Met een kort eerbetoon aan René Karst (echt heel kort, maak je geen zorgen)
Zelfs als je nooit op het gymnasium hebt gezeten, weet je dat de accusativus in het Latijn vrijwel altijd op een –m eindigt.
Let maar op.
Iedereen weet dat carpe diem Latijn voor ‘pluk de dag’ is. Het woord diem (‘dag’) is hier het lijdend voorwerp (dat wat geplukt moet worden) en staat daarom in de accusativus.
De bijbehorende nominativus, zeg maar de woordenboek-naamval, is dies. Zie bijvoorbeeld: dies natalis (‘geboortedag’) en dies irae (‘dag van woede’).
Ook na bepaalde voorzetsels gebruikt het Latijn de accusativus. Eén van die voorzetsels is ad (‘naar’). Iedereen kent de uitdrukkingen ad fundum (‘naar de bodem’, rust zacht René Karst), ad hominem (‘op de man af’) en ad rem (‘op de zaak af’) – uitdrukkingen met de accusativi van fundus, homo en res.

Dat deze accusativus-m geen Latijnse uitvinding is, wordt duidelijk als we een verwante, Indo-Europese taal erbij pakken. In het Sanskriet, de klassieke taal van India, eindigt de accusativus óók vrijwel altijd op een -m. Verwant aan het Latijnse res, accusativus rem, is het Sanskriet rayis, accusativus rayim (‘zaak, bezit’).
Waarschijnlijk is dus dat de gemeenschappelijke voorouder van deze twee talen, het Proto-Indo-Europees, een accusativusuitgang had die eruitzag als *-m. Die asterisk (dat sterretje) geeft aan dat het hier om een reconstructie gaat. De sprekers van het Proto-Indo-Europees hebben ons immers geen teksten nagelaten.
Deze *-m was zo’n essentieel onderdeel van het Proto-Indo-Europees dat er overal wel sporen van te vinden zijn. Bijvoorbeeld: in het Grieks veranderde deze *-m in een -n. Een relatief bescheiden aanpassing, want de m en de n liggen dicht bij elkaar en zijn allebei zogeheten nasale medeklinkers – medeklinkers die je produceert door lucht uit je neus te laten ontsnappen.
Een bekend Grieks citaat is γνῶθι σεαυτόν (gnōthi seauton, ‘ken jezelf’). Het lijdend voorwerp in deze zin is σεαυτόν (seauton, ‘jezelf’), dat in de accusativus staat en dus eindigt op een -n, die teruggaat op die eerdere *-m.
Het mooie aan die *-m is dat-ie in het Proto-Indo-Europees ook als een klinker kon worden ingezet. Dat is niet zo bizar als het lijkt – in het Twentse loopm (‘lopen’) fungeert de m ook als klinker. Toch had het Grieks er moeite mee, en werd deze klinker-m een -a. Zo krijg je de Griekse accusativus πατέρα (patera, ‘vader’), teruggaand op het Proto-Indo-Europese *ph₂térm̥. Het mini-cirkeltje vertelt ons dat we de m hier, direct na een medeklinker, als klinker moeten begrijpen.Subscribe
In het moderne Litouws, dat nog volop gebruikmaakt van naamvallen, eindigt de accusativus, afhankelijk van de verbuigingsgroep, op -ą, –ę, -į, of -ų.
Op het eerste oog geen -m te bekennen, maar dat kringeltje verraadt dat deze klinkers tot diep in de achttiende eeuw nasaal waren – zoals het Franse un, waar je, in elk geval voorafgaand aan een medeklinker, de n eigenlijk niet uitspreekt, maar de u uit je neus laat komen. Ook in het Litouws wijst deze nasaliteit op een weggevallen -n, die, net als de Griekse -n, weer teruggaat op die Proto-Indo-Europese *-m.
Nog iets: ik heb het tot nu toe steeds over de accusativus enkelvoud gehad. Het Proto-Indo-Europees had natuurlijk ook een accusativus meervoud. Die wordt gereconstrueerd als *-ns, een uitgang die goed overleeft in bijvoorbeeld het Gotische gastins (‘gasten’, accusativus meervoud).
Men denkt wel dat deze uitgang ontstaan is uit een simpele, Pre-Proto-Indo-Europese samenvoeging van de *m, kenmerkend voor de accusativus, en de *s, kenmerkend voor het meervoud (Nederlands: één tafel, twee tafels. Latijn: homo, homines, enz.). Voorafgaand aan een s werd onze m dus al in het Proto-Indo-Europees een n.
Dit stuk verscheen eerder op Gevleugelde woorden

Laat een reactie achter