Het was nu eenmaal een woelig land aan de overkant,
met een stel heethoofden op macht belust.

Na de ontvoering van de Venezolaanse president Maduro door het Amerikaanse leger wordt op de benedenwindse eilanden de situatie in Venezuela nog aandachtiger gevolgd dan de afgelopen maanden al het geval was. Wat is er precies aan de hand? Wat gaat er gebeuren? En wat betekent dat voor Aruba, Bonaire en Curaçao? Levert het iets op (handel?, toerisme?) of leidt het juist tot nieuwe problemen? Ruim tweehonderd jaar geleden was de situatie te vergelijken met de huidige: ook toen was het zeer onrustig in Venezuela, ook toen wachtte men op de eilanden af wat er aan de overkant zou gaan gebeuren. Hebben we nu te maken met Nicolás Maduro, twee eeuwen geleden draaide het om Simón Bolívar, de leider van de criollos die in opstand kwamen tegen het Spaanse koloniale bestuur. De Verwachting (1959) van de Curaçaose schrijfster Maria Miranda is een historische roman die speelt aan het begin van de 19e eeuw. Het boek geeft een beeld van Joods Curaçao, de onafhankelijkheidsstrijd in Venezuela en de gevolgen daarvan voor Curaçao.
Wie was Maria Miranda?
Maria Miranda was het pseudoniem van Ethel Rosabelle Senior, geboren in 1903 op Curaçao in een oude Joodse familie. Smit en Heuvel melden in hun boekje Autonoom (1976), een overzicht van de Nederlandstalige literatuur op de Antillen, dat Ethel op zesjarige leeftijd met haar moeder naar Nederland vertrok; later studeerde ze rechten in Amsterdam. Na de oorlog emigreerde ze met haar Oostenrijkse man, de kunstschilder Fred Krenz, naar Zuid-Afrika. Na een reis naar haar geboorte-eiland in 1957, publiceerde ze in 1959 onder het pseudoniem Maria Miranda De Verwachting. Twintig jaar later verscheen haar tweede boek, De costelijcke paerel, andermaal een historische roman die zich afspeelt in de Joodse kringen van Curaçao. Een derde door Smit en Heuvel genoemde roman, getiteld Twee afvallige priesters, is vrijwel zeker nooit gepubliceerd. De schrijfster overleed in 1985.

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de Nederlandse literatorJan Greshoff (1888-1971) een rol heeft gespeeld bij de publicatie van de eerste roman van Maria Miranda. Op basis van Greshoffs memoires Afscheid van Europa (1969) kunnen we concluderen dat Greshoff in zijn Zuid-Afrikaanse jaren bevriend was met “de talentvolle Curaçaose schrijfster Maria Miranda”(Greshoff 1969, p. 327) en haar man Fred Krenz. Hoewel de literaire waarde van De Verwachting dubieus is, verscheen het boek bij de vooraanstaande uitgeverij Stols, opgericht door Alexander Stols, al sinds de jaren twintig van de vorige eeuw een goede vriend van Greshoff.
De Verwachting (1959)
De oude Joodse families van Curaçao waren zeer groot, en dat zal de lezer van de roman weten. Er zijn verschillende generaties, er zijn broers, zussen, ooms, tantes, neven, nichten; er zijn heel veel namen; en er wordt bij voorkeur onderling getrouwd. In de kern echter draait het in De Verwachtingom slechts enkele personen: Sjon Abram Montalto, de patriarch van de familie, en twee van zijn zoons, José en Manchi. Het boek begint als deze laatste vanuit Nederland, waar hij medicijnen heeft gestudeerd, terugkomt op zijn geboorte-eiland. Aan boord van ‘De Verwachting’, een veelzeggende naam, bevindt zich ook padre Pablo, een Spaanse priester die op het eiland komt werken en door de gastvrije Sjon Abram direct voor de maaltijd wordt uitgenodigd.
Voor Manchi heeft de tijd op Curaçao stil gestaan. De rest van de familie vindt hem een “losbol” en hij trekt de aandacht door luidruchtig, studentikoos gedrag en opvallende kleding. Zijn oudere broer José is zijn tegenpool: rustig, introvert en serieus. Hij is het lievelingetje van Sjon Abram en werkt bij zijn vader op kantoor. José sluit vriendschap met padre Pablo en bekeert zich na een diepe geloofscrisis tot het katholicisme. Zijn bekering is een klap in het gezicht van zijn vader en betekent een definitieve breuk met de familie.
Meer op de achtergrond is er een tweede verhaallijn. Aan het begin van de 19e eeuw is de toestand op Curaçao moeilijk. Tot grote vreugde van Sjon Abram zijn de Engelsen vertrokken en zijn de Nederlanders weer de baas op het eiland. De onrustige en onduidelijke situatie in Venezuela is echter slecht voor de handel, en van de handel moet de familie het hebben. Neef Jacob is onlangs teruggekeerd uit Caracas, maar kan ook weinig melden: “De ouderen drongen om Jacob heen en probeerden hun licht bij hem op te steken. […]. Als het van hen afhing, was dat stelletje oproerkraaiers die het zelfs onder elkaar niet eens waren, al lang tot de orde geroepen! Dan zou het uit zijn met dat bakkeleien aan de overkant en konden fatsoenlijke handelslui hun vroegere betrekkingen weer opnemen” (Miranda 1959, p. 28-29). Sjon Abram zet (letterlijk) zijn geld op een Spaanse overwinning; de jongere generatie schat de situatie beter in en kiest voor de revolutie van Bolívar en de zijnen.

