
God, gezin en vaderland luidt de titel van de biografie van Nicolaas Beets, geschreven door Scaliger-hoogleraar Rick Honings, met als ondertitel: De eeuw van Nicolaas Beets 1814-1903. Een goede aanleiding om naar Haarlem, de geboorteplaats van Beets, af te reizen om de biograaf te ontmoeten. Vanuit Grand Café Brinkmann kijken we uit op de Grote Markt. ‘Dit was het terrein van de jonge Beets,’ zegt Honings. ‘Daar rechts ligt de Koningstraat waar zijn geboortehuis stond. Erachter, vlakbij, in de Jacobijnestraat, ging hij naar de Latijnse School. En hier liep hij over de Grote Markt naar de Sint Bavokerk.’ Het huidige decor leent zich er nog steeds voor de verbeelding alle ruimte te geven.
De dikke, gebonden en rijk geïllustreerde biografie, met leeslint, ligt op tafel. ‘Ik had nog wel meer illustraties willen opnemen,’ zegt Honings. ‘Er zijn zoveel documenten, brieven, afbeeldingen, voorwerpen.’ Hij had bij het schrijven van de biografie talrijke bronnen tot zijn beschikking. Zo zijn er eerder al biografieën verschenen van Beets, de populaire, bekende Nederlander van de negentiende eeuw. Johannes Dyserinck publiceerde in 1903 de levensbeschrijving Dr. Nicolaas Beets, een jaar later gevolgd door Herinneringen aan Nicolaas Beets in woord en beeld (1904). Twee jaar later verscheen Het leven van Nicolaas Beets (1906) van Pierre Daniel Chantepie de la Saussaye, die net als Dyserinck Beets persoonlijk had gekend. Vier jaar later kwam het eerste deel uit van Nicolaas Beets (1910-1919) van Gerrit van Rijn.
Wat is er nieuw aan deze biografie van Beets?
De eerdere werken over Beets bevatten veel informatie uit de eerste hand en zijn om die reden nog altijd waardevol, maar ze voldoen niet aan de eisen die aan een moderne levensbeschrijving worden gesteld, zoals controleerbaarheid, bronnenkritiek en een strikte scheiding van feiten en interpretatie door de biograaf. Bovendien is na de inventaris van de Leidse Beets-collectie in 2003 zijn immense archief toegankelijk geworden. Maar veel is nog niet onderzocht. De late Beets, de predikant, hoogleraar en dichter, is in het literair-historisch onderzoek veronachtzaamd. Ik wilde de totale Beets laten zien. Ik heb me altijd geërgerd aan het idee van ‘het probleem Beets’, dat in de letteren rondwaart: dat alles na de Camera Obscura niets meer voorstelt. Hij heeft als persoon, predikant en dichter des vaderlands na 1839 nog veel voor Nederland betekend. Voor mij bestaat ‘het probleem Beets’ niet. Neem al die gedichten die hij heeft geschreven. Korenbloemen uit 1853 en al die bundels daarna.

In de proloog van God, gezin en vaderland noem je Beets een aantrekkelijke figuur voor een biografie, omdat er zoveel van en over hem is overgeleverd.
Hij verzamelde van alles en nog wat in zijn persoonlijke archief, dat na zijn dood in Leiden is terechtgekomen: van stukken uit zijn studententijd tot lijsten van preekbeurten, van reisdocumenten tot een haarlok van zijn overleden vrouw. Verder zijn er stapels brieven, documenten, aantekeningen, manuscripten, portretten en foto’s. In de Beets-collectie worden ook persoonlijke objecten van Beets bewaard, zoals een paar kinderschoentjes uit zijn jeugd, een ganzenveer, een haarlok van zijn overleden vrouw en de wandelstok van zijn zoon. Die Beets-collectie, die in Leiden berust, is een ongekend rijke bron voor onderzoek. Door de nauwkeurigheid waarmee Beets zijn rijke, persoonlijke archief beheerde, is hij niet alleen een chroniqueur van zijn eigen leven, maar van de hele negentiende eeuw in Nederland. Hij heeft talloze gedichten met verwijzingen naar de actualiteit van die dagen geschreven. Of het nu gaat om de Belgische Revolutie (1830-1831), de invoering van de grondwet van 1848, de Aprilbeweging in 1853, discussies over het kolonialisme, de afschaffing van de slavernij of vrouwenemancipatie, Beets liet zich erover uit.
