;
(b) in beginsel herhaalbare, onmiddellijke, ‘automatisch’ vervulde sequenties van voorwaarde en gevolg: je hoefde maar p of q; ik kon niet p of q;
(c) een ‘meebewegend’, onbereikbaar uitblijvend gevolg -q bij elke denkbare vervulling van een voldoende voorwaarde: het kan nooit zo p zijn of ook q is het geval.
Bij (a) en (b) is de maatgeving aflopend (dalend) op de lineaire opeenvolging van de gebeurtenissen toegespitst. Het betreft daar een temporeel-sequentiële scènewisseling. Een voorafgaande waarde p, de antecedens, wordt afgezet tegen een versneld intredende, dan wel nét gemiste totstandkoming van een nieuw gebeuren Q, de consequens, datgene waarnaar de eigenlijke aandacht moet uitgaan, en wat het zwaartepunt van de boodschap vormt. Van hieraf aan zal ik de consequens daarom coderen met een hoofdletter. De antecedens heeft hier duidelijk een inleidende, aankondigende, en dus ondergeschikte functie. We zouden dit opeenstoten provisorisch kunnen coderen als [ p! < Q ], uit te lezen als: ‘kleine, maar saillante waarde p gaat kort vooraf aan groter, nieuw gebeuren Q’. Wat we daar zien is een samentreffen – bijna tot botsens toe – van twee aparte Standen van Zaken. Er doet zich een lineair omslagpunt voor, een kantelpunt van p naar Q.
Afwijkend ligt dit bij het derde subtype (c), dat een duidelijk eigen signatuur bezit, die sterk afwijkt van (a) en (b). Bij (c) blijft de vervulling namelijk Q categorisch uit, waardoor hier sprake is van een ontbrekend en nooit samengaan van p en Q , en zo impliciet van een onbereikbaar omslagpunt van Q naar -Q. In beide eerste gevallen (a) en (b) drukte de antecedens een onverwacht geringe waarde p uit, dalend tot een minimum, alvorens volgsituatie Q intreedt. Bij (c) zien we in dubbel opzicht het tegenovergestelde: p is daar stijgend, maar het optimum, de effectuering -Q blijft uit. Geen voorafgaande waarde p kan hoog genoeg zijn, hoe hoog p ook stijgt, nooit wordt daarbij de limiet, het kantelpunt tot [ p > Q ], bereikt. Er kan geen p zijn waarbij –Q intreedt, want onder alle omstandigheden geldt [ –Q → -p ], p blijft altijd achter bij en ondergeschikt aan Q. Dit is een categorisch oordeel, en alleszins in strijd met de normale verwachting. De normale verwachting houdt immers de gerede mogelijkheid in van een negatief gevolg, het eindelijk overtreffen en loskomen van Q door p, het ontsnappen van p aan zijn schaduw Q, het verslaan, het omverwerpen van Q, of hoe beeldend men dat verder ook noemen wil. Er is dus eigenlijk geen echte wisselwerking tussen p en Q, laat staan een botsing, maar er geldt onveranderlijk een categorische status quo: p en Q lopen onverkort langs elkaar heen. Dat is wel een heel andere verhouding dan bij de subtypen (a) en (b). Toch is het gerechtvaardigd om (c) tot hetzelfde basistype te rekenen. Dat doen we omdat er bij (c) hoe dan ook twee grootheden in het spel zijn, een meetwaarde p en een effectwaarde Q. Bovendien speelt ook de notie kantelpunt er een cruciale rol, zij het bij (c) in absentia.
Overbruggings-/vervullingsafstand
Er zijn dus kenmerkende gemeenschappelijke betekenisaspecten (parameters) bij deze drie toch aanmerkelijk verschillende subtypen. De maatgeving is er typisch relationeel, althans: er zijn steeds twee verschillende grootheden in het geding die op een of andere manier op elkaar betrekking hebben. Bij basistypen (a) en (b) betreft het daarbij de overbruggingsafstand (vervullingsafstand) van p tot Q. Deze is daar saillant klein, dalend van gering tot bijna nul. De kleinst mogelijke waarde van p komt hier in zicht, maar de grens van Q wordt nooit echt overschreden, er blijft hoe dan ook afstand, er is nooit een volledige samenval van p met Q. Anders gezegd: er blijven altijd twee fasen te onderscheiden. Ook al werkt de voorzin toe naar de nazin, en bevat dus de nazin het voortschrijdend moment, de quintessence is precies die dalende kwantificatie, die toegespitste nadering van p tot Q, die hier het onverwachte, spannende element vormt, waarmee de constructie een tweepolige attentiewaarde krijgt (niet meer dan p is nodig voor Q; niet meer dan p en dan al Q). Het kantelpunt is daarbij cruciaal. Dat wordt juist afhankelijk gemaakt van een kritische waarde p.
