• Door naar de hoofd inhoud
  • Skip to secondary menu
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Neerlandistiek

Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek

  • Over Neerlandistiek
  • Contact
  • Homepage
  • Categorie
    • Neerlandistiek voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal

De stadstalen van Nijmegen, Zutphen en Arnhem

4 januari 2026 door Lex Schaars en Frans van Gorkum Reageer

In dit artikel staan de stadsdialecten van de drie Gelderse kwartiersteden Nijmegen, Zutphen en Arnhem centraal. Zutphen, gelegen in het Nedersaksische taalgebied, Nijmegen, centraal gelegen in het Kleverlandse dialectgebied en Arnhem, eveneens liggend in vanouds Kleverlands dialectgebied. In vergelijking met andere Gelderse streektalen zijn het vooral deze drie stadsdialecten die vanaf het einde van de negentiende eeuw aan verandering onderhevig zijn. Aandacht hiervoor is op zijn plaats, omdat wij in ‘Het verhaal van de Gelderse streektalen’ – dat opgenomen is in Jaarboek Gelre 2026 – aankondigen dat er hier nader op ingegaan wordt. Bovendien komt dit aspect in de vierdelige publicatie Het verhaal van Gelderland niet aan bod en ook Jan Berns en Harrie Scholtmeijer benoemen deze dialecten nauwelijks in hun in 2005 verschenen artikel in Bijdragen en Mededelingen Gelre.

Duidelijk is dat in de aanloop naar de twintigste eeuw de houding ten opzichte van het Nijmeegs en het Zutphens langzamerhand verandert; over het Arnhems ontbreken daaromtrent gegevens, maar gezien het feit dat vooral de Gelderse hoofdstad te maken heeft met de invloed vanuit Holland en Utrecht, mag er van worden uitgegaan dat de houding daar eerder negatiever dan positiever is dan die in beide andere steden. Verder blijkt dat het Zutphens zich langer staande heeft kunnen houden dan de beide andere stadsdialecten. Vooral na de Tweede Wereldoorlog levert het aan respect in. Daarentegen kan het Nijmeegs ook heden ten dage nog rekenen op relatief veel belangstelling. Houdt dit verband met de aanwezigheid van de Radboud Universiteit?

De eigenheid van het Nimweegs

In zijn inleiding in Honderd jaar stadstaal wijst A.M. Hagen erop dat Nederlandse stadsdialecten producten zijn van de negentiende eeuw. Dat blijkt ook uit de subtitel van het artikel dat de Nijmeegse hoogleraar Roeland van Hout in dezelfde bundel aan het Nijmeegs wijdde: Honderd jaar dialectontrouw aan de Waal. Toch betekent dit niet dat het Nijmeegs in de twintigste eeuw zijn eigenheid heeft verloren. Integendeel. Zo schreef Bernard van Herwaarden tussen 1936 en 1940 onder het pseudoniem Naodus fan Nimwege zo’n negenhonderd columns in het Nijmeegs. Ook het artikel Nijmeegs taalschoon, dat de bekende Nijmeegse classicus J.M.G.M. Brinkhoff (1920-1986) in 1964 publiceerde in Numaga, wijst daarop, evenals het proefschrift van Roeland van Hout.

Die vitaliteit komt niet alleen tot uiting in publicaties, maar ook in muziek en theater. Een artikel, mede tot stand gekomen dankzij de welwillende medewerking van de leden van de redactie van Nijmeegs Katern, geeft een overzicht van de activiteiten die er de laatste jaren op gebied van het Nijmeegs geweest zijn. Genoemd wordt Graodus fan Nimwegen ofwel volkszanger en buutreedner Theo Eikmans (1921-2000) die zijn leven lang optreedt in het Nijmeegs. Hij is vooral bekend door zijn lied ‘Al mot ik krupen’, een hommage aan de stad in het algemeen en de Sint-Stevenstoren in het bijzonder. De tekst beschrijft locaties in de Nijmeegse binnenstad, die door het bombardement of door sloop verloren gegaan zijn. Ter nagedachtenis aan hem en aan dit lied werd in 2006 in de Nijmeegse binnenstad een standbeeld onthuld, dat gemaakt is door Toon Heijmans. Bij de harde kern van voetbalclub N.E.C. hoort ‘Al mot ik krupen’ tot het vaste zangrepertoire, maar ook tijdens de Nijmeegse Vierdaagse het was het laatste beeldje in de lijn van tien Vierdaagse beeldjes.