Dat betekent selecteren. De chronologisch-topografische indeling van de biografie in de delen Haarlem, Leiden, Heemstede, Utrecht, opgesplitst in de vroege en de late jaren, is heel overzichtelijk. Was dat schema vanaf het begin duidelijk?
Tijdens het schrijven van een projectplan van de biografie kwam ik op het idee van de plaatsen die een belangrijke rol in het leven van Beets hebben gespeeld. Heiloo, waar de vrouw van Beets vandaan komt, speelt wel een belangrijke rol in de biografie. Maar deze plaats is onder Leiden en Heemstede ondergebracht. Het risico van deze indeling is wel dat het deel Leiden te lang zou worden tegenover andere delen. Er was zoveel informatie over Leiden. Alleen al zijn dagboek van 1833 tot 1836, waarin hij meerdere keren per week schreef. In Utrecht heeft Beets van 1954 tot zijn dood in 1903 gewoond. Bijna vijftig jaar. Om die reden is dat deel in tweeën gesplitst.
De ondertitel ‘De eeuw van Nicolaas Beets’ lijkt erop te wijzen dat de biografie wel sterk naar de historische kant is doorgetrokken.
Ik vond het een interessante gedachte dat Beets op zijn achttiende in Haarlem in de trekschuit stapte en aan het eind van zijn leven in Utrecht de eerste auto’s voorbij zag rijden. Via Beets kon ik de negentiende eeuw laten zien en tot leven wekken. Door wat ik allemaal aan materiaal over en van Beets zelf aantrof, is het perspectief vanuit de geschiedenis, het oorspronkelijke plan, naar mijn gevoel meer de kant van Beets opgegaan, waardoor het meer een biografie is geworden dan ik aanvankelijk dacht. Ik kijk vooral waar Beets naar keek. Daarom komt bijvoorbeeld een thema als kinderarbeid niet aan bod.
Een goed selectiecriterium voor een biografie.
Het uitgangspunt van dit boek is Beets’ leven te beschrijven in wisselwerking met zijn omgeving. De schrijver zat als een spin in het web van de negentiende-eeuwse maatschappelijke, religieuze en culturele wereld, en ging om met de belangrijkste mensen van zijn tijd. Dat blijkt wel als je ziet met wie hij allemaal correspondeerde. Beets’ statuur wordt ook duidelijk uit het album amicorum dat hij in 1884 bij zijn zeventigste verjaardag als geschenk ontving. Het is een staalkaart van de Nederlandse samenleving van de tweede helft van de negentiende eeuw. Het gaat me er niet om zijn exacte positie te bepalen in de ideeën- of kerkgeschiedenis, maar om door de lens van Beets de wereld van toen in beeld te brengen.

Het bekendste werk is natuurlijk de Camera Obscura uit 1839, dat hij aan het eind van zijn studententijd op vijfentwintigjarige leeftijd schreef onder het pseudoniem Hildebrand.
De Biedermeiercultuur heeft Beets sterk beïnvloed, al dreef hij er in zijn Camera Obscura ook liefdevol de spot mee. De burgerlijke wereld die hij daarin beschrijft, is de wereld die hij uit zijn eigen jeugd kende. Het boek verscheen in 1150 exemplaren en werd aanvankelijk door een klein publiek, vooral academici, gelezen. De tweede druk ook zoiets. Dan twaalf jaar later de derde druk. Pas in de tweede helft van de eeuw wordt het ook door de lagere stand gelezen. De hele natie herkende zich in dat boek. Uiteindelijk werd het boek dé bestseller van de negentiende eeuw. Door alle veranderingen die plaatsvonden was het voor de lezers ook een soort collectieve nostalgie naar een tijd die nog dichtbij lag, maar voorgoed voorbij was. Daarbij kwam dat Beets gezien werd als de ideale Nederlander. Godsvruchtig, vaderlandslievend, optimistisch. Een icoon van toenmalig Nederland.
