
Ze leerde haar man kennen bij een cursus Hongaarse dans: Erika Dedinszky, geboren in 1942 in Boedapest, was als veertienjarige na de Hongaarse Opstand met haar familie naar Nederland gevlucht en verloor geen moment haar interesse in de cultuur van haar geboorteland. Ze was de spin in het web van de Nederlands-Hongaarse culturele relaties in de jaren zeventig en tachtig. Tot haar dood in 2022 richtte zij zich vooral op het vertalen. In 1981 werd ze onderscheiden met de Nijhoff Vertaalprijs. Vertalen omschreef ze als ‘het uitbuiten van de gekte’ waarin een mens terechtkomt die een tweede taal als moedertaal moet leren, en daar ‘twee afzonderlijke personen in hetzelfde lijf’ ontmoet. Ze was een volbloed cultuurbemiddelaar, ze publiceerde poëzie in het Nederlands en in het Hongaars. Haar eerste bundel noemde ze Kornoeljeboom (1975). Het bijzondere van haar werk is het heen en weer springen tussen haar beide talen in diverse genres. Vestdijk, Belcampo, Wolkers en Nooteboom werden door haar naar het Hongaars overgeheveld, net als de experimentele poëzie van de Vijftigers. Andersom introduceerde ze tientallen Hongaarse dichters in Nederland – naast in eigen land zeer bekende namen als Sándor Weöres en Ágnes Nemes ook vele relatief onbekende experimentele dichters. Ook vertaalde ze contemporaine Hongaarse prozaïsten – met als grootste naam de absurdistische auteur István Örkény. Hongaren zijn dromers die in de hele wereld door iets gedreven worden waaraan ze geen naam kunnen geven, beweerde ze ooit volgens Jakob Faber. Maar als je haar oeuvre beziet wist zij heel goed wat ze deed.
Meer weten over Erika Dedinszky? Lees het portret op het Vertalerslexicon.
Laat een reactie achter