De aandacht voor het Nijmeegs krijgt hartstochtelijk vorm in het werk van Wim Janssen (1919-1999). Niet alleen schrijft ook hij Nijmeegse liedjes, zeven jaar lang draagt hij stukjes bij aan De Brug waarin hij van zijn kennis van het plaatselijke dialect graag gebruik maakt. In 1981 verschijnt van hem Zuuk ’t mar uut. Dat boekje, geïllustreerd door Leo van Stijn, moest herdrukt worden. Van Stijn zet tot op heden in De Brug die traditie voort. In 1987 haalde zijn Nijmeegs woordenboek getiteld Zeg ’t mar op z’n Nimweegs een oplage van 2000 exemplaren. Dit woordenboek wordt in 2006 opgevolgd door Kie(k) däör, wà räör, dat Van Stijn samen met Roeland van Hout en Jan Roelofs uitbrengt: dat is zelfs zó succesvol dat er in september 2022 een herdruk van komt. In 2016 brengt Roelofs in de serie Nijntje Opao en opoe pluus ien ’t Nimweegs uit en in 2017 Nijntje git fietse ien ’t Nimweegs.

De publicist en liedjesschrijver Melchior Grood gebruikt het Nimweegs – zijn moedertaal – om dit dialect vooral te bewaren en uit te dragen.

De landelijke populariteit van soapseries inspireerde Leo van Stijn tot het schrijven van Nijmeegse soaps. Zo voerde het Nimweegs Soaptheater in de jaren 1990 tot 2017 een serie voorstellingen op op locaties in de Waalstad met Nijmeegse acteurs en Nijmeegse onderwerpen.

Niet onvermeld mag blijven dat Jan Roelofs en Ronald Migo in dezelfde periode “Het Nimweegs Dictee” organiseerden, een initiatief dat door de Carnavalsvereniging De Waterjokers voortgezet wordt.

Hoewel het dialect vanwege het stedelijke karakter van Nijmegen en de daarmee samenhangende sociale cohesie te kampen heeft met achteruitgang, weet het Nimweegs zich dus te handhaven dankzij gedreven autochtone inwoners.

De eigenheid van het Zutphens

Voor het Zutphens kan worden vastgesteld dat in de negentiende eeuw nog geen sprake is van de kentering in de waardering. Zo vertaalde de aristocraat Ludolph baron van Heeckeren  in 1859 het Evangelie van Johannes in het Plat-Zutphensch, terwijl ook bij de Zutphense juristen Tadama en Swaving in ongeveer dezelfde tijd geen onvertogen woord over streektaal te bespeuren valt. In de Geldersche Volksalmanakken worden tussen 1869-1872, evenals in de almanak van 1878, verhalen in het Zutphense dialect opgenomen.

In 1907 verschijnt een dialectverhaal van de Zutphense Christina Vetter waarin het leven in de arbeidersstand beschreven wordt: Sokke-Na. Na – die op lakense sokken loopt – is een arbeidersvrouw. Ze woont met man en twee kinderen in een huisje in een volkrijke achterbuurt. De moraal van het verhaal is dat Na, ondanks haar armoede, een barmhartige vrouw is en daarmee een voorbeeld van innerlijke beschaving.

In diezelfde tijd schrijft Lite Engelberts over het leven van de hogere stand in Zutphen; een heel ander verhaal in een andere taal: het Standaardnederlands. Toch spreken de deftige heren van de Oranje Sociëteit tegen een bediende wel degelijk Zutphens, blijkens een anekdote uit ongeveer 1915. Enige leden – nog laat ter sociëteit aanwezig – vragen tweede bediende Montagne: ‘Montannie, gao ’s effen kieken of ’t nog raegent.’ Als hij bevestigend antwoordt, ordonneren de heren: ‘Geef mien dan nog ’n halven.’ Als Montagne het na verloop van tijd mooi genoeg vindt, zegt hij ongevraagd dat het inmiddels niet meer regent, waarop de heren repliceren: ‘Geef mien dan noe nog ’n helen.’

Als Frijhoff in Geschiedenis van Zutphen in het afsluitende hoofdstuk over Zutphens eigenheid de vraag stelt: ‘Wat maakt Zutphen tot Zutphen?’, dan speelt het Zutphense dialect geen enkele rol. Zou dat te maken hebben met de conclusie van Berber Voortman: ‘Het Zutphense dialect wordt niet positief gewaardeerd: er worden alleen negatieve kwalificaties aan toegekend?’ Het meest frappante voorbeeld van die stelling, geeft een van Voortmans ‘notabelen’: ‘Het echte Zutphens, dat is vreselijk, dat is zo afschuwelijk, dat is een soort gedegenereerd Den Haags’.

Het is overduidelijk dat stadsdialect hier gelijk gesteld wordt met straattaal. Dat tegenwoordig ook over straattaal een genuanceerder oordeel gerechtvaardigd is, blijkt uit wat Khalid Mourigh, taalkundige bij het Meertens Instituut, hierover in NRC heeft gepubliceerd.

‘De fout die veel mensen maken als het gaat om straattaal, is dat ze denken dat die jongens niet anders kunnen praten’. Uit zijn onderzoek naar straattaal in Gouda blijkt dat jongens elkaar ook verbeteren als er een de jaar zegt. Volgens Mourigh is straattaal een stijl en zeker geen onkunde. Interessant is dat hij vermeldt dat de meest recente ontwikkeling in straattaal is dat, als uiting van onderlinge bevestiging van hun identiteit, woorden worden omgedraaid. Sma ‘meisje’, wordt ams en ‘meid’ wordt deim.

Dat is precies wat ruim honderd jaar geleden in Zutphen gebeurde, blijkens een artikel in de Zutphensche Krant van 5 februari 1910. Polsbroeksch Fransch was toen een jongenstaal, die uitging van het Zutphens. De woorden ervan zijn altijd één- of tweelettergrepig en worden van achteren naar voren uitgesproken. Een voorbeeld: ‘zeg, gao ie mee?’ – ‘gez, oag ie eem?’ ‘Neej, ik mag niet’ – ‘jeen, ki gam tien.’ ‘Waorum niet?’ – ‘Raow-meu tien?’

De eigenheid van het Arnhems

Over de eigenheid van het Arnhems is in 2023 een artikel verschenen in het Arnhems Historisch Tijdschrift waarin ook aandacht besteed wordt aan een in 1982 verschenen artikel van Maarten Brandt in de voorloper van dit tijdschrift, Arnhem de Genoeglijkste.

Brandt merkt op dat vooral de vernietiging van de binnenstad tijdens de Tweede Wereldoorlog van grote invloed is geweest op het Arnhems. Volgens hem was kenmerkend voor de taal die toen gesproken werd rond de Korenmarkt, in Klarendal, Sint Marten en de Geitenkamp dat zij behoudend was. Maar de opname die in 1950 van het Arnhems gemaakt is, laat zien dat de Klarendallers een conservatiever dialect spreken dan de bewoners van de binnenstad die Arnhems spreken. In de volgende paragraaf wordt daar nader op ingegaan.

Voor de recente ontwikkeling van het Arnhems blijkt Brandt weinig waardering te kunnen opbrengen. In zijn ogen is het ‘een soort bargoens met wat lokale varianten.’ De rekking van klinkers zoals in móówter, klóówte, het gebruik van doen in ‘Doen maen mäör ’n bróówdje waerm vlaes’ en het ‘apert offensief gekleurd taalgebruik bij suggestieve kretologieën’ als ‘Hé, mo’k die vraetschuur von jao ’s efkes gratis sannaere?’ kunnen zijn goedkeuring niet wegdragen. Dat dit juist de taal is waar een echte Ernhemmer trots op is, blijkt uit een artikel dat veertig jaar later, in 2023, in dagblad De Gelderlander verscheen. Daar vertelt Edwin van de Kamp: ‘Als ik bij het Oranje Koffiehuis zit te kletsen, kun je me bijna niet verstaan. Zo Ernems praat ik. Ik vind het leuk om mensen op de kast te jagen met het dialect. Dan zeg ik dat het bier ‘helemaal niet duur kost’, terwijl ik heus wel weet dat iets niet duur is of niet veel kost.’

