De bundel Morgenrood ontstond in 1929 als alternatief voor een bloemlezing die uitgeverij Wereldbibliotheek wilde uitbrengen voor Hélène Swarths zeventigste verjaardag. Swarth wees dit plan af in haar brief van 18 mei 1929 en stelde voor om in plaats daarvan Morgenrood uit te geven, een van de zes bundels die zij klaar had liggen. Zij had er jarenlang aan gewerkt door steeds opwellende herinneringen toe te voegen en beschouwde de bundel nu als compleet. Na enig touwtrekken ging de Wereldbibliotheek in juli 1929 akkoord met een uitgave van 140 bladzijden, met daarnaast ook een luxe-editie.
Morgenrood is samengesteld uit cycli die Swarth vanaf juni 1920 in tijdschriften had gepubliceerd: ‘Jeugd’ (De Nieuwe Gids, juni 1920 en juni 1922), ‘Kinderjaren’ (De Gids, april 1921; Leven en Werken, januari 1924; De Nieuwe Gids, juni 1928), ‘Kindertijd’ (Leven en Werken, februari 1923), ‘Kinderleven’ (De Gids, april 1924; Groot Nederland, november 1925; De Nieuwe Gids, maart en juni 1929) en ‘Heugenissen’ (De Gids, december 1921; Groot Nederland, november 1926; De Nieuwe Gids, februari 1927). Daaraan werden gedichten toegevoegd uit onder meer De Nieuwe Gids, Groot Nederland, Nederland en Eigen Haard.
In ‘Vaders Vioolspel’ beschrijft Swarth de warmte en veiligheid die zij als kind vond bij haar vader Eduard Swarth (1819-1895), die viool speelde en haar naar school bracht. Het gedicht laat vooral zien hoezeer zij hem miste. Haar moeder Maria Jacoba Heyblom (1822-1889), met wie Eduard op 22 augustus 1844 trouwde, was streng en afstandelijk en had weinig begrip voor haar dromerige, dichterlijke aard. Haar vader had haar kunnen beschermen tegen het harde leven met zijn “zoete viool, in de schemering”, een troost die zij door zijn dood verloor.
Toch is het jammer dat Hélène Swarth toen geen zelfselectie heeft gemaakt. Iemand anders zou nu een beknopte bloemlezing moeten maken om te laten zien wat er nog lezenswaardig is van de productiefste dichter van haar tijd. Iets voor Simon Mulder?