
Hoe kan het dat het Nederlands wel verkleinwoorden heeft, maar geen vergrootwoorden? In het vijfde nummer van deze jaargang van Onze Taal stond een piepklein artikeltje van Fieneke Jochemsen, die een vraag daarover had gekregen in het radioprogramma De Taalstraat kreeg. Het is begrijpelijk dat de vraag niet beantwoord kon worden. Wel wees Fieneke op de mogelijkheid die andere talen hebben om dergelijke woorden te vormen. Waar talen als het Nederlands het moeten doen met woorden als groot (groothandel) en super (supermarkt) beschikt een aantal Romaanse talen niet alleen over suffixen om diminutieven (verkleinwoorden) te vormen, maar ook over twee of drie uitgangen om augmentatieven (vergrootwoorden) te maken. Enkele voorbeelden:
| Spaans | Portugees | Italiaans | |
| casa-caserón | casa-casarão | casa-casone | ‘huis-groot huis’ |
| perro-perrazo | cachorro-cachorrão | cane-canone | ‘hond-grote hond’ |
Uit Romaanse talen geleende woorden in het Nederlands zoals ballon (‘grote bal’), salon (‘grote zaal’) en dergelijke mogen dan vergrootwoorden zijn in de talen waaraan ze ontleend zijn, in het Nederlands zijn ze dat niet (meer). Het –on wordt in het hedendaags Nederlands niet als een suffix gevoeld en dus gaat het hier om simplexen (ongelede woorden). Dergelijke vormen zijn te vergelijken met woorden als druppel, egel, eikel, hommel, krekel, kruimel, kwartel en wezel, die in het Nederlands oorspronkelijke verkleinwoorden waren met het suffix –el, maar dat nu niet meer zijn, getuige diminutieven als druppeltje, egeltje, eikeltje, enzovoort.
In deze bijdrage wil ik het proces van augmentatie bespreken voor een natuurlijke inheemse taal die in Nederlandse handboeken over taal of taalkunde niet wordt genoemd of, als deze taal al te berde wordt gebracht, daar een schrijnende stiefmoederlijke status krijgt: de Nederlandse Gebarentaal (NGT). Deze gebarentaal is in 2021 erkend als officiële taal onder de Wet erkenning Nederlandse Gebarentaal, maar valt niet onder de bepalingen van het Europees Handvest.
Modaliteit en simultaneïteit
Voor een goed begrip van de verderop gegeven voorbeelden is het van belang dat de begrippen modaliteit en simultaneïteit duidelijk zijn. De eerste term heeft betrekking op de manier waarop een taal wordt geproduceerd en waargenomen. Bij gebarentalen gebruikt men onder meer handen en ogen (visus) en daarom zegt men dat deze talen gebruik maken van een manueel-visuele modaliteit. Bij gesproken talen maakt men gebruik van stem en gehoor (oren) en daarom spreken we hier van oraal-auditieve modaliteit. De manueel-visuele modaliteit maakt het mogelijk verschillende aspecten van een taaluiting tegelijk weer te geven. Dit verschijnsel heet simultaneïteit. Met de handen kan men bijvoorbeeld een gebaar maken en dit gebaar vergezeld laten gaan van een bepaalde mimiek. Deze eigenschap staat tegenover de sequentialiteit van gesproken talen. Toch is het verschil tussen gebarentalen en gesproken talen in dit opzicht gradueel. Gebarentalen zijn voor een deel wel degelijk lineair georganiseerd (zoals in samenstellingen en in zinnen, waarin de gebaren op elkaar volgen). Gesproken talen kennen ook simultaneïteit, zoals bij het realiseren van tonen in toontalen en intonatie in andere talen. Het voorbeeld dat in de volgende paragraaf ter sprake komt, laat zien hoe simultaneïteit van toepassing is bij zowel diminuering als augmentatie.
Ik geef jou een grote bal: augmentatie
Om de Nederlandse zin ‘Ik geef jou een grote bal’ in Nederlandse Gebarentaal uit te drukken, moeten we behalve het werkwoord geven het volgende opnemen.
- Wie geeft wie iets.
- Wat wordt er gegeven.
- De grootte van het object dat wordt gegeven.
Op papier ziet de zin in gebarentaal er geglost als volgt uit. Daarbij wordt het lettertype kleinkapitaal gebruikt. De beide indexen zijn optioneel in bepaalde contexten.