De ouderdom van äör ontstaan uit aor in de drie stadsdialecten

In zijn dissertatie uit 1989 constateert Roeland van Hout dat in Kampen, Zwolle, Deventer, Arnhem en Nijmegen in jongere dialect-enquêtes –äör opgegeven wordt, terwijl deze variant van –aar in de Nijmeegse, eind negentiende-eeuwse, enquêtes van Willems (1879) en Kern (1887) niet aangetroffen wordt. Voor het Zwols heeft Philomène Bloemhoff overtuigend aangetoond dat de ao in het Zwols omstreeks 1870-1875 veranderd is in äö.

Tussen genoemde steden bestaat nog een punt van overeenkomst: de uitspraak van de r  als huig-r. Die uitspraak is eveneens waarschijnlijk ontstaan onder invloed van het ‘Hollandsch’. Zo stelt Weijnen al in 1966 vast dat steden opvallend vaak de huig-r verkiezen boven de tong-r en dat vooral kleine stadjes vaak in de omgeving bekend staan als ‘brouwend’. Als voorbeeld voegt hij daaraan toe: ‘Zo wordt er gebrouwd in de steden van de IJsselstreek van Zwolle tot Arnhem, Venlo, Kampen, Lochem, Ravenstein en Nijmegen.’ In overeenstemming daarmee is, dat Winkler in 1874 vermeldt dat de steden Arnhem – volgens hem ‘lustoord van Nederland’ – Nijmegen, Zwolle, Kampen, Zutphen, Doetinchem en Doesburg – in de invloedsfeer van het ‘Hollandsch’ geraakt zijn.

In de mondelinge contacten met de twee medesamenstellers van Zutphens: klip en kläör was destijds frappant dat zij zeker niet iedere aar-combinatie realiseerden als äör. Vooral oor was bij hen nogal eens te horen. In het woordenboekdeel van die publicatie blijkt dit ook: zo treffen we o.a. aan: lantaeren/lan’teren, mekaer(e)/mekare, ’n naer blaag, raere sprongen in plaats van lantäören, mekäör(e), ‘n näör blaag, räöre sprongen. In dit verband is het opmerkelijk dat de leden van de voormalige WALD-werkgroep Zutphen (allen geboren omstreeks 1925) zich niet konden voorstellen dat zij in hun jeugd niet steeds äö-klanken hoorden. Ook Van Houts informanten beschouwen de äör overigens als typerend kenmerk van hun dialect.

Uit wat in de vorige paragraaf geschreven is, blijkt dat voor de Arnhemmer die tegenwoordig dialect spreekt, äör geen onderscheidend element meer is, want geconstateerd is dat tegenwoordig onder authentiek Arnhems vooral verstaan wordt in het Standaardnederlands niet gebruikelijke  woorden als klóówte, maen ‘mijn’,  waerm ‘warm’, vlaes ‘vlees’ en grammaticale uitdrukkingen als kost duur en nooit niks.

Dat äör in de jaren 1980 nog wel degelijk gebruikt werd, blijkt uit het voorkomen van mäör in dit zinnetje dat Brandt vermeldt maar dat niet op zijn goedkeuring kan rekenen: ‘Doen maen mäör ’n broowtje waerm vlaes.’

Om te kunnen vaststellen hoe productief de vervanging van aar door äör is, is de RND-enquête, waarvan de opnamen gemaakt zijn tussen 1950 en 1975, het meest geschikt. Het blijkt dat in de jaren na de Tweede Wereldoorlog in de IJsselsteden Kampen, Zwolle, Deventer en ook in Arnhem äör voor aar veelvuldig voorkomt; alleen in Zutphen is äör niet genoteerd.