Aan het eind van het boek staat Sjon Abram als gevolg van zijn verkeerde keuzes in de Venezolaanse opstand op de rand van een bankroet. In de huiselijke sfeer is de situatie nauwelijks beter. Hij is zijn zoon José kwijt en door alle verwikkelingen verliest hij ook een groot deel van zijn aanzien in de Joodse gemeenschap. Onderweg naar huis overlijdt hij in zijn rijtuig. Vrijwel gelijktijdig sterft zijn vrouw Sjon Sarah als gevolg van een miskraam. Padre Pablo moet op last van de gezaghebber het eiland verlaten; José gaat met hem mee. Samen verlaten ze Curaçao aan boord van ‘De Verwachting’, een schip dat door Sjon Abram in gedachten werd omgedoopt tot ‘De Bedrogen Hoop’.

Interessante aspecten
De Verwachting is absoluut geen literair meesterwerk. Er is nauwelijks spanning en de uitgebreide beschrijvingen in soms moeizaam Nederlands van trouwpartijen en joodse feesten houden het verhaal eerder op dan dat ze er iets aan toevoegen. Mede als gevolg van een rommelig, onhandig vertelperspectief komen de karakters nauwelijks tot leven. Daarbij laat de auteur enkele mogelijk interessante verhaallijnen onbenut, bijvoorbeeld de relatie tussen José en Manchi.
De roman geeft echter weleen interessant beeld van Joods Curaçao aan het begin van de 19e eeuw. Er is sprake van een gesegregeerde samenleving, waarbij de verschillende groepen duidelijk zijn afgebakend. Miranda zet de joden neer als een zelfbewuste, gesloten gemeenschap. Op de macamba’s (Nederlanders) en de Hollandse officieren uit het fort wordt neergekeken. De bekering van José tot het katholicisme betekent dat hij een soort paria wordt. De reactie van zijn zus Rachel is veelzeggend: “Maar datgene wat jij van plan bent, is verraad. Wij Joden hebben bijna tweeduizend jaar voor onze godsdienst vervolgingen ondergaan. En nu geef jij het op. En niet alleen dat, je vernedert je door de godsdienst van negers te aanvaarden!” (Miranda 1959, p. 148). José neemt niet alleen afscheid van zijn Joodse familie, maar ook van het stadsdeel Punda, “het domein der Joden”(Miranda 1959, p. 179); padre Pablo woont aan de andere kant van de baai, in Otrobanda.

Overigens wordt José ook niet geaccepteerd door de aanhangers van zijn nieuwe geloof, de katholieke tot slaaf gemaakten. Als hij op een ezel over het eiland gaat om zieken te bezoeken, trekt hij veel bekijks: ”Zodra de Negerkinderen José zagen, gilden zij van het lachen. ‘Kijk, een blanke op een ezel.’” (Miranda 1959, p. 160). In het boek wordt enkele malen gezinspeeld op de afschaffing van de slavernij, maar duidelijk is dat dit voor niemand, zelfs niet voor José, een realistische optie is.
Spaans
Er is nog altijd debat over de vraag of de lexicale oorsprong van het Papiamento gezocht moet worden in het Portugees of in het Spaans. Een interessant punt in deze discussie is de rol van de Sefardische joden, die zich vanaf de 17e eeuw vanuit Nederland en Brazilië vestigden op Curaçao. In het algemeen wordt aangenomen dat deze immigranten Portugees spraken, wat mede zou pleiten voor een Portugese lexifier van het Papiamento.
In De Verwachting vertelt Sjon Abram aan de pas aangekomen padre Pablo dat hij net als de priester van Spaanse afkomst is; zijn voorouders moesten drie eeuwen geleden Spanje verlaten vanwege hun geloof. Echter, hun manier van leven hebben ze behouden. En bij die levensstijl hoort de taal van het land van oorsprong: het Spaans, en dat is nog steeds de taal van de Montaltos. Het Nederlands beheerst Sjon Abram slecht en het Papiamento is voor hem absoluut geen optie. Die taal wordt alleen gebruikt in de omgang met de tot slaaf gemaakten; onder elkaar, zo stelt Sjon Abram, “bezigen de goede families die nooit” (Miranda 1959, p. 14). Interessant is ook een opmerking van Sjon Rebecca. Om te voorkomen dat een tot slaaf gemaakte mee kan luisteren zegt ze tegen haar dochter Rosa: “Spreek Spaans, alsjeblieft. Muren hebben oren”(Miranda 1959, p. 120). Voor Sjon Rebecca is het ondenkbaar dat de tot slaaf gemaakte Spaans zou kunnen begrijpen, “daar is zij veel te dom voor” (Miranda 1959, p. 120).
Tot slot
Loont het de moeite om De Verwachting te lezen? Ja. Om te beginnen geeft het boek een aardig beeld van het Curaçao van tweehonderd jaar geleden, en dan met name van de Joodse gemeenschap. Maar er is meer. Sjon Abram wordt nergens een echt tragische figuur; hij blijft van bordkarton. Echt meeleven, laat staan meelijden, is lastig voor de lezer. Maar ondanks dat kan de hedendaagse lezer wel iets van hem leren. Miranda presenteert hem als de drager van een dubbele boodschap. Om te beginnen: geef je kinderen de ruimte om hun eigen keuzes te maken; als je dat niet doet, loop je de kans ze te verliezen. Daarnaast toont de ondergang van Sjon Abram aan dat angstvallig vasthouden aan het oude en niet open staan voor nieuwe ontwikkelingen zeker in de handel geen slim idee is. Twee boodschappen die ook vandaag de dag nog relevant zijn.
Interessant is ook om te zien dat er in de relatie tussen Venezuela en de benedenwindse eilanden weinig nieuws onder zon is. Gebeurtenissen in dat land hadden en hebben grote invloed op Aruba, Bonaire en Curaçao. Op een gegeven moment verzucht nicht Rosa over Simón Bolívar: “Ik wou dat die goeie man eens ophield met zijn revolutie en ons geen last meer bezorgde!” (Miranda 1959, p. 123). Ongetwijfeld waren er anno 2025 heel wat (zaken)mensen op de benedenwindse eilanden die hetzelfde zeiden over de Bolivariaanse revolutie van Hugo Chávez en Nicolás Maduro.
Literatuur
Chen, Salma & S.A.J. van Faassen (1992). ‘Ik ben overbodig geworden!’. Briefwisseling J. Greshoff – A.A.m Stols. Deel 3, 1952-1956. ’s-Gravenhage: Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. Achter het Boek 26.
Greshoff, Jan (1969). Afscheid van Europa. Den Haag: Nijgh & Van Ditmar.
Miranda, Maria (1959). De Verwachting. ’s-Gravenhage: Uitgeverij A.A.M. Stols.
Miranda, Maria (1977). De Costelijcke Paerel. Den Haag: Kruseman’s Uitgeversmaatschappij B.V.
Recourt, Annemiek (2018). Moralist van de ontrouw. Jan Greshoff (1888-1971). Amsterdam: Uitgeverij Van Oorschot.
Rutgers, Wim (1996). Beneden en boven de wind. Antilliaanse literatuur. Amsterdam: De Bezige Bij.
Smit, C.G.M. & W.F. Heuvel (1976). Autonoom. Nederlandstalige literatuur op de Antillen. Rotterdam: Flamboyant/P. 2e gewijzigde druk.
De verwachting van Maria Miranda staat op de DBNL
Laat een reactie achter