De bijendans is een vorm van communicatie die de mensheid inmiddels al een jaar of zestig intrigeert. Een bij die een nieuwe bron van nectar gevonden heeft, komt terug bij de korf en voert een dansje uit, waar de andere bijen naar kijken: ze vliegt heen en weer op een bepaalde manier, en nadat ze dat gedaan heeft vliegen andere bijen naar de plaats waar de bij de nectar gevonden heeft. Die locatie kan heel precies worden overgedragen.
Biologen denken dat deze bijzondere communicatievorm ongeveer 20 miljoen jaar geleden is ontstaan. Het is een verbluffend ingenieus systeem waarmee locatie (zowel de richting in horizontale zin dus oost, west, noord en zuid, als in verticale zin, dus omhoog of omlaag) kan worden aangegeven én de afstand én de kwaliteit van het gevonden eten. Het is daarom niet gek dat mensen praten over bijentaal, maar er zijn ook verschillen die taalkundigen lang hebben laten aarzelen. In een artikel voor Biological Reviews laat een groep onderzoekers nu zien dat die aarzeling niet terecht is – er is wel degelijk een opvallende overeenkomst tussen bijentaal en mensentaal.
Lange tijd heeft men gedacht dat een cruciaal verschil was dat bijen communiceerden met continue schalen. De bijendans kent vier componenten (dat is een beetje afhankelijk van de specifieke bijensoort, maar daar zien we nu maar even vanaf): de horizontale richting van de dans geeft de locatie in horizontale richting aan waar de nectar zich bevindt, de verticale hoek doet dat voor de hoogtepositie ten opzichte van de zon. De lengte van de beweging geeft aan hoever het lekkere goedje is, en het aantal keren dat de bij het dansje herhaalt is een indicatie van de kwaliteit.
De dans is daarmee iconisch: de elementen van de taal lijken op die van de beschreven werkelijkheid, om te vertellen dat je naar het noorden moet, beweegt de bij zich naar het noorden. Menselijke taal is niet iconisch, zo werd lang gedacht. Het woord noord heeft niets te maken met de richting. We maken wel iconische gebaren: ‘je moet daarheen lopen’, en dan wijzen, of ‘ik heb zo’n grote vis gevangen’ en dan een ruimte openlaten tussen je handen:

Ook sprekend kunnen mensen soms iconisch communiceren (‘die les was saaaaaaai’, waarbij de lengte rechtevenredig is met de saaiheid van de lezing, ‘zij moet ver, ver, ver weg zijn”, wat betekent ‘zij moet heel ver weg zijn’), maar dat alles werd lang niet gerekend tot de kern van de menselijke taal: die bestond uit woorden en grammaticaregels, en die kunnen allebei niet op een schaal worden gezet: iets is groot of klein en voor de oneindige hoeveelheid stapjes daartussenin hebben we geen aparte woorden.
De auteurs van het artikel in Biological Review laten nu zien dat taalkundigen, ten eerste, in de loop van de tijd zelf ook wel anders zijn gaan denken over die iconische elementen. Dat we ze niet in de beschouwing nemen, heeft misschien wel te maken met het feit dat we bij taal vooral denken aan sterk geformiseerde schrijftaal, en daarin komt dit inderdaad weinig voor. Maar je hoeft maar een paar mensen te observeren die met elkaar aan het praten zijn, en je merkt hoe belangrijk gebaren zijn.
Nog belangrijker: gebarentalen worden ook alweer geruime tijd door de taalwetenschap erkend als volwaardige menselijke talen, die gebruik maken van dezelfde delen van mens en brein. En in gebarentalen, zo laten de onderzoekers zien, is het aanwijzen van richting en afstand een doodnormaal aspect van de grammatica. Bovendien laten ze zien dat het een aspect is dat alle mensen intuïtief begrijpen. In een experiment waarin (niet dove) mensen geluidloos met een drone-piloot moesten communiceren over waarheen de drone zich moest begeven, lukte het de meeste mensen vrij goed om richting en afstand weer te geven.
