
De moderne mens kan niet bestaan zonder taal. We leven allemaal in samenlevingen die complexer zijn dan de gemiddelde roedel van andere sociale dieren, ook als we in traditionele groepen in het Amazon-gebied wonen. We maken voortdurend gebruik van elkaars gedachten, dankzij de taal, en zouden niet kunnen overleven als we alles ons leven lang alleen moesten doen en zonder de informatie die anderen ons geven. In taal.
Andere sociale dieren hebben ook, soms behoorlijk complexe, communicatiesystemen, maar die zijn op een aantal cruciale punten anders dan menselijke taal. Ze lijken niet het vermogen te hebben te communiceren over dingen die ze zelf verzonnen hebben, bijvoorbeeld, ze hebben geen grammatica’s zoals menselijke talen die hebben, voor een ander voorbeeld, en ze voeren geen gesprekken waarin ze voortdurend bezig zijn te raden wat de ander wil gaan zeggen om op het juiste moment in te vallen, voor nog een voorbeeld. Alle mensen, of in ieder geval alle menselijke groepen (soms groeit een mens onder zulke afwijkende omstandigheden op dat ze geen taal heeft) kunnen dat allemaal wel.
Giswerk
Op basis van dit soort overwegingen komt een internationale groep onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Frontiers in Psychology tot een schatting: 135.000 jaar geleden moet de mens al het huidige taalvermogen hebben gehad. Het argument: in die tijd kreeg je de eerste splitsing van groepen, de Khoisan in zuidelijk Afrika, en alle nakomelingen van die mensen hebben nu dus soortgelijke talen als de mensen van latere afsplitsingen, althans volgens de grove criteria die ik daarnet noemde.
Het is een beetje onduidelijk hoeveel nieuws dit brengt. De Nederlandse website Welingelichte Kringen zegt dat dit ‘vroeger is dan gedacht’, maar in de eerste plaats is er niet bepaald consensus over deze kwestie en zijn er allerlei andere geleerden die ook al lang denken dat taal zo oud is als de homo sapiens (sommigen denken dat ook neanderthalers al taal hadden en dat taal dus nóg vroeger ontstond), en in de tweede plaats zal niet iedereen per se overtuigd zijn door deze redenering: alle mensen zijn op ieder moment altijd in staat geweest tot samen kinderen krijgen en als er een taalgen is, kan dat dus altijd ook later zijn verspreid. Terwijl als taal een uitvinding is, die op ieder moment kan zijn ontstaan.
Wanneer taal precies is ontstaan blijft het onderwerp van speculatie: het is een belangrijke vraag, maar taal is zo vluchtig dat de gemiddelde luisteraar na een halve seconde al niet meer weet welke woorden de spreker heeft gebruikt. Vaststellen wanneer de mens begonnen is met praten zal daarom waarschijnlijk altijd giswerk zijn.
Zou er ook een verband zijn tussen het ontstaan en de ontwikkeling van een taal en de jacht?
Op deze ‘zetel’ mijn bespreking van een hoogst origineel boek over het belang van het jagen voor de vroege evolutie van de mens: https://www.de-gids.nl/artikelen/begon-wetenschap-met-de-kunst-van-het-spoorzoeken. Nota bene: Liebenberg, de auteur van dit gerecenseerde boek doceert inmiddels in Harvard over de vroege evolutie van de mens.
Tijdens een evolutie, tijdens de veranderingen die de mens biologisch ondergaat, evolueert van en naar, is er op dat moment geen enkele ordening aan te brengen, chronologisch niet of hoe dan ook. Het doet er niet toe of iets zus of zo is of… omgekeerd. De mens is al gevormd, hij hoeft er geen verhalen over te vertellen. Evolutie is evolutie en géén taal. Je bent nergens getuigen van en je weet alles. Zonder feiten te kennen ben je. De biologische-waarheid heeft geen feiten nodig. Pas als taal gebruikt wordt, in de buitenwereld, heb je dus niets aan concrete redeneringen, maar zijn de belevingen tussen mensen de enige houvast. Mensen zoeken een spoor, zijn het spoor bijster, wijken af en maken een nieuw spoor. Taal is dus altijd een helderheid terwijl je dat niet bent. Je bent dus altijd tweepirouettes in een persoon. (Tweedle-dee en Tweedle-dum) We worden nooit moe van het speuren naar sporen.
Ik weet er niet veel van, maar ik kan me voorstellen dat het spoorzoeken waarover je het hebt kan worden gezien als een voorloper van het symbolisch denken dat nodig is voor taal (de klanken b-ee-n staan in die volgorde voor een bepaald lichaamsdeel). Een ander aspect van de jacht is waarschijnlijk alleen mogelijk dankzij taal: de intensieve samenwerking die mensen hebben bij het samen jagen. Het schijnt dat groepen apen die samen jagen toch vooral allemaal achter hetzelfde doel aangaan, maar mensen verdelen rollen: jij jaagt de antilopen op naar de bosjes, en ik ga ze daar staan opwachten. Ik geloof dat geen andere diersoort dat doet. Het is misschien ook alleen mogelijk met een voldoende ontwikkelde taal.
“Het schijnt dat groepen apen die samen jagen toch vooral allemaal achter hetzelfde doel aangaan [ . . . ]” – moet je dat niet ook ‘afspreken’? Anders gaat iedere aap zelf achter een eigen prooi aan.
En: bij wolven en orka’s is ook sprake van intensieve samenwerking, waarbij verschillende leden van de groep verschillende taken hebben en uitvoeren. En dat zijn nog maar twee voorbeelden.
“[Andere sociale dieren[ hebben geen grammatica’s zoals menselijke talen die hebben, [ . . . ]”. Dierpsychologen en/of diersociologen zijn volop verwikkeld in het ontdekken dat bij dieren als dolfijnen of olifanten betekenissen van geluiden bijv. kunnen veranderen naar de volgorde waarin ze te horen worden gebracht. We weten bijv. inmiddels, dat dolfijnen elkaar ‘namen’ geven, per individu. Namen, dat is toch taal? Naamkunde is niet voor niets een deel van de linguïstiek. We weten als mensheid nog heel veel niet over communicatie bij dieren, doordat we die niet begrijpen. Het is nogal riskant om beweringen te doen op gebieden waarover onze kennis tekortschiet, als individu of als mensheid.
Ook ik weet er niet veel van, maar een tijdje terug heb ik me wat verdiept in de fascinerende these van archeoloog/paleo-antropoloog Steven Mithen: dat ons talige converseren ooit een gezamenlijk ‘zingen’ was. (Zie o.m. zijn bijdrage aan The Prehistory of Language, ed. Botha & Knight, en zijn recentere The Language Puzzle.) Uitvoerig beredeneerd verhaal heel kort door de bocht: communicatie tussen groepsgenoten verliep bij vroege mensen aanvankelijk via holistische en op gedragsbeïnvloeding en -afstemming georiënteerde vocalisaties. (Inderdaad handig tijdens jagen en spoorzoeken maar vast ook tijdens verzamelen, conflicten oplossen, tent opzetten en kinderen netjes opvoeden.) Dat die holistische, muzikale communicatie geleidelijk evolueerde tot ‘compositionele’ taal (met geconventionaliseerde, symbolische ‘woorden’ i.p.v. iconische klankreeksen) geschiedde volgens Mithen onder de selectieve druk van een belangrijk voordeel: compositonele taal is leerbaarder en onderwijsbaarder dan holistische vocalisaties; hierdoor faciliteerde dit veranderingsproces vocaal/verbaal contact met andere groepen. En kijk waar dit alles ons gebracht heeft! Zolang als het duurt uiteraard.