
Wat is de mens? Wat maakt ons anders dan andere dieren? Er moet iets zijn wat ons anders maakt, iets dat op zijn minst kan verklaren hoe wij als soort zo’n gigantisch stempel op het klimaat drukken, en dat binnen slechts een paar duizend jaar, en dat begrijpelijk maakt hoe wij op zo’n grote, soms zelfs industriële schaal, andere dieren zijn gaan domineren.
Het is de vraag van het nieuwe boek van Rens Bods, Het unieke dier (dat is de titel van het boek, niet een bijnaam van Rens Bod), waarin hij een grote hoeveelheid onderzoek over mogelijke verschillen op een rijtje zet: mensen zouden zelfbewustzijn hebben, of godsdienst, of moraal, of taal, of technologie. Uit al dat onderzoek blijkt, in ieder geval in Bods samenvatting, dat er andere dieren zijn die gedrag vertonen waaruit óók blijkt dat ze over minstens de rudimenten van zulke eigenschappen beschikken – en er is natuurlijk ook nog veel onderzoek niet gedaan. Alleen hebben mensen in veel gevallen net iets anders: ze kunnen niet alleen vertellen, maar raamvertellingen maken waarin andere vertellingen voorkomen, ze kunnen nadenken over hun eigen gedrag, maar ook over hoe anderen dat zullen percipiëren, en hoe ze zelf die perceptie dan weer beoordelen. Ze kunnen gedachten hebben, maar ook nadenken over het feit dat ze die gedachten hebben.
Onbeslist
De crux is in al die gevallen recursie, zegt Bod, de matroesjka-eigenschap: je kunt een poppetje in een ander poppetje plaatsen, en daarbinnen weer een ander poppetje, dat ook weer een poppetje bevat. Waar andere dieren prachtig textiel hebben, dat ze op allerlei manieren vooruithelpt, werkt die recursieve eigenschap van de menselijke geest als een tentstok die er ineens een bouwwerk van maakt.
De gedachte is heel interessant, en Bod werkt hem op een verbluffend erudiete en intelligente manier uit, maar hij is ook niet helemaal nieuw – en dat beweert Bod ook niet. Het cultboek Gödel, Escher, Bach van Douglas Hofstadter was op die bewering gericht, en ook een taalkundige als Noam Chomsky zegt dat recursiviteit het definiërende kenmerk is van menselijke taal. Alleen mensen kunnen zinnen (Jij liegt) inbedden in andere zinnen (ik denk dat jij liegt) die we zelf weer inbedden in andere zinnen (Angela denkt dat Barbara denkt dat Constantijn denkt dat ik denk dat jij liegt): dat is recursie in optima forma.
Hij richt het daarbij op taal, maar sluit ook niet uit dat die recursiviteit vervolgens elders in de menselijke geest heeft ingezet. Het belangrijkste verschil is dan dat Bod die recursiviteit meer loskoppelt van taal; maar omdat hij (evenmin als Hofstadter of Chomsky) een duidelijk verhaal heeft over hoe de menselijke geest aan die recursiviteit is gekomen, lijkt me deze kwestie onbeslist.
Pardon
Er zijn natuurlijk ook andere verschillen, die Bod wel noemt maar niet echt in zijn verhaal integreert. Neem de opponeerbare duim, die we weliswaar met chimpanzees delen, maar die bij de homo sapiens veel preciezer werk kan doen – dat heeft niet veel met recursie te maken. Of het feit dat wij rechtop lopen. De enige eigenschap die mensen over de hele wereld hebben, en geen enkele diersoort, het enige absolute verschil, is de beheersing van het vuur. Dat heeft ons natuurlijk heel veel gebracht. Bod bespreekt dat wel uitvoerig, inclusief de antropologische literatuur over volkeren die deze beheersing mogelijk niet hebben gehad, maar relateert het niet echt aan die recursieve eigenschap.
Hoe dan ook lijkt me Bods boek de aanleiding voor een nieuwe integratie van veel onderzoek dat op de mens gericht is. Ondanks zijn gigantische hoeveelheden voorbeelden is het geloof ik niet moeilijk er nog meer te vinden. Stephen Levinson liet in zijn recente boek The Interaction Machine zien dat we recursie in menselijke taal misschien nog wel eerder vinden in de vorm van gesprekken dan in zinsbouw. Die ingebouwde zinnen van Chomsky zijn misschien wel een vooral een eigenschap van schriftelijke culturen, terwijl mensen over de hele wereld, blijkens Levinsons onderzoek, gesprekjes recursief opbouwen. Neem het volgende reële dialoogje (door mij voor mijn bespreking in juni vertaald), tussen een Medewerker van een broodjeszaak (M) en een klant (K):
M: ‘Volgende’ ← Verzoek om bestelling
0 K: ‘Rosbief op roggebrood’ ← Bestelling
1 M: ‘Mosterd of mayonaise?’ ← Verzoek
2 K: ‘Pardon?’ ← Reparatie op 1
3 M: ‘Wat?’ ← Reparatie op 2
3 K: ‘Pardon?’← 3 is nu gerepareerd
2 ‘Ik verstond niet wat u zei’ ← 2 is nu gerepareerd
1 M: ‘Wilt u mosterd of mayonaise?’ ← 1 wordt herhaald
K: ‘Graag mosterd.’ ← 1 wordt beantwoord
0 M: ((levert)) ← Uitvoering van de bestelling
De nummers geven hier reacties op elkaar: M reageert aan het eind van dit fragmentje op de bestelling (0) van K door een broodje te smeren. Maar eerst stelt ze zelf een vraag waardoor het mogelijk wordt dat te doen: ‘Mosterd of mayonaise?’ De K kan op die vraag niet antwoorden omdat ze het niet heeft verstaan. Dus doet ze een zogeheten ‘reparatiestarter’ (‘Pardon’). Maar daar kan M weer niet op reageren omdat ze die op haar beurt niet begrepen heeft.