- bal index1 index2 1geven-cl(bal, groot)2
Het gebaar voor bal heeft een getopicaliseerde positie. De zin begint dus met het produceren van dit gebaar. Dan krijgen we de gebaren voor de gever (ik) en de ontvanger (jij), die in de vorm van indexen in de gebarenruimte komen. De gebaarder (de ‘ik’) wijst met de wijsvinger naar zichzelf: index1. Dit is locatie 1. Vervolgens verwijst hij naar de ander: index2. Dit is locatie 2. Het produceren van het werkwoord is weliswaar de laatste stap in de gebarenzin, maar het zetten ervan gaat gepaard met een aantal andere elementen die mede de betekenis van de zin bepalen. Dit geven is een zogenaamd congruerend werkwoord in gebarentaal. De congruentie wordt uitgedrukt doordat het werkwoordgebaar (geven) van locatie 1 (bron) naar locatie 2 (doel) beweegt. Vandaar dat het werkwoord tot de directionele werkwoorden wordt gerekend. De locaties 1 (lichaam gever) en 2 (lichaam ontvanger) zijn hier gebonden morfemen die congruentie aangeven. Het gebaar voor het werkwoord geven heeft hier echter niet de basisvorm (andere aanduidingen daarvoor zijn citeervorm, fonologische vorm en onderliggende vorm). Dit is de vorm die in het mentale lexicon wordt gesitueerd. De citeervorm van het gebaar is ook de vorm zoals die in een gebarenwoordenboek is opgenomen. Bij geven is dat een zogenaamde geldhand die van het lichaam af naar voren beweegt. Geldhand omdat dat een algemeen Nederlands gebaar is om geld mee aan te geven. In de citeervorm bewegen de duim en wijsvinger echter niet over elkaar. De realisatie van het gebaar voor geven vindt in de bovenstaande zin bovendien plaats met de vorm van een zogenaamde hanteerclassifier. Dit is een bepaalde handvorm die de vorm van het te geven object weerspiegelt en als gebonden morfeem in het werkwoord is geïncorporeerd. De handvorm voor bal is het beste te omschrijven als de vorm van je beide handen zoals die eruitzien als je een bal aan iemand geeft.
Belangrijk hier is nu dat we niet alleen die bal terugzien in de handvorm die het werkwoord geven moet aannemen, maar ook dat de bal groot is. Dit is weer te geven in die handvorm zelf door de beide handen verder van elkaar af te houden, zoals je ook zou doen bij het werkelijk geven van een grote bal. We kunnen deze toevoeging beschouwen als een modificatie bij bal. Echter, behalve deze manuele optie om die grootte van de bal aan te geven, wordt deze eigenschap van de bal ook op niet-manuele wijze simultaan met de realisatie van het werkwoord uitgedrukt: door de wangen te bollen. En dat is dus ook een manier om die bal te modificeren. We zien hier dus dat twee keer een modificeerder wordt ingezet, manueel en niet-manueel, die samen voor de augmentatie zorgen. In de bovenstaande gegloste zin is de augmentatie aangegeven. Aan de classifier, aangegeven als cl, is toegevoegd dat deze betrekking heeft op een bal, maar dat die gemodificeerd is voor groot. In de zin gaat het dus louter om een semantische aanduiding voor de afmeting die de bal in werkelijkheid heeft en dus niet om de precieze realisering van het gebaar voor dit object.
We zien in dit voorbeeld (Ik geef jou een grote bal) uit gebarentaal dat augmentatie plaatsvindt door middel van twee modificeerders bij het object bal, een manuele modificeerder (de extra grootte van het gebaar voor bal) en een niet-manuele (bolle wangen), die beide de eigenschappen van de bal nader modificeren en simultaan met het gebaar voor bal gerealiseerd worden. Het werkwoord geven is een zogenaamde ‘classifier verb’ aangezien de vorm van het object (hier de bal) in de vorm van een classifier (de vorm van de handen bij het gebaar voor bal) weerspiegeld wordt in het werkwoord geven, dat hier tegelijk met het gebaar voor het te geven object wordt gemaakt.
Ik geef jou een kleine bal
Ten slotte nog kort iets over het geven van een kleine bal. Bij diminuering geldt precies dezelfde procedure. Het verschil zit hem hier dan in de vorm van de beide modificeerders: de manuele modificeerder (de kleine afmeting van de bal wordt aangegeven door de handen veel dichter bij elkaar te houden) en de non-manuele modificeerder (tongpuntje).
Waar gesproken talen lineair gebruik maken van een suffix voor diminuering en augmentatie, vinden deze processen in gebarentaal dus plaats door een tweetal modificeerders (manueel en niet-manueel) bij het gebaar voor het betreffende zelfstandig naamwoord, die simultaan met dat gebaar gerealiseerd worden.
Laat een reactie achter