Over de ‘Nijmeegse roman’ Die stad, dat jaar van Koos van Zomeren

Op 30 november 1987 deed Koos van Zomeren in zijn ‘journaal’ Een jaar in scherven (1988) verslag van zijn particulier ‘eureka’: ‘Het thema is terugkeer. Dat dat nu pas tot me doordringt.’ Van Zomeren zag op dat moment zijn leven, ook zijn schrijversleven en zijn politieke leven, getekend door terugkeer: ‘Terugkeer na terugkeer, want ook mijn toetreding tot de partij begin ik als poging tot terugkeer te begrijpen’. Op zoek naar de verloren tijd, of die nu in Oegstgeest, in Herwijnen of Nijmegen te vinden is. Aangemoedigd door de beschouwing van Nico Keuning, getiteld ‘Diepgravend en geestig’ (gepubliceerd op de site Neerlandistiek 4 december 2025), de nadering van de tachtigste verjaardag van Van Zomeren en de recente lectuur van twee van zijn titels (1946. Verkenning van een geboortejaar (1999) en We gaan zo (2025)) heb ik me voorgenomen om meer Van Zomerens te kopen, te lezen en erover te schrijven. De schrijver heeft in de voorbije vijftig jaar in alle stilte een indrukwekkend oeuvre geschreven, waarvoor hem meer publieke waardering toekomt dan die hij heeft gekregen.
Om te beginnen keer ik terug naar zijn Nijmeegse roman Die stad, dat jaar (2009), een ‘roman met aantekeningen’. In die roman gaat het om de terugkeer van Van Zomeren naar het Nijmegen van de late jaren ’60. Daarbij volg ik wat ik er eerder over schreef.
Thrillers
Koos van Zomeren kwam omstreeks 1967 naar Nijmegen, na jeugdjaren in Arnhem, gelukkige vakanties op Herwijnen en enkele jaren als literair wonderkind. In Nijmegen werkte hij als journalist voor Het Vrije Volk in een kantoortje in de Van Welderenstraat. Hij trad in die tijd toe tot KEN (ml), de voorloper van de SP. Voor die SP nam hij in 1972 zitting in de gemeenteraad van Nijmegen. Dat maakte hem toen kortstondig tot een Bekende Nijmegenaar, zijn gezicht in verkiezingstijd op elke lantaarnpaal langs de Hatertseweg.
De Nijmeegse adressen van Koos van Zomeren liggen ver uit elkaar. Hij woonde er in een maisonette in Aldenhof en leefde er naar eigen zeggen met de rug naar de Hatertse Vennen. In het grote huis Dominicanenstraat 10, door de Socialistische Partij betrokken als hoofdkwartier, klopte het politieke hart van de schrijver. Ergens in 1973 ontdekte Van Zomeren de nabije en tot die tijd onopgemerkte natuur – het Vennengebied, de Ooij maar ook de Jansberg – en waaide hij weg uit het centrum van de stad. Eind ’75 verliet hij de partij en de politiek, om zich elders te wijden aan het schrijven, eerst politieke thrillers, later romans en verhalen en fijnzinnige notities over de natuur. Tussen 1968 en 1976 verscheen er van hem geen boek, erna tientallen: onder meer de romans Het verhaal (1986), Sterk water (1987) en dus ook Die stad, dat jaar (2009).
Liefde
Meer dan eens leven er in de verhalen van Van Zomeren twee zielen naast elkaar. Misschien hoort dat ook bij terugkeer, waarbij twee personages (die van toen en nu) elkaar immers treffen. Van Zomeren varieert daarop. In Sterk water brengt hij de geschiedenis van twee broers, de een bioloog, de ander schrijver. De legende van een verijdelde verdrinking – hoe in een vennengebied de oudere Bruno zijn broer Pieter het leven redde – verbindt en verdeelt hen. De legende geeft richting aan twee, elkaar schurende levensverhalen.
Twee levensverhalen flankeren elkaar ook in Die stad, dat jaar. De oneven hoofdstukken vertellen het verhaal van Koos van Zomerens activistische carrière in Nijmegen: over zijn SP-jaren, in het bijzonder over het jaar 1972. Over die tijd, ‘dat verleden van ons’, had hij al wel eerder geschreven, ‘altijd in terugblik, altijd met voorkennis van de afloop, doorgaans grimmig, soms ronduit vijandig’, maar in 2008 neemt hij zich voor het anders te doen. In de even hoofdstukken kijken we door de ogen van Bert Staal, in 1972 betrokken buitenstaander, naar het activisme, dat zijn huis in de Dominicanenstraat langzaam maar zeker in bezit heeft genomen.