Ook bij (c) staat onmiskenbaar de vervullingsafstand centraal. De waarde van p wordt hier immers bemeten en uitgedrukt in relatie tot het niet bereikbare gevolg –Q. Er is dus evenzeer een relationeel verband, maar geen inwerking van p op Q. Het kritisch moment, de vervulling, en daarmee het kantelpunt naar -Q ontbreekt te enen male. Indirect, op de achtergrond, gaat het hier dan toch weer wel om een kritische waarde van p, maar dan een die niet bereikt wordt of ook maar in zicht komt. In dit opzicht is de waardebepaling ook hier tweepolig: p kan niet hoog genoeg zijn of Q is haar de baas (nooit p waarbij -Q). Dat is wel bijzonder in strijd met wat in de normale wereld verwacht mocht worden.
Categorische ontkenning en non-exceptiviteit
We kunnen aan de tweepolige basistype van (a), (b) en (c) nog een vierde subtype toevoegen, waarin evenzeer de overbruggingsafstand centraal staat, maar waar dat aspect tevens gekoppeld wordt aan een andere grondnotie. Ook deze parameter is in vorige afleveringen ter sprake gekomen. Het betreft gevallen als:
(d) 1. Je kunt geen krant openslaan / de radio of tv niet aanzetten of Trump is weer volop in het nieuws.
(d) 2. Er gaat geen dag voorbij of we worden met een nieuwe onheilstijding bestookt.
(d) 3. Ik kan nergens komen of men heeft het erover.
Dit is ook het subtype waaronder de zinnen over Femke ressorteren, die hierboven in de inleiding werden geciteerd. Dit type is duidelijk aan een bepaalde context en situatie gebonden en in dat opzicht in principe volop relationeel (p < Q) . Toch legt de voorzin hier inhoudelijk weinig eigen gewicht in de schaal en is zij in de eerste plaats dienend. Zij leidt hier niet tot een scènewisseling, laat staan een spannende, maar fungeert als een licht afgesleten metafoor, als een wat clichématige opmaat naar datgene wat in de nazin als nieuwe informatie, als eigenlijke kern van de boodschap aan de orde wordt gesteld. Er worden formeel wel twee fasen geïntroduceerd, maar geen twee echt onderscheiden standen van zaken. Het duale van de zinsconstructie dient hier vooral om de uitspraak te kunnen starten en doet dat als extra met een globale, hyperbolische maataanduiding vooraf, die toch ook nog even aandacht trekt. Er wordt op schetsmatige, bijna symbolische wijze een background gevormd die als handvat voor de boodschap in de nazin fungeert. Veel meer dan een aanloop is deze opmaat per saldo niet, inhoudelijk heeft ze nauwelijks een eigen inbreng. Tot zover de debet-zijde van dit subtype.
In principe heeft een dergelijke rigoureuze kwantificatie een sterk expressieve waarde, juist door het non-exceptieve karakter ervan. Ze kan ook bijgeladen worden. Er kan bijvoorbeeld gemakkelijk een krachtterm als verdomme aan worden toegevoegd. In hun negatieve, uítsluitende formulering zijn deze oordelen categorisch en non-exceptieve wijze restrictief (alleen p als ook Q). De rigoureuze situatiebepalingen in de voorzinnen bij (d) sluiten al vooraf iedere mogelijkheid uit dat het ook nog anders zou kunnen. Dat kan met een categorisch negatieve inzet aanmerkelijk krachtiger dan in positieve bewoordingen, zoals bevestigende parafrases laten zien, bijvoorbeeld bij (d3):
(d) 3’. Altijd als ik ergens kom / overal waar ik (ook maar) kom, heeft men het erover; waar ik (ook maar) kom, men heeft het erover.
Qua waarheidswaarde zijn die geheel equivalent, maar niet in zeggingskracht.
Het type is in zijn krachtige inzet duidelijk verwant met het tweepolige subtype waaraan de gevallen van (b) beantwoorden, vergelijk (authentieke) gebruiksgevallen als:
(b) 1. Hij kon zijn kont niet keren of ze braken de tent achter hem af.
(b) 2. De Groningse zanger Ede Staal hoeft op de radio maar een kik te geven, of ik zit al te grienen.