De RND-zinnen in het Arnhems geven aan dat er in 1950 onderscheid is tussen het dialect van de binnenstad (waar jäör, däör gezegd wordt) en dat van de volkswijk Klarendal, waar toen de oudere klank ao (jaor en daor) nog te horen was. Interessant is dat de Arnhemse zegslieden soms aangeven dat er binnen de gemeente verschillen in uitspraak zijn. Zij merken namelijk vijf keer op dat in het dialect van de binnenstad kläör (‘klaar’), jäör (‘jaar’), däör (‘daar’) en wäör (‘waar’) gezegd wordt, waar in het dialect van Klarendal die woorden dan met een ao uitgesproken worden: klao(r), jao(r), dao(r), wao(r). Daaruit kan geconcludeerd worden dat het dialect, dat in Klarendal gesproken wordt, conservatiever is dan dat van de binnenstad. Ook in Nijmegen blijkt de binnenstad gevoelig voor de nieuwe ontwikkeling, terwijl kerkdorpen als Hatert en Neerbosch er niet gevoelig voor zijn.

Voor inwoners van plaatsen rond Arnhem is wel weer significant dat zij äör (jäör)evenals overigens er (merk(t)) beoordelen als typisch Arnhems; zijzelf immers zeggen jaor en markt; zie daarvoor ook de volgende paragraaf.

Van Hout – hij noemt äör een gestigmatiseerd verschijnsel –  is er niet van overtuigd dat de ontwikkeling aar => äör alleen verklaard kan worden uit de omstandigheid dat zij zich verbreid heeft via onderlinge contacten tussen de genoemde steden. Hij pleit ervoor om ter verklaring ook rekening te houden met het feit dat stedelijke dialecten meer openstaan voor de invloed van het Standaardnederlands dan de dialecten van de omliggende dorpen. Zo stelt hij dat onder invloed van de standaardtaal de huig-r terrein wint waardoor de voorafgaande klinker ao meer voor in de mond uitgesproken wordt en zo tot äö transformeert.

Uit zijn onderzoek blijkt ook dat bij de oudere informanten, als een compromisvorm, een tussenvariant voorkomt: aer. Die tussenvariant is in het Zutphens heel productief: notabele Zutphenaren mijden äör. Verwacht zou worden dat zij hun toevlucht zouden zoeken tot de standaard aa, maar vaker realiseren zij daar aer. In twaalf van de zestien zinnen in het RND-materiaal waarin aar voorkomt, wordt in het Zutphens oor genoteerd, voor ‘maar’ twee keer de variant mó (genoteerd als ɔ; ‘als in Ndl. bos’)en een keer de variant mò (genoteerd als Ʊ; ‘als in Ndl. bom’). In beide andere steden zijn de laatste twee klanken niet opgegeven. De uitspraak mar “maar” komt in Nijmegen drie keer voor, terwijl in het Arnhems aar drie keer vermeld wordt en in het Nijmeegs maar een keer. Wel is in het Arnhems een keer mer ‘maar’ genoteerd, terwijl de sjwa er twee keer in voorkomt en in Nijmegen en Zutphen een keer.

De dialecten van Nijmegen, Zutphen en Arnhem in de belevenis van inwoners uit omliggende plaatsen

Hiervoor is al opgemerkt dat inwoners van plaatsen rond Arnhem markt zeggen waar inwoners van Arnhem het over merk(t) hebben. En dat is dan weer aanleiding om dit verschil in klank in een spotzinnetje te accentueren, zeker ook als de markt ook nog een varkensmarkt blijkt te zijn.

Hoort iemand uit Driel Arnhems praten, dan kan hij dus gekscherend als commentaar geven: ‘In Errenem op de verrekesmerkt verkope ze verrekes met lange sterte.’

In Westervoort heet het: ‘We gaon näör de vaerrekesmaerk’ als ze in Arnhem gaan markten. Daarin wordt niet alleen de combinatie aer op de korrel genomen maar ook de combinatie äö voor r.

Het Nijmeegs kent spotzinnetjes waarin deze beide verschijnselen zich ook voordoen: Berst, Bertje, däör hed ik haost mien perreplu in de Herremenie laoten staon; de Herremonie is de concertzaal aan het Keizer Karelplein. Twee varianten zijn: ‘Bers, Bertje, däör hejje ‘m ok met zien segäör van ’n kwertje’ en ‘Berst met je wörs van ‘n kwertje.’

