
Eric Hoekstra bespreekt zinnetjes met negatie overgeleverd uit verschillende periodes van het Oudfries en het Oudengels. Vandaag deel 9: Niet in het Gothisch
Drink nu niet alleen water.
Elke taal heeft meerdere vormen van negatie en het Gothisch is daarop geen uitzondering. Daarnaast doorlopen talen soms Jespersens cyclus van negatie. De Oudgermaanse talen bevonden zich alle in de eerste faze van die cyclus. Dat wil zeggen: negatie wordt uitgedrukt door een clitic ni (of ne), dat direct voor de persoonsvorm staat. Er is normaliter geen dubbele negatie (faze 2 van de cyclus), laat staan dat er normaliter VP negatie is, niet, of NP negatie, geen (faze 3 van de cyclus).
Waarom is het Gothisch zo interessant? Het oudste Oudgermaans dat we hebben, is het Gothisch. In het midden van de 4e eeuw AD vertaalde Bisschop Wulfila, samen met zijn team, de bijbel in het Gothisch. Delen daarvan, vooral van het Nieuwe Testament, zijn bewaard gebleven. Van het latere Oudgermaans hebben we vrijwel niks tot aan de Oudengelse Beowulf, die ergens laat in de 7e eeuw gedateerd wordt. Het Gothisch wordt tot het Oostgermaans gerekend, al is het maar de vraag hoe zinvol de verdeling in Noord-, Oost- en Westgermaans is.
Toen ik zocht naar met name syntactische informatie over het Gothisch, was ik aangenaam verrast door het boek van Gary Miller: The Oxford Gothic Grammar. Informatie in het Engels (!), met gegloste voorbeeldzinnen (!), met pragmatisch gebruik van theorievorming (!). Ook nuttig is Virginia Coombs: A Semantic Syntax of Grammatical Negation in the Older Germanic Dialects, dat een hoofdstuk over negatie in het Gothisch heeft, maar helaas zijn de voorbeeldzinnen niet geglost. Hieronder staat ter illustratie een zinnetje met de ‘normale’ vorm van negatie in het Gotisch:
(1)
Ju | ni drigkais | þanamais | wato … |
vanaf.nu | NEG drink.2SG | voortaan | water |
‘Drink vanaf nu niet alleen water (maar) …’ (OG, Miller 516, 1Tim 5:23)
Dat ziet er net zo uit als ‘normale’ zinsnegatie (fase 1) in het Oudfries, het Oudengels, het Oudsaksisch, het Oudnederfrankisch en het Oudhoogduits. Maar bij het doornemen van alle passages met negatie in Miller blijkt dan dat er bij de kleinere patronen met negatie veel bijzonder materiaal zit, dat je in het Oudfries, of zelfs Oudengels, niet vindt, of in een andere vorm.
Daarnaast heeft het Gothisch ook een constituentnegatie, en die heeft dezelfde vorm als de zinsnegatie ni. Een voorbeeld staat hieronder:
(2)
Iudas, | ni | sa | Iskarjotes |
Judas, | NEG | de | Iscariot |
‘Judas, niet Judas Iscariot’ (OG, Miller 515, Joh 14:22)
En er is een aparte vorm voor lijstnegatie, nih ‘noch’, zoals in het volgende voorbeeld:
(3)
þarei | nih | malo | nih | nidwa | frawardeiþ |
waar | NEG | mot | NEG | roest | verwoest |
‘waar noch mot noch roest verwoest’ (OG, Miller 106, Matt 6:19)
Het Gotische nih heeft een slotconsonant, net als het Nederlandse noch, terwijl die in het Oudengels en het Oudfries is afgevallen.
Maar nih kan ook functioneren in een zeldzame dubbele negatie. Dan geeft het een negatieve focus aan, ‘zelfs niet’, zoals in het volgende voorbeeld:
(4)
jah sa motareis | fairraþro standands | ni wilda | ||
en die tollenaar | verder staande | NEG wilde | ||
nih | augona | seina | ushafjan | du himina |
NEG | ogen.GEN | zijn | opheffen | tot hemel |
‘en de tollenaar, die verder af stond, wilde zelfs zijn ogen niet opslaan naar de hemel’ (OG, Miller 517, Luk 18:13)
Dit zinnetje illustreert ook een ander verschijnsel rond negatie. Het lijdend voorwerp bij ushafjan ‘opheffen’ is augona ‘ogen’, en dat had een accusatief moet zijn. Het staat echter in de genitief, en dat komt door een apart verschijnsel rond negatie (Miller 128). De naamval van een object kan onder negatie veranderen van accusatief of datief naar genitief. Een ander voorbeeld staat hieronder:
(5)
jabai … bileiþa | qenai | jah | barne | ni | bileiþai |
als … achterlaat.3SG | vrouw.DAT | en | kind.GEN | NEG | achterlaat |
‘als hij een vrouw achterlaat en geen kinderen achterlaat’ (OG, Miller 129, Mark 12:19)
In de eerste deelzin staat geen negatie, en het object van ‘achterlaat’, ‘vrouw’, staat in de datief. In de tweede deelzin staat negatie en daar staat het direct object, ‘kind’, in de genitief. Het Gotisch vertoont trouwens niet alleen interactie tussen negatie en naamval, maar ook tussen negatie en wijze (indicatief/subjunctief).
Het Gotisch kan in allerlei opzichten dienen als een voorbeeld van de voorlopertaal van het Oudengels, het Oudfries en het Oudnederlands, zoals Cor van Bree dat ook deed voor het Nederlands in zijn Historische Grammatica van het Nederlands (tekst op dbnl.org). De oude Germaanse talen dienen dan ook in hun samenhang bestudeerd te worden. Dan zie je de grote lijnen in de ontwikkeling van negatie en andere verschijnselen en de taal specifieke verschillen. Zo’n grote lijn is dat de Oud-Germaanse talen zinsnegatie frequent uitdrukken met een enkelvoudig clitic ni of ne, dat vlak voor de persoonsvorm staat. Maar er is nog veel meer te ontdekken, dat wil zeggen, te onderzoeken, want Jespersens cyclus is slechts het topje van de negatieve ijsberg.
Dizze hiele searje artikels fan Eric Hoekstra is tige nijsgjirrich. Dizze hjir boppe foar my wol de meast nijsgjirrige. Der folget noch mear, nim ik oan?
Nr 12 is foarearst de lêste, spitigernôch!