Heel mooi in de Camera Obscura is de rivaliteit tussen Amsterdam en Haarlem, verbeeld in Robertus Nurks in ‘Een onaangenaam mens in den Haarlemmerhout’.
Mijn interpretatie is dat E.J. Potgieter voor deze Nurks model heeft gestaan. Ik vind dat heel voor de hand liggen. ‘Niet veel zaaks,’ zegt Nurks vaak. Dat zei Potgieter ook altijd. Er is altijd animositeit tussen Beets en Potgieter geweest. De ‘Mighty Pot’ zoals Beets hem spottend noemde. Daar staat tegenover dat Beets heel ijdel was en slecht tegen kritiek kon. De aanleiding was dat Potgieter in 1849 in De Gids het verschijnsel van de populariteit had besproken. Daarvoor waren volgens hem twee dingen vereist: bestudering van het Nederlandse verleden en sympathie voor het Nederlandse volkskarakter. Beets wilde aantonen dat Potgieter daar zelf, in zijn prozaverhaal Jan, Jannetje en hun jongste kind (1842), in tekortschoot. Daarin voert Potgieter de figuur van Jan Salie ten tonele, ‘de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken’. Dit jongste kind van Jan en Jannetje is in vergelijking met zijn broers, in de woorden van Beets, een ‘zoutzak van een vent’, zonder ‘pit of merg’. Beets vond Jan, Jannetje en hun jongste kind gekunsteld. Te weinig vanuit het gevoel geschreven. Niet vanuit het hart.

Beets komt overigens in deze biografie naar voren als een aangenaam en goed mens. Hij is weliswaar ijdel, vindt dat vrouwen in de keuken en bij de kinderen thuishoren, is conservatief, maar toch in tegenstelling tot de mannen van het Réveil, vóór katholiek onderwijs naast protestants onderwijs, al moet het daar wel bij blijven, maar na zijn Byron-epigonisme is hij zich steeds meer gaan toeleggen op zijn leven als predikant in relatie tot de mensen. Hij biedt veel troost en vertrouwen in tijden van ziekte en dood. Hoe kwam die verandering tot stand?
Na het lezen van één werk, The Anxious Enquirer After Salvation (1834) van de Engelse predikant John Angell James, waren hem de ogen geopend. Dat boekje, dat vele keren zou worden herdrukt en waarvan in Engeland honderdduizend exemplaren zouden worden verkocht, bevatte ‘praktische raadgevingen en een bemoediging voor de verontruste zoeker naar eeuwig behoud’. Toen hij dit werk tot zich nam, was Beets naar eigen zeggen de tegenpool van zijn vroegere ik geworden. Sindsdien stelde hij zijn leven in dienst van het evangelie. Door het lezen van James’ werk had hij een bekering beleefd en een soort Paulus-transformatie doorgemaakt. Beets reisde naar Londen om James te ontmoeten.
Niet meer leven voor de roem, maar voor God, gezin en vaderland dus. En de liefde.
In datzelfde jaar 1836 werd Beets verliefd op Alida (‘Aleide’) van Foreest, de kleindochter van de emeritus hoogleraar Johannes Henricus van der Palm. Zijn dochter Jacoba Elisabeth (Coos) was getrouwd met jonkheer Dirk van Foreest. Na 1833 woonde zij als weduwe met haar tien kinderen op het landgoed Nijenburg in Heiloo. Aleide was een van haar dochters. Opvallend is dat Beets op dat moment stopt met zijn dagboek. Er trad een nieuwe fase in. Een verhouding met de dochter van een adellijke familie gaf hem ook een bijna adellijke status. Zijn gevoeligheid voor die hogere stand komt ook duidelijk naar voren in zijn dichtstuk Guy de Vlaming uit 1837, waarin hij tot ergernis van zijn vrienden over een eigen adellijke afkomst fantaseerde. Het grootste deel van het dichtstuk is op Nijenburg geschreven.