De äör wordt gepersifleerd in deze zinnetjes: ‘Kiek däör, wah räör, ze kusse mekäör op ’t trottwäör achter die piläör; kiek däör, wah räör, däör achter die piläör, däör kusse ze mekäör; Kiek däör! Wäör? Däör!’ en: ‘Kiek näör je eige!’

In Empe karakteriseren ze het dialect van de Hoven – gelegen aan de IJssel tegenover Zutphen – zo: ‘Däör komt de jonges uut de Häöve; dat könt zelfs de stadsen neejt geläöven.’ Daarbij moet wel worden aangetekend dat de karakterisering deels misleidend is. Want Häöve is namelijk de klankwettige meervoudsvorm van hof en dus niet een variant ontstaan uit aar. En in èn ‘t Häöves èn het Zutphens wordt niet geläöven gezegd, maar geleuven! Maar, zou een Achterhoeker déze zin horen: ‘Wie späören mäör gebruken geejn späörpot’, dan beseft hij onmiddellijk dat hij met een Zutpheneejs (een geboren en getogen inwoner) en niet met een Zutphenaer (een “import” inwoner) te maken heeft. Een Zutphenaer zou immers gezegd hebben: ‘We spaeren maer hebben geejn spaerpot.’

De dialecten van Nijmegen, Zutphen en Arnhem; onderling vergeleken

Moge oppervlakkig gezien de Kleverlandse dialecten van Nijmegen en Arnhem veel overeenkomst vertonen, terwijl het Nedersaksische Zutphens vanouds altijd al als een ander dialect beschouwd is, in de loop van de laatste anderhalve eeuw zijn de onderlinge verschillen tussen die drie stadstalen steeds groter geworden. Daarbij spelen verschillen historische en sociale factoren een rol. Gedacht moet worden aan de negentiende eeuwse industrialisatie waarmee de steden te maken kregen en de grotere mobiliteit door de aanleg van spoorlijnen: Arnhem werd in 1845, Zutphen in 1865 en Nijmegen in 1879 per trein bereikbaar. Ook de vernielingen tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben, niet alleen in Arnhem, gevolgen gehad.

Hagen constateert dat Nederlandse stadsdialecten positiever gewaardeerd worden naarmate ze taalkundig duidelijker afwijken van de standaardtaal. Dat is in hoge mate van toepassing op het Arnhems. Immers, het dialect dat thans (nog) in de Gelderse hoofdstad gebruikt wordt, wijkt minder af van de Standaardtaal dan de dialecten die in omliggende plaatsen (nog) te horen zijn: die zijn conservatiever. Gevolg: de waardering voor het Arnhems is laag.

Dat de waardering voor het Nedersaksische Zutphens tot in het begin van de twintigste eeuw is blijven bestaan, heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat men besefte dat het Zutphens als onderdeel van het Nedersaksisch vanouds tot een andere taalgroep behoort dan het Nederlands. Dat bovendien prominente inwoners van Zutphen zoals Ludolph baron van Heeckeren van Waliën zich wijdden aan streektaal – hij vertaalde in 1859 het Evangelie van Johannes in ‘Plat-Zutphensch’ – toont eveneens aan dat nog geen sprake is van het dedain dat zich in de loop van de twintigste eeuw ook in Zutphen ontwikkelde. Toch is in de beslotenheid van de deftige Groote of Oranje Sociëteit rond 1915 de rol van het Zutphens nog niet uitgespeeld. Vooral na de Tweede Wereldoorlog echter is de appreciatie voor het Zutphens verdwenen en tegenwoordig is zij niet veel hoger dan die in Arnhem voor het Arnhems.

