Over Tot alles in beweging komt van Ester Naomi Perquin

In november 2025 publiceerde Ester Naomi Perquin haar eerste roman, getiteld Tot alles in beweging komt. Tot dan toe kenden lezers haar van dichtbundels en columns, maar ook als dichter des vaderlands (voor de periode 2017-2019) en als presentator van de Nacht van de Poëzie en radioprogramma’s. De verschijning van haar roman had het karakter van een evenement: in de media was er onmiddellijk veel aandacht, herdrukken waren een logisch vervolg. In onze beschouwing willen we aandacht schenken aan de ‘beweging’, waarvan in de titel sprake is, en aan het zwijgen en de stilte die in de roman een prominente rol spelen.
Ester Naomi Perquin leidt in de roman de hoofdpersoon en vertelster Ela langs de lijnen van haar leven en schrijven. In dat leven ziet de lezer Ela als klein meisje en dochter, als partner, als gevangenisbewaarder in opleiding en functie, als schrijfster, als echtgenote en moeder. Dat leven wordt niet in chronologische orde opgedist: weliswaar opent de roman met het beeld van de stervende vader, gezien door Ela als jong meisje, met kort daarop de scène waarin Ela als moeder met haar dochter in de trein reist. Tegen het einde van de roman is er de aangrijpende geschiedenis van Ela tussen haar zeventiende en twintigste, waarin de zieke en ongelijkwaardige relatie met de oudere ‘geliefde’ P. aan bod komt. Tussen het begin en het slot van het boek ontsnapt Ela aan P. en arriveert ze in de grote stad, waar ze in de gevangenis gaat werken, treedt ze op als dochter, als schrijfster, als zus en ook als moeder van twee zonen en een dochter.
De roman is ongewoon rijk en schitterend geschreven. In recensies en interviews zijn tal van aspecten van de roman besproken, zoals het misbruik, waarvan Ela, haar broer en tante, slachtoffer waren, althans met een zekerheid die varieerde van onbetwijfelbaar tot mogelijk. Aandacht was er ook voor de bijzondere rol van Ela’s moeder. In de roman wordt in het midden gelaten of de moeder op de hoogte was van het misbruik. Over die moeder straks meer. De geheimen van het boek en het leven van Ela worden bij eerste lezing van de roman niet onmiddellijk prijsgegeven: de roman moedigt de lezer al tijdens de lectuur en zeker erna aan om het gelezene te overdenken, om – zoals de titel van de roman voorschrijft – ‘in beweging’ te komen.
In de roman vallen enkele correspondenties op. Zo is er overeenstemming tussen het gezin waarin Ela opgroeit en het gezin dat zij als moeder vorm geeft – twee zonen, één dochter –, de overeenstemming tussen de Singel-gevangenis, waar Ela als bewaarder werkt, en de instituties, waar haar broer David opgenomen is. Er is verder overeenstemming tussen het gedrag van de moeder en dat van haar dochter Ela en zoon David: moeder en dochter lezen in afzondering, David spreekt soms als zijn moeder.
Veel treffender dan de correspondenties zijn de opposities. De belangrijkste tegenstelling verschijnt impliciet in de titel van de roman: tot alles in beweging komt, veronderstelt voorafgaande stilstand. Stilstand neemt in de roman veelal de vorm aan van zwijgen, verzwijgen en stilte. Dat zwijgen en verzwijgen mogen gerust als product van nalatigheid gezien worden. De beklemmende stilte kan alleen doorbroken worden door handelen, spreken en schrijven, pas dan is er beweging.
Beweging
Ruim tien keer komt het woord bewegen in de roman voor: soms als werkwoord, dan weer als zelfstandig naamwoord beweging. Al op bladzijde 6 is het twee keer raak. De doodzieke vader van Ela krijgt in de kamer, waar hij op bed ligt, bezoek van zijn jonge nieