Het begrip moedertaal staat de laatste jaren onder druk. Sommige taalkundigen vinden het onbruikbaar. In werkelijkheid is het helemaal niet zo gemakkelijk om van een individu te bepalen met welke taal zij precies is opgegroeid, en bovendien zijn er mensen die als niet-moedertaalspreker tot vergelijkbare, zo niet hogere vormen van taalbeheersing komen dan moedertaalsprekers. Bovendien werkt – ik denk met name in de Engelstalige wereld – het idee dat moedertaalsprekers op de een of andere manier het model zijn, discriminatie in de hand.
Dat zijn allemaal valide argumenten, maar toch heb ik me, bijvoorbeeld hier, regelmatig ongelukkig getoond met het idee dat we het begrip moedertaalspreker dan maar moeten afschaffen. Wetenschappelijk gezien weten we bijvoorbeeld dat er wel degelijk verschillen zijn tussen hoe mensen taal leren in de eerste jaren van hun leven en in latere jaren. En dat wat je op jonge leeftijd hebt geleerd ook een andere cognitieve en emotionele lading heeft: dat mensen bijvoorbeeld anders reflecteren op morele vraagstukken wanneer die in een vreemde taal wordt gesteld (het ‘foreign language effect’). Je kunt dat niet allemaal zomaar wegschuiven. En maatschappelijk: als je bepaalde taalgemeenschappen wil beschermen, wil je je daarbij misschien vooral richten op de mensen voor wie het de ‘eigen taal’ is, en niet op buitenstaanders die de taal ook hebben geleerd.
Ondoorzichtig
Het aardige van discussie is dat het je gedachten aanscherpt. Op een van de sociale media kwam een tegenstander van de moedertaalspreker met een link naar dit stuk, waarin het desbetreffende standpunt inderdaad helder verwoord wordt:
De term ‘native speaker’ beschrijft niet alleen een taalkundige werkelijkheid. Hij verankert aannames over geografie, ras, klasse en macht. Hij suggereert een norm, en die norm lijkt doorgaans op degenen die over culturele en economische macht beschikken.
Neem dit: zowel mijn grootmoeder als ik zijn native speakers van het Spaans. Maar zij verliet de school op haar twaalfde; ik heb mijn hele volwassen leven in onderwijsinstellingen doorgebracht. Ons Spaans verschilt ingrijpend. Het label ‘native speaker’ zegt niets over die verschillen, niets over wat een van ons daadwerkelijk met de taal kan doen.
Taalonderzoekers (ikzelf inbegrepen) gebruiken ‘native speaker’ al lange tijd alsof het een wetenschappelijke categorie is. We schrijven artikelen waarin ‘native’ en ‘niet-native’ sprekers met elkaar worden vergeleken. We werven proefpersonen op basis van hun native-spekerstatus. We behandelen het als een betekenisvolle variabele.
Door dit te lezen, werd me ineens duidelijk waar het probleem zit: niet zozeer in het begrip ‘native speaker’/moedertaalspreker als wel in het begrip taal, met name van een taal als een afgebakend begrip. Het is tot op zekere hoogte raar om te zeggen dat Cristina Lozano Argüelles en haar grootmoeder moedertaalsprekers zijn van dezelfde taal. Maar dat is niet omdat ze geen moedertaalsprekers zijn, maar omdat Spaans een veel te vage en ondoorzichtige term is.
Andersom
Talen zijn helemaal niet duidelijk van elkaar afgebakend. Ze lopen op allerlei manieren in elkaar over: aan de grens vloeien Nederlandse en Duitse dialecten klassiek door elkaar, en overal elders zijn er mensen die vrolijk woorden en constructies en ideeën en klanken van over de hele wereld gebruiken – soms noemen we dat dan Nederlands met een licht accent, soms een mengelmoesje, soms een vreemde taal met Nederlandse invloeden, maar eigenlijk is dat natuurlijk een continuüm. Er is geen afgebakende grens.
Om het maar eens even op mezelf te betrekken: ik ben wel een moedertaalspreker, maar niet van ‘het Nederlands’. Ik leerde de taal die er in mijn omgeving werd gesproken en die enerzijds beperkter was dan ‘het Nederlands’ (wij spraken thuis nooit over ornithologie, dus ken ik nog steeds lang niet alle Nederlandse vogelnamen), anderzijds anders dan wat sommige mensen als ‘het Nederlands’ zouden beschouwen (veel Rotterdamser), en het bevatte allerlei elementen (‘andere talen’). Dát was mijn moedertaal, díé mix speelt een bijzondere rol in mijn taalachtergrond en in mijn leven. Niet ‘het Nederlands’, want dat is een abstractie, iets dat sowieso niemand precies spreekt.
Het lijkt misschien een beetje gek dat iemand die ‘hoogleraar Nederlands’ is zoiets schrijft in een tijdschrift Neerlandistiek, maar eigenlijk vind ik het gekker dat iemand als Argüelles (die zelf als taalkundige werkt aan de prestigieuze City University of New York) wél uitgebreid stelling neemt tegen het begrip moedertaalspreker, maar nergens het begrip taal of Spaans (of Asturisch, haar ‘andere moedertaal’) of Engels (waarin ze zegt sommige dingen te kunnen doen die ze in het Asturisch niet kan, zoals academische lezingen geven) nader te beschouwen.
Argüelles verwijs in haar stuk ook naar een taalkundig collectief (ROLE) dat zich ten doel heeft gesteld om ten strijde te trekken tegen misconcepties zoals het begrip ‘moedertaalspreker’. Zij zeggen: er bestaan wel talen, maar geen ‘native speakers’. Ik zou het andersom zeggen: er bestaan wel native speakers, maar geen talen.

Ik woon in Asturië en ben opgewekt weer eens een ander Spaans te horen. Voorheen het Spaans in Catalonië en het Spaans in Andalus. Deze gebieden en bevolking ‘native speakers’ hebben allemaal hun eigen moedertaal het Spaans. Ik denk te begrijpen wat Argüelles bedoelt. Het is zoiets als een Limburger het Nederlands op z’n Duits met een Belgische tongval uitspreekt. (In bepaalde gebieden.)
Hier een voorbeeld:
https://crislozano.substack.com/p/should-your-spanish-teacher-be-from
Ik begrijp niks van dit stuk. Er bestaat toch Standaardnederlands, voorheen Algemeen Beschaafd Nederlands? Dit wordt gebruikt op scholen en zelfs mensen die dialect spreken thuis, kunnen moeiteloos omschakelen als ze met een buitenstaander spreken. Zo bestaat ook Hoch Deutch en ik neem aan dat de meeste talen een officiële versie hebben die door overheden en scholen wordt gebruikt.
Maar dat betekent niet dat het onderwezen taal – Standaardnederlands- de moedertaal is.