Bij het stadsdialect van Arnhem speelt een rol dat de Arnhemse samenleving van oudsher het meest te maken heeft met invloed uit Holland; daar is het Gelderse bestuurscentrum immers gevestigd. Dat heeft een extra grote invloed gehad op het stadsdialect van de hoofdstad. Het verklaart waarom in de beleving van mensen die zich ‘echte Ernhemmers’ noemen niet het verschil tussen stads- en streektaal een rol speelt – wij zeggen jäör en merkt en “hun” jaor en markt – maar dat zij hun taal vergelijken met het op school geleerde Standaardnederlands: daarin is dat kost duur fout, maar voor een Ernhemmer is dat dus ‘ech Ernhems.’ Dialectologisch een heel interessant fenomeen, want de twee richtingen in de dialectologie ontmoeten elkaar hier: de traditionele/areaallinguïstische richting die zich bezighoudt met plaatselijke verschillen en de sociolinguïstische richting die vooral kijkt naar sociale invloeden.

Slotbeschouwing

Wanneer we de stadsdialecten van Nijmegen, Zutphen en Arnhem met elkaar vergelijken, blijkt dat de onderlinge verschillen in de afgelopen anderhalve eeuw zijn toegenomen. Historische en sociale factoren, zoals industrialisatie, mobiliteit en oorlogsschade, hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld. Tegelijkertijd laat de huidige situatie zien dat waardering voor een stadsdialect niet alleen afhankelijk is van taalkundige afstand tot de standaardtaal, maar ook van sociale factoren en culturele verankering.

Het Nijmeegs mag zich tegenwoordig verheugen in de grootste belangstelling. Juist daarom is  het zeer teleurstellend dat het gemeentebestuur van Nijmegen in 2025 een verzoek van de Stichting Gelders Kleverlands om een financiële startbijdrage beschikbaar te stellen, heeft afgewezen, omdat het doel van de stichting – erkenning van het Gelders Kleverlands – geen betrekking zou hebben op het doen en laten van de burgers van Nijmegen.

Nog teleurstellender is dat de stichting op een gelijk en herhaald verzoek aan het gemeentebestuur van Arnhem geen enkele reactie kreeg, zelfs nog geen ontvangstbevestiging!

Geraadpleegde literatuur

–  Berns, Jan en Harrie Scholtmeijer ‘Dialectonderzoek in Gelderland’, in: Jaarboek Gelre XCVI (2005), 215-230.

–  Bloemhoff, Philomène Anderhalve eeuw Zwols. Vocaalveranderingsprocessen in de periode 1838-1972 (Kampen 2012).

–  Brandt, Maarten ‘Het Ernhems en de identiteitscrisis’ in: Arnhem de Genoeglijkste (jr. 2, nr. 3; 1982) 27-31.

–  Frijhoff, W. Th. M. (et al.) Geschiedenis van Zutphen (Zutphen 1989), 306.

–  Hagen, A.M. ‘Inleiding Stads praten naar rang en stand’, in: Joep Kruijsen en Nicoline van der Sijs Honderd jaar stadstaal (Amsterdam/Antwerpen 1999) 15-24.

–  Heijting, Dionne ‘Edwin heeft ‘de Rijn, de fles, de hoer en Vites’op zijn lijf’ in: De Gelderlander katern regio Arnhem; rubriek In de buurt, 29 september 2023.

–  Hout, R. van De structuur van taalvariatie. Een sociolinguïstisch onderzoek naar het stadsdialect van Nijmegen (Dordrecht 1989).

–  Hout, Roeland van ‘De Nijmeegse stadstaal; honderd jaar dialectontrouw aan de Waal’, in: Joep Kruijsen, Nicoline van der Sijs (red.) Honderd jaar stadstaal (Amsterdam/Antwerpen 1999), 75-85.

–  Mourigh, Khalid ‘Straattaal is een spel’ in: NRC Wetenschap W15, 23/24 augustus 2025.

–  Schaars, A.H.G. ‘Uw spraok verraodt u’ in: Aan taal herkend, het bewustzijn van dialectverschil, onder redactie van Veronique De Tier en Reinhild Vandekerckhove (Groesbeek 2003) 145-153.

–  Schaars, Lex ‘Zutphens, Zutphenezen, Zutphenaeren’, in: Joep Kruijsen, Nicoline van der Sijs (red.) Honderd jaar stadstaal (Amsterdam/Antwerpen 1999), 87-101.

