
Het was kennelijk schrikken, voor sommigen, toen The New Yorker onthulde dat de boeken van Oliver Sacks (De man die zijn vrouw voor een hoed hield) heel veel van zijn verhalen over patiënten had aangedikt en interessanter had gemaakt, onder andere door er allerlei autobiografische elementen in toe te voegen – worstelingen die de patiënten niet hadden doorworsteld, maar Sacks zelf wel.
De bekendste taalwetenschapscommunicator Steven Pinker reageerde op allerlei sociale media bijvoorbeeld als volgt:
A lesson from the debunking of Oliver Sacks (and other nonreplicable findings): “Trust literatures, not individual research studies,” says Bryan Caplan […]. I’ve long advocated this not just for readers but science journalists: Stop getting your ideas for stories from the latest issue of Science, Nature, & NEJM (likely ephemeral), and read more comprehensive reviews (e.g., in psychology, Psychological Bulletin).
Also, stop highlighting the counterintuitive, the rebel, the heretic, the surprising, the paradigm-overturner, together with clickbait like “Was Einstein Wrong?” “Was Darwin Wrong?” (Answer: Yes, but probably not about yesterday’s claim). By definition these ideas have low Bayesian priors, so they’re less likely to be right even if the new study was bulletproof, which it probably is not. This style of science journalism selects for the nonreplicable, undermining public confidence in science.
John Ziman: “The physics of undergraduate text-books is 90% true; the contents of the primary research journals of physics is 90% false.” An exaggeration, but you get the point.
Oh, and stop using “textbook” as an insult and “scientific revolution” as a compliment.
Het zijn misschien wijze lessen. Er is misschien te veel wetenschapsjournalistiek van de verkeerde soort: gericht op de allerlaatste wetenschappelijke doorbraken, die inderdaad meestal op weinig gebaseerd blijken te zijn, omdat dit nu eenmaal is hoe wetenschap werkt – er borrelen vervolgens allerlei ideeën op die vervolgens worden ontkracht.
Stand van zaken
Voor dat ontkrachten is misschien te weinig aandacht in de wetenschapsdynamiek, en de langzame groei van kennis die de wetenschap kenmerkt is nu eenmaal op geen enkel moment nieuws.
Minder duidelijk is wat het antwoord hierop moet zijn. Wetenschapsjournalistiek is nu eenmaal journalistiek, en dus gericht op nieuws, en een artikel in Science lijkt nu eenmaal meer op nieuws dan de 24e, herziene druk, van een handboek. Vooral als in die druk het interessantste is wat er niet herzien is.
Ik ben er sinds een aantal jaar van overtuigd dat de verslaglegging van de wetenschap meer moet gebeuren vanuit de wetenschap. Ik ben overtuigd van het idee van embedded science communicators: actieve onderzoekers die een deel van hun tijd besteden aan het communiceren van wetenschap met de wereld buiten het actieve onderzoek. Recente artikelen kunnen daarbij best worden gebruikt, als ze dan maar in een context wordt geplaatst, en als allerlei wilde beweringen over doorbraken en ’turns’ in al dan niet peer reviewed tijdschriften worden gerelativeerd. Het is wat wij hier bij Neerlandistiek proberen te doen: we volgen soms het nieuws, bespreken soms de handboeken, en soms onderzoek dat in geen van beide wordt besproken. Op die manier kan degene die ons volgt, uiteindelijk hopelijk een beeld krijgen van de stand van zaken.
Dat wil niet zeggen dat er niet van alles mis gaat, dat wij niet ook geregeld verslag doen over onderzoek dat uiteindelijk helemaal niet zo belangrijk is, of te voorzichtig zijn in kritiek op evident onzinnig onderzoek, dat nu eenmaal door collega’s naar buiten is gebracht – uit angst dat zulke kritiek als ‘oncollegiaal’ wordt gezien.
Ondermijnen
Wetenschapsjournalistiek door echte journalisten heeft ook een functie, maar naar mijn idee een veel kritischer. Die zou zich minder moeten richten op gejuich over deze of gene onderzoeker die iets revolutionairs beweert, maar meer op het doorlichten van het academische systeem. Waaraan worden geld en middelen uitgegeven? Garandeert de manier waarop er gewerkt wordt uberhaupt enig succes? Waar gaat de wetenschap als geheel naartoe?
