
Geachte mevrouw Letschert,
Volgens mij kan de politiek wel wat ambities gebruiken. Misschien is het een goed idee om dat te halen uit een onverwacht deel van de politiek: het taalbeleid.
Nederland kan in de komende jaren, onder leiding van de nieuwe regering, een voorbeeldland worden, waar het gaat om onze omgang met talen. Dat kan zonder grote kosten en zonder moeilijke kunstgrepen. Nodig is vooral gezond verstand: beleid dat uitgaat van hoe taal in het echt werkt, bij mensen thuis, op school en op het werk. De taalwetenschap is aan Nederlandse universiteiten heel sterk. Het wordt tijd wat inzichten te implementeren.
In het publieke debat gaat het zelden echt over taal. En als het erover gaat, gebeurt dat vaak vanuit ongerustheid: het idee dat het Nederlands onder druk staat, vooral door migratie en internationalisering. Die zorg is begrijpelijk. Iedereen wil dat we elkaar kunnen verstaan, dat we een samenleving hebben waaraan iedereen kan deelnemen. Maar veel voorstellen die nu op tafel liggen, vooral waar het gaat om het hoger onderwijs, zijn vooral symbolisch. Ze geven een gevoel van daadkracht. Er worden opleidingen gesloten, mensen raken hun baan kwijt, maar met dat alles wordt geen enkel probleem opgelost.
De wetenschap is duidelijk: talen verdwijnen niet omdat mensen er meerdere spreken. Ze verdwijnen omdat ze functies verliezen, en op minder gebieden van het leven gebruikt worden. Wie het Nederlands wil beschermen, moet dus zorgen dat het stevig verankerd blijft in onderwijs, overheid, cultuur en media. Dat hoeft niet ten koste te gaan van andere talen. Sterker, wie andere talen verbiedt of wegduwt, ondermijnt juist dat doel.
Meertaligheid
Dat geldt niet alleen voor het Engels aan universiteiten, waarop de discussie zich vaak richt, maar ook voor allerlei andere gebieden van het publieke domein. Als de overheid meertaligheid voorstelt als iets verdachts, raakt dat iedereen: kinderen die thuis een taal spreken die we met een ander land associ¨ŕen, maar ook het Papiamento, het Fries, het Limburgs en het Nedersaksisch. En voor de gebarentaal. Die talen worden al te makkelijk afgedaan als folklore, terwijl ze voor honderdduizenden mensen in Nederland dagelijkse omgangstaal zijn.
Nederland kan een andere keuze maken. We hebben de kennis, de ervaring en de wetenschappelijke instellingen om het goed te doen. Dat vraagt geen radicale omwenteling, maar een paar nuchtere stappen: steun voor minderheidstalen in onderwijs en media, leraren die leren omgaan met meertalige klassen, en erkenning dat meerdere talen samen de kennisbasis van onze samenleving vormen.
Zo’n beleid zorgt voor een mooier land. Kinderen krijgen betere kansen, omdat hun thuistalen geen achterstand meer zijn maar een startpunt. De samenleving wordt hechter, omdat mensen zich serieus genomen voelen door overheid en onderwijs. En de democratie wordt sterker: wie zich taalkundig erkend voelt, doet makkelijker mee. Tegelijk vergroot meertaligheid onze positie in de wereld, in handel, wetenschap en diplomatie.
De kern is simpel. Wie het Nederlands wil beschermen, moet meertaligheid niet bestrijden maar organiseren. Beleid dat is gebaseerd op onderzoek, niet op onderbuik, maakt Nederland sterker, eerlijker en toekomstbestendiger. Nederland is een internationaal centrum van taalwetenschap. Laten we die kennis gebruiken — niet om talen tegen elkaar uit te spelen, maar om samen verder te komen.
Mèt vrundjelike greut,
Laat een reactie achter