Mensen en bijen gebruiken dus een vergelijkbaar systeem, wat overigens niet betekent dat de evolutionaire oorsprong dezelfde is: het is logischer te denken dat ze onafhankelijk in beide soorten is ontstaan (en mensen delen het misschien ook met andere primaten en wie weet zoogdieren). Bij mensen is het ingebed in een ander systeem, een van woorden en grammatica, dat op een andere manier functioneert – maar dat wil niet zeggen dat dát de menselijke taal is en de bijendansachtige kanten ervan niet.

Boeiend artikel, juist voor mij als imker en als neerlandicus. Erg bedankt.
Op deze ‘zetel’ kunt U zelf lezen, hoe Karl von Frisch indertijd de vondst van zijn leven deed en beschreef: https://www.nobelprize.org/uploads/2018/06/frisch-lecture.pdf
Het is een schoolvoorbeeld van serendipiteit, opgeschreven door een scherpzinnig gedragsdeskundige, die ook zijn eigen gedrag in dezen zo magnifiek en magnetiserend heeft opgeschreven, dat U dat nu echt even zelf moet lezen. De literariteit zit in de wijze waarop hij zelf zijn aanvankelijk ongezochte vondst deed, in de bijentaal zelf, en in het verslag zelf. Een glanzende wilde parel…
Mooi en interessant stuk, Marc. Ik heb me overigens altijd verwonderd waarom Amerikanen, als je ze de weg vraagt, altijd in termen van Noord, Zuid, Oost en West antwoorden. Kennelijk weten zij precies waar ze dan heen moeten. Dat zou hier niet kunnen. Komt het omdat in de VS een richting is geassocieerd met een (snel)weg (“Take Highway 5 East and then turn left on South”)? Ook te voet weten ze bij zulk type antwoord waarheen ze moeten lopen. Heeft dat dan weer te maken met het Grid-systeem van de steden? Ik weet het niet. Jij? Hartelijks, Wiljan.
Iemand die hier veel onderzoek naar heeft gedaan is Stephen Levinson, van het Max Planck Instituut, zij het niet bij Amerikanen maar bij inheemse Australische volken. Amerikanen gebruiken ook nog het aan het menselijk lichaam gerelateerde systeem van links en rechts, maar sommige van deze volkeren gebruiken alleen het absolute systeem van noord, oost, enz. Dat lijkt diep in te grijpen in de cognitie, zoals dat deze mensen zich, ook als ze een tijdje in een rondrijdende geblindeerde auto zijn geweest, zich meteen kunnen oriënteren en als ze verhalen vertellen over bijvoorbeeld een dier dat er aan kwam maken, ze hun handgebaren veranderen naar gelang de windrichting die ze bekijken. Ik geloof dat een verklaring in dit geval gericht is op het feit dat deze mensen leven in woestijnachtig gebied met weinig oriëntatiepunten. Hoe zich dat naar Amerikanen vertaalt, weet ik niet.
“Een bij die een nieuwe bron van nectar gevonden heeft, komt terug bij de korf en voert een dansje uit, waar de andere bijen naar kijken: ze vliegt heen en weer op een bepaalde manier, en nadat ze dat gedaan heeft vliegen andere bijen naar de plaats waar de bij de nectar gevonden heeft.”
De eest keer las ik hier overheen: ‘waar de andere bijen naar kijken’…
Bij herlezing, vroeg ik mij af: Hoe doen bijen dat dan in het donker van de bijenkorf of -kast? Voelen ze dan op de tast, hoe de boodschapster in het pikkedonker rondjes danst, onder andere in de vorm van een 8, al of niet kwispelend met haar hele lijfje?
‘Leven zonder slaap’ was de onvergetelijke titel van een boekje over honingbijen, dat ik als puber kreeg, omdat ik bij de tuinman van de buren, die Van Heek heetten, o zo graag meekeek, als hij de bijenvolken aldaar nakeek, op De Weele, in de buurt van Boekelo, in Twente. Maar het stond er helaas, edoch, niet in.
En ik weet het nog steeds niet.
Ps. Op deze ‘zetel’ staat mijn bespreking van erudiet (‘ontruwd’) Zwitsers boek over de honingbij, dat terecht een publieksprijs kreeg: https://www.de-gids.nl/artikelen/honingvogeltjes
Het licht wel een tipje van de sluier, maar meer ook niet.