Dat is er overigens ook een waar Pinkers zorg over ‘undermining public confidence in science’ niet wordt opgelost door maar te zwijgen over wat er mis gaat, maar door erover te spreken, zodat het kan worden opgelost. (Welke politiek journalist laat zich in zijn werk leiden door angst dat onthullingen over corruptie het vertrouwen in de democratie kan ondermijnen?)
“Wetenschapsjournalistiek door echte journalisten heeft ook een functie, maar naar mijn idee een veel kritischer. Die zou zich minder moeten richten op gejuich over deze of gene onderzoeker die iets revolutionairs beweert, maar meer op het doorlichten van het academische systeem.”
Ik zou dat ook willen. Het is mogelijk, mits een journalist een groot concern achter zich heeft staan, zoals de uitgeverij van een krant. Dan heeft hij of zij juridische dekking. Maar steeds meer journalisten zijn eenpitters, wier enige juridische bescherming bestaat uit het lidmaatschap van de NVJ.
Nog een complicatie: de universiteiten staan niet boven sancties tegen kritische stemmen. Ik ken uit Nederland verschillende journalisten die met rechtszaken zijn bedreigd, waaronder een neerlandicus. Een journalist die als kritisch wordt ervaren, blaast zijn academische netwerk op.
Tot slot een persoonlijke anekdote. Een jaar of tien geleden doken de Sapfo-fragmenten op. Ze zijn echt, beweerde een Nederlandse classicus, want de inkt is spectroscopisch getest en dat is niet te vervalsen. Omdat alle relevante publicaties achter betaalmuren liggen, kon ik dat niet controleren. Het duurde een jaar voordat ik wist dat die methode bestond. Inmiddels is er een retractie, maar zelfs dat heeft de betrokken classicus weten te verprutsen.
Journalisten zouden dolgraag het academisch systeem kritisch doorlichten, maar als niet alle informatie openbaar is, staan ze te ver achter om dat te doen. Ik heb het geprobeerd en ik kan het niet.
Dat die methode NIET bestond.
Dan ben je misschien ook een voorstander van parlementaire journalisten die zelf in het parlement zitten?
Voetbaljournalisten die zelf meevoetballen?
Ik zou niet zeggen dat die embedded wetenschapscommunicatoren journalisten zijn. Zoals ik hierboven schrijf: journalisten zouden hun werk kunnen richten op het kritisch volgen van de wetenschap – zoals parlementaire journalisten. Over voetbaljournalistiek heb ik geen ideeën.
Dat je kritisch naar je onderwerp kijkt is natuurlijk eigen aan de journalistiek. Dat betekent met name dat heel veel onderzoek afvalt als onderwerp om over te schrijven.
Prima natuurlijk als wetenschappers zelf voor een breed publiek over wetenschap schrijven. Een enkeling kan dat. Voor de meesten geldt dat ze veel te veel binnen 1 specialisme zitten (of binnen 1 school bijvoorbeeld) en zich daarop enigszins blindstaren (wat voor de wetenschap functioneel kan zijn). Dan kun je de stap naar een breder, geinteresseerd publiek niet goed maken, volgens mij.
Overigens speelt in het geval van Sacks iets heel anders. Zijn boeken zijn literaire nonfictie en voor schrijvers van literaire nonfictie is de verleiding altijd groot om er dingen bij te verzinnen om het verhaal mooier te maken. Daar zijn wel een aantal bekende voorbeelden van. Die Pool bijvoorbeeld, hoe heet hij ook al weer?
Een mooi artikel. Ik doe toevallig onderzoek naar wetenschapsjournalistiek en zoek nog een paar journalisten die mee willen doen. Want, zo kun je stellen dat toegang tot kwalitatief goede informatie over wetenschap van cruciaal belang is. Journalisten geven die toegang (samen met wetenschappers).
In het onderzoek proberen we ontwikkelingen en uitdagingen voor wetenschapsjournalistiek beter te begrijpen. We vergelijken opvattingen van wetenschapsjournalisten uit Japan en Nederland. Je hoeft niet voltijd als (wetenschaps)verslaggever te werken, deeltijd mag ook. Wil je meedoen aan een Nederlandse online sessie? Stuur me dan een e-mail (a.m.dijkstra ad utwente.nl). Dan maken we een afspraak.
Dank, Anne Dijkstra, Universiteit Twente.
Het zou mooi zijn als je hierover dan t.z.t. hier kunt berichten!