Hij dicht wel lovend over zijn vrouw, maar zijn ideeën over vrouwen zijn oerconservatief.
Ze moeten zich vooral tot huishoudelijke taken beperken. Zich vooral niet als schrijver manifesteren. Ook in Bosboom-Toussaints Majoor Frans onderwerpt de vrouw zich uiteindelijk aan de man. Predikant Beets was niet voor een radicale verandering van de positie van de vrouw in de samenleving. Als student had hij zich denigrerend uitgelaten over geleerde vrouwen, die hij wegzette als ‘savantes’. In 1839, het jaar dat zijn Camera Obscura verscheen, verdedigde hij de mening dat vrouwen niet moesten schrijven. Deden ze dat wel, dan waren ze overlopers naar het vijandelijke leger en moesten ze doodgeschoten worden. Later gingen hij er genuanceerder over denken. Beets juichte de intellectuele ontwikkeling van de vrouw toe: ‘Hare volledige ontwikkeling, hare veelzijdige onderrichting, hare opvoeding tot zelfstandigheid wil men.’ Maar hij had weinig sympathie voor luidruchtige feministes als Betsy Perk en Mina Kruseman.
Van schrijver werd hij prediker, zou je kunnen zeggen. Als predikant was hij heel populair. Op latere leeftijd heeft hij zijn preken gepubliceerd onder de titel Stichtelijke uren, die gretig aftrek vonden. Hij heeft meer aan zijn preken verdiend dan aan de Camera Obscura. Waar gaan die preken over?
Toen hij in 1840 predikant werd in Heemstede behoorde hij tot de orthodoxe Réveil-groep van Da Costa van Groen van Prinsterer, Willem de Clercq. Na een paar jaar stapte hij daar vanaf en werd juist een heel gematigde figuur die pleitte voor verbroedering tussen protestanten en katholieken. Hij gaf de mensen zicht op het hiernamaals. Geen hel en verdoemenis, maar hoop. Mensen voelden zich gesterkt. Daarbij kwam dat er in die tijd niet zoveel te doen was. Dus voor een preek van de beroemde Hildebrand trok men erop uit, terwijl hij niet bekend stond als een goed spreker. Hij sprak vlak en vaak te zacht, maar zijn woorden kwamen aan.
Wat is uiteindelijk de betekenis van Beets voor de lezers van nu?
Het oordeel van Busken Huet en de Tachtigers is doorslaggevend geweest voor de wijze waarop we vandaag de dag naar Beets kijken. Tegenwoordig wordt van hem alleen nog de Camera Obscura gelezen, een nog altijd erg leesbaar boek. Ook mijn studenten moeten er nog altijd stukken uit lezen. Maar ook zijn poëzie is nog de moeite waard. Denk aan het gedicht ‘De moerbeitoppen ruischten’, dat hij op zeer hoge leeftijd schreef. Daarom heb ik naast de biografie ook een bloemlezing uit zijn gedichten samengesteld, die deze week verschijnt: In mijn dichten is mijn hart. Maar bovenal was Beets een icoon van zijn tijd en zijn archief een fantastische bron om de negentiende eeuw tot leven te wekken.
Na afloop lopen we nog even naar de plek van het geboortehuis van Beets in de Koningstraat. Het ouderlijk huis was al gesloopt. Het huidige pand staat in de steigers. Aan de gevel, tussen de steigerstangen door, is nog net de ijzeren plaquette te lezen. Witte letters tegen een donkergroene achtergrond. Een sterfjaar ontbreekt. Alsof hij nog leeft. En in zekere zin is dat ook zo.

Rick Honings. God, gezin en vaderland. Uitgeverij Prometheus, 2025. Bestelinformatie bij de uitgever.
Laat een reactie achter