–  Schaars, Lex ‘Ernhems, onderdeel van het Gelders Kleverlands’, in: Arnhems Historisch Tijdschrift (jr. 43, nr. 4; 2023) 215- 220.

–  Schaars, Lex ‘Het Nijmeegs en het Kleverlands’ in: Nijmeegs Katern jr. 39, nr. 1 (februari 2025), p. 9-12.

–  Schaars, Lex en Frans van Gorkum ‘Het verhaal van de Gelderse dialecten’ in: Jaarboek Gelre 2026, 183-218.

–  Verhoeven, Dolly e.a. Het verhaal van Gelderland (Amsterdam 2022); 4 delen.

–  Voortman, Berber Regionale variatie in het taalgebruik van notabelen (Amsterdam 1994).

–  Weijnen, A.A. Nederlandse dialectkunde (Assen1966).

–  Willemsen-Häöveling, Gerrie, Gerrit Bril en Lex Schaars Zutphens: klip en kläör; Telgen van ’t WALD 15 (Doetinchem 2023).

Delen:

  • Klik om af te drukken (Opent in een nieuw venster) Print
  • Klik om dit te e-mailen naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
  • Klik om te delen op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
  • Klik om te delen op WhatsApp (Opent in een nieuw venster) WhatsApp
  • Klik om te delen op Telegram (Opent in een nieuw venster) Telegram
  • Klik om op LinkedIn te delen (Opent in een nieuw venster) LinkedIn

Vind ik leuk:

Vind-ik-leuk Aan het laden...

Gerelateerd

Categorie: Artikel Tags: dialect, dialectologie, Gelderland, taalkunde

Lees Interacties

Laat een reactie achterReactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Primaire Sidebar

Gedicht van de dag

Daria Lysenko • Vissen en papegaaien

Mijn dichtervriend uit Oekraïne
haalt soms oude herinneringen op,
we concentreren ons niet op de Hollanders,
en gek genoeg evenmin op de poëzie.

➔ Lees meer

Bekijk alle gedichten

  • Facebook
  • YouTube

Chris van Geel

VLINDERS TE LUISTEREN GELEGD

Om de vlinders te vertellen van de winter,
het in vliesdun ijs gevangen bladerloze,
hulden struiken zich in zwijgen om het waaien
stof te geven, om de stilte stil te laten.

Bron: Dierenalfabet, postuum gepubliceerd, 1978

➔ Bekijk hier alle citaten

Agenda

16 januari 2026: Tweede studiemiddag Forensische taalkunde

16 januari 2026: Tweede studiemiddag Forensische taalkunde

4 januari 2026

➔ Lees meer
9 januari 2026: In de eerste Literaire Hemel van 2026 draait het om taal

9 januari 2026: In de eerste Literaire Hemel van 2026 draait het om taal

1 januari 2026

➔ Lees meer
15 jannewaris 2026: Lunchlêzing | ‘Komt Heit hast yn?’

15 jannewaris 2026: Lunchlêzing | ‘Komt Heit hast yn?’

30 december 2025

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle agendapunten

Neerlandici vandaag

Geen neerlandici geboren of gestorven

➔ Neerlandicikalender

Media

Gesprek met dichter Liesbeth D’Hoker

Gesprek met dichter Liesbeth D’Hoker

5 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
Hebban Olla Vogala

Hebban Olla Vogala

4 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
‘Alsof ik een vulkaan lees’

‘Alsof ik een vulkaan lees’

3 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle video’s en podcasts

Footer

Elektronisch tijdschrift voor de Nederlandse taal en cultuur sinds 1992.

ISSN 0929-6514
Bijdragen zijn welkom op
redactie@neerlandistiek.nl
  • Homepage
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Over Neerlandistiek
  • De archieven
  • Contact
  • Facebook
  • YouTube

Inschrijven voor de Dagpost

Controleer je inbox of spammap om je abonnement te bevestigen.

Copyright © 2026 · Magazine Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in

  • Homepage
  • Categorie
    • Voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal Neerlandistiek
  • Over Neerlandistiek
  • Contact
 

Reacties laden....
 

    %d