De nummers (en het inspringen laten zien): voordat 0 kan worden beëindigd, moet eerst 1 worden gedaan, maar daarvoor is weer eerst 2 nodig en daarvoor dan weer eerst 3. Kennelijk houden beide sprekers een administratie bij van waar ze zijn: de bestelling blijft de hele tijd ergens staan, maar ook verder weten beide precies waar ze zijn. Ze zijn zich vermoedelijk niet eens op de hoogte van hoe ingewikkeld het is wat ze aan het doen zijn. Toch is ook dit pure recursie – het zou aardig zijn eens te onderzoeken hoe goed chatbots hierin zijn. (Bod wijst er terecht op dat recursie enorm kostbaar is voor computers, en dat dit mogelijk een cruciale component is die daarom in de huidige generatie chatbots ontbreekt.)
Ik vind het overigens opvallend dat dit, toch betrekkelijk eenvoudige, voorbeeld ontbreekt. Dat is vermoedelijk een keerzijde van zijn methode om vooral heel veel literatuur bijeen te brengen: nuances raken daarbij soms uit zicht. Dat recursie centraal staat in het menselijk taalvermogen, terwijl tegelijkertijd tal van aspecten van menselijke taal worden gedeeld met andere dieren, is geen nieuw inzicht maar in mijn beleving al decennia lang de heersende opvatting: natuurlijk heeft menselijke communicatie van alles gemeen met dierencommunicatie, maar wat het uniek maakt is recursie.
Bods redenering lijkt te zijn: dat taalkundigen als Chomsky zeggen dat dieren geen taal hebben omdat ze geen recursie hebben, is onterecht. Dieren hebben wel taal, maar dan zonder recursie. Ik ervaar dat als een woordenspel: die andere taalkundigen erkennen natuurlijk óók dat menselijke taal eigenschappen gemeen heeft met andere dierencomunicatie. Natuurlijk kun je taal op allerlei manieren afbakenen, maar ik zie eigenlijk niet waarin Bod dan anders denkt dan Chomsky.
Aanvullend
Ik voor mij denk dat het veelzeggend is dat het gesprekje hierboven een sociaal voorbeeld van recursie is: één scenario dat zich niet ontrolt in één hoofd, maar in twee. Veel voorbeelden van recursie hebben dit karakter. Belangrijk voor de menselijke psyche is dat ik weet dat jij weet dat ik weet dat jij dit weet, en dat ik dit daarom niet hoef uit te leggen. Mensen zijn voortdurend bezig elkaars geestestoestand in te schatten, inclusief van wat de ander denkt van die geestestoestand. Die sociale dimensie van recursie lijkt me de moeite van nadere bestudering waard. Ook de beheersing van het vuur is bijvoorbeeld in de westerse samenleving allang geen individuele eigenschap meer – wie niet bij scouting heeft gezeten, weet niet hoe een vuurtje te maken – maar uitbesteed aan de samenleving. De mens is een dier dat van alles uitbesteedt.
Intrigerend is in dat verband de vraag hoe Bod dit boek heeft gedaan, dat leunt op zo’n reusachtige hoeveelheid ander onderzoek (dat zelf ook weer op ander onderzoek leunt, en zo verder). Hij suggereert een paar keer dat zijn ervaring als hoogleraar Digital Humanities hem heeft geholpen om automatisch patronen te vinden in de grote hoeveelheden onderzoeksgegevens, maar ik snap niet hoe hij dat dan gedaan heeft. Ja, computers zijn handig om te zoeken in de gigantische hoeveelheid onderzoeksliteratuur, maar ik kan me nauwelijks voorstellen dat je dit allemaal kunt doen zonder vooral zelf enorm veel te lezen, en te puzzelen, en na te denken, en patronen te vinden.

Rens Bod. Het unieke dier. Op zoek naar het specifiek menselijke. Prometheus, 2025. Bestelinformatie bij de uitgever
Dank je wel Marc. Ik was nog niet aan de lectuur toe gekomen. Een mens moet alles lezen wat Bod schrijft.
Ik denk, dat je niet alles moet lezen om tot dezelfde Bods recursieve te geraken. Immers het binnenbrein is biljoen keer beter dan wat op papier komt. Freud bewees dit al met zijn wiederholungszwang. De associaties komen met stromen het bewustzijn binnen en na een selectie kun je beslissen het te verdrijven of uit te breiden. Vandaar dat mensen instaat zijn te vergeten. Bods boek is het bewijs van zijn kunde en meer ook niet. Hij wordt er dik voor betaald. De homo ludens “beleefd” wat zijn binnenbrein aan cursieve te bieden heeft, dat miljoenen maal beter is dan het papier bewijst en dat de wetenschap zelf onderdeel uitmaakt van zijn bevindingen. Ik denk wat jij denkt dat jij denkt dat ik denk velen malen beter kan. Helaas zal daar de biologie hierover beslissen. Leven het binnenbrein.