In deze (b)-zinnen is de voorzin inhoudsvoller en minder afhankelijk van vaste cliché’s zoals we die bij (d1) en (d2) aantreffen. Een fraaie literaire realisatie vinden we zo bij Couperus in De stille kracht (1900) [met cursiveringen van mij, AW]:
(b) 3. “Deze jongen had maar te verschijnen, als een mooie, zuidelijke god, of alle vrouwen zagen naar hem, en namen hem op in het diepe van hare verbeelding, om hem zich later weêr te roepen voor haar geest.”
Er is nog een ander aspect. Bij subtype (b) is het temporeel-sequentiële aspect duidelijker, minder globaal en meer toegespitst aanwezig dan bij (d). Het is er functioneler en meer tweepolig. Daardoor is het ook makkelijker in positieve temen om te zetten is, namelijk met een bijwoordelijke bijzin ingeleid door ‘zodra p’ of ‘telkens als p’. Naar keuze kan men zo de snelheid en directheid van volgfase Q oproepen, of speciaal de onveranderlijkheid van dat gevolg Q benadrukken:
(b) Zodra / telkens als hij zijn kont keerde, braken ze de tent achter hem af.
(d) ?? Zodra /telkens als je (ook maar) een krant openslaat / de radio of tv aanzet, is Trump weer volop in het nieuws.
Een en ander houdt in dat bij (d) -zinnen slechts uiterst minimaal een semantisch fase-verschil optreedt: om tot Q te komen moet nu eenmaal eerst p worden vervuld; antecedens < consequens (gegeven p, dan meteen ook Q). Maar hier is niet echt sprake van een materiële (temporele) overbruggingsafstand, die zo bepalend is voor type (a), en die ook meespeelt bij type (b).
Nog wat gebruiksgevallen uit het veld
Ad Foolen was zo attent om mij nog enkele gebruiksgevallen voor te leggen waaraan we onze analytische bevindingen verder kunnen toetsen. Het betrof de volgende realisaties, vers door hem geplukt uit eigen gezichtskring:
- Er is geen commissie binnen opleiding, onderzoeksinstituut of Faculteit of ik heb er in gezeten. [ https://neerlandistiek.nl/2024/11/tekstportret-wim-van-anrooij/ ]
- Er is geen psychologische eigenschap denkbaar, of ze verschilt van cultuur tot cultuur.
- Je kunt nauwelijks een boek of artikel over het herstel van Nederlands zelfstandigheid in december 1813 en over de vestiging en verdere geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk van Willem I lezen, of je komt de naam van Falck er in tegen.
- Conrad Busken Huet was naar eigen zeggen een „hartstochtelijk liefhebber” van schaatsen. „Geen drieduimsch ijs, of ik kroop er op.” [ https://www.nrc.nl/nieuws/2025/02/19/ ]
We kunnen stellen dat onze analyse ruimschoots toereikend is om deze gevallen de baas te kunnen. Drie van de vier zijn categorische, non-exceptieve ontkenningen. Alleen (3) vertoont geen categorische ontkenning, maar een scalaire restrictie, waarmee wel de kans op voorkomen wordt geminimaliseerd, maar toch niet volledig uitgesloten. Dat is typologisch zeker interessant, maar effectief maakt het hier weinig verschil. Zijn deze vier testzinnen duidelijk afkomstig uit geleerde of academische kringen – evenals de beide zinnen over Femke waarmee we dit artikel hebben geopend – , er zijn ook willekeurig andere domeinen te vinden waar dit type zijn agiliteit bewijst. Laten we hier eindigen met voorbeelden uit een meer gewijde sfeer. Zo vinden we in het tafellied ‘Gij die weet’ van Huub Oosterhuis de NoC van dit type drievoudig gebruikt, en wel met elliptische voorzinnen focusserend op niemand als categorisch negatief element:
(…)
Gij toetst ons hart
en Gij zijt groter dan ons hart.
Op elk van ons houdt Gij uw oog gericht.
En niemand, of hij heeft een naam bij U.
En niemand valt of hij valt in uw handen
en niemand leeft of hij leeft naar U toe.
(…)
Uit: Verzameld Liedboek’ (2004), p. 612
De verleiding komt licht op om hier een vergelijking te maken met een vers uit de Statenvertaling (Importantia edition), Johannes 6:44 [vette en cursieve markeringen door mij, AW]:
Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
Uit historisch en vergelijkend oogpunt is een dergelijke onderschikkende, exceptieve zinsconstructie alleszins nuttig en interessant ter nadere beschouwing, maar daarmee zouden we ons wel begeven buiten het strikte domein van de NoC. Dat is binnen het hier gestelde kader niet de bedoeling.
Laat een reactie achter