Taalverandering betrapt! 10

Eric Hoekstra bespreekt kwesties die het het Oudfries betreffen. Vandaag deel 10: Vragen over het Oudfries
Soe scel him di oera fregia, haet hi seka welle.
Toen ik me met het Oudfries ging bezighouden, stelde ik mezelf voortdurend vragen. En nog steeds natuurlijk. Zoals: waarom zijn er wel Oudengelse teksten uit het eerste millennium maar geen Oudfriese? Waarom hebben we Oudfriese teksten uit elk gebied waar Oudfries is gesproken, behalve uit Zuidholland en Noordholland, en dan met name, waarom niet uit West-Friesland? Als ik dan geen antwoorden vind, begin ik mijn eigen hypothesen op te stellen en te delen. Dan worden mij de oren gewassen door ervaren onderzoekers in het veld, omdat er geen bewijs is voor mijn hypothesen, en meer van dat soort detailkritiek. Goed, ze hebben natuurlijk gelijk. Mijn initiële hypothesen zijn kinderlijk, maar het is erger als de vragen niet gesteld worden.
Dan nu de vraag: waarom zijn er geen Oudfriese wetsteksten uit Westfriesland overgeleverd? Natuurlijk hangt dat samen met de eeuwen van vijandschap tussen ‘Friezen’ en ‘Hollanders’, toen het Graafschap Holland geleidelijk de ene streek na de andere veroverde. Maar je zou verwachten dat een klooster in Westfriesland, in, zeg de 12e eeuw, toch wel de Westfriese wetten zou optekenen. Maar toen ik onze historici op de FA vroeg welke kloosters er eigenlijk in Westfriesland lagen (in of voor de 12e eeuw), bleken er geen te zijn. Dan wordt het wel erg moeilijk. Het klooster Egmond lag (en ligt) buiten Westfriesland, op het land onder controle van het Graafschap. Een Oudfriese tekst uit Westfriesland wordt dan wel erg moeilijk. Bovendien is de late 13e eeuw vooral de eeuw waarin het alfabetisme meer voet aan de grond krijgt in de maatschappij, zoals Rolf Bremmer in zijn boek laat zien, Hir is eskriven. Lezen en schrijven in de Friese landen rondom 1300. Maar toen was Westfriesland al door het Graafschap ingelijfd.
Dan die andere vraag. Waarom hebben we geen Oudfriese teksten uit de 9e en de 10e eeuw. Welnu, kort en goed, voor elke regio van Europa geldt: de schriftcultuur komt overal pas echt op gang nadat het christendom zijn intrede heeft gedaan. Dat verklaart precies dat de Oudengelse productie begint in de 8e eeuw, de Oudsaksische in de 9e. “Maar Hoekstra, Friesland ging toch in de 8e eeuw over tot het christendom? Dan zouden we toch vanaf de 9e eeuw Oudfriese teksten verwachten.”
Dat klopt maar de heidenen gooiden roet in het eten. Vanaf het begin van de 9e eeuw beginnen de Vikingen hun rooftochten. De sociale en kerkelijke infrastructuur langs de kustregio’s wordt verwoest. Zelfs de bisschop van Utrecht neemt de wijk naar Deventer. Friesland blijft meer dan twee eeuwen hangen in een niemandsland tussen christendom en heidendom. Trouwens, er vindt in die tijd, en zelfs daarvoor, wel degelijk uitwisseling van ideeën plaats. Niet alleen zijn er de nodige onbekeerde Friezen, de bronnen vermelden ook het bestaan van bekeerde Vikingen. Het is nooit zo zwart-wit als we denken. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de Oudengelse Beowulf. Het overwegend heidense verhaal is aangepast aan ideeën over draken en demonen die ontleend zijn aan de eerste hoofdstukken van Genesis, en boven noodlot en fatalisme wordt een morele God geplaatst. Enfin, door de Vikingen is de Oudfriese productie minimaal twee eeuwen later begonnen dan we anders hadden mogen verwachten.
Maar nu een derde kwestie. Er is discussie over de vraag of de Friese wetsteksten vertalingen zijn van originelen in het Latijn of dat er een orale traditie vooraf gaat aan het opschrijven van de wetsteksten. Of allebei, en zo ja, hoe toon je dat aan. Welnu, er werd sowieso in het Latijn geschreven, dus die mogelijkheid is oncontroversieel. Maar hoe toon je een eerdere orale traditie aan? Arjen Versloot en ik werken ‘toevallig’ aan een boek waarin we 7 versies vergelijken van dezelfde oude tekst: de 17 Statuten. De 7 versies lopen kwa formulering soms enorm uit elkaar, hoewel ze ongeveer dezelfde inhoud hebben. Nu vraag ik me af: Mogen we in de uiteenlopende formuleringen van de 7 versies, bewijs zien voor een eerdere orale traditie? Het menselijk geheugen onthoudt veel beter de semantische inhoud van een tekst dan de specifieke bewoordingen waarin de inhoud is vervat. De forse variatie in de formulering van de 7 versies zou dan een argument zijn voor een orale traditie. Of kunnen zulke verschillen ook door ‘vrij vertalen’ of door ‘parafraserend overschrijven’ tot stand komen? En hoe waarschijnlijk is parafraserend overschrijven in de vroege middeleeuwen? Intuïtief voel ik meer voor de hypothese van de orale traditie, maar ik houd me aanbevolen voor tips om de orale hypothese beter te testen.
Laat een reactie achter