De geschiedenis van Bert blijft binnen de kaders van het jaar 1972. Gesjeesd student biologie en kortstondig dichter, wandelt hij vol verbazing door stad en omgeving, koopt schriften bij Biessels, sigaartjes bij Lensen en sympathiseert, op afstand, met de activisten in zijn huis. Wat hem echt bezig houdt, is het verlangen naar liefde. Koos van Zomeren, personage en schrijver, treedt op in twee tijden: hij keert terug naar de stad van toen, naar de mensen van toen, en neemt daarbij degene mee die hij geworden is.
Terugkeer
Van Zomeren, in 1972 als activist en journalist in het oog van de Nijmeegse orkaan, neemt zich in 2008 voor een roman te schrijven, over Nijmegen, zijn ‘liefje’: ‘God, wat een avontuur was die stad.’ Wat Van Zomeren ertoe aangezet heeft om 36 jaar na dato terug te keren naar ‘die stad’ en ‘dat jaar’ en de intussen gegroeide afstand te trotseren, is niet helemaal duidelijk. Vermoedelijk speelde de tentoonstelling over de ‘seventies’ in Museum Het Valkhof in 2008 de rol van aanjager. Bij die tentoonstelling en ermee verbonden evenementen kwam Van Zomeren enkele keren in beeld. Hij realiseerde zich dat ‘Nijmegen tot je dertigste’ hét is, ‘dat is alles wat je hebt meegemaakt’.
Dat hij in zijn roman op zijn Nijmeegse schreden terugkeerde, kan overigens niet verbazen voor wie vertrouwd is met zijn werk: ook de weg naar Herwijnen en naar Grindelwald en Lech wordt bij herhaling opgezocht. Voor de terugkeer naar Nijmegen had Van Zomeren dus niet veel aansporing nodig.
Van Zomeren, in Die stad, dat jaar als verteller en personage ongeschminkt Koos van Zomeren, verzamelt ter voorbereiding van zijn Nijmegen-roman gegevens, herleest wat hij destijds in De Tribune, actie- en partijblad, schreef, herinnert zich partijgenoten, arrangeert ontmoetingen. In al dat materiaal dreigt hij naar eigen zeggen te ‘verzuipen’. Om die reden roept hij de verbeelding te hulp en verplaatst zich naar 1972, bestrijdt in zich grimmigheid en kennis van de afloop. De terugkeer naar 1972 brengt hem haast ‘thuis’, hij is milder over de partij, wandelt met Jan Marijnissen, maar blijft uiteindelijk op afstand.
Van Zomeren vertelt ook het verhaal van zijn afscheid van de partij en van de diepe eenzaamheid die daarbij hoorde. Heel treffend is dat hij in dat verband kiest voor ‘het beeld van een drenkeling’. Dat beeld is ook onverkort van toepassing op de onhandige Bert Staal, die in Nijmegen in het jaar 1972 als een vreemdeling doolt. Dat beeld van de drenkeling komt bij herhaling voor in het werk van Van Zomeren, bijvoorbeeld in het hiervoor genoemde Sterk water.
Aanbidders
De terugkeer naar 1972, de botsing tussen de levens van Bert en Koos, het confronteert Van Zomeren met zichzelf. Bij alle bewondering voor de continuïteit, die hij ziet in het politieke leven van SP’er Hans van Hooft en bij zichzelf vreest, voegt zich afkeer van het persoonlijk radicalisme, schaamte voor de nare kanten van het eigen karakter. Zo leidt de beschouwing van de geschiedenis van Nijmegen en 1972 tot een even overtuigend als ongemakkelijk zelfportret.
Al schrijvend gunt Van Zomeren zijn alter ego Bert Staal aan het slot dan nog wel de vervulling van zijn liefdesdroom. Is het toeval dat het meisje in Nijmegen dat Bert het geluk belooft Marieke heet? Zo smaakt Nijmegen in de ‘roman met aantekeningen’ bitter en zoet, want we weten hoe het met Marieke en haar aanbidders afloopt.
Deze bijdrage herneemt grote stukken van mijn artikel in Jaarboek Numaga 2019: ‘Terug naar het paradijs. Nijmegen in moderne Nederlandse romans en verhalen (1974-2018)’.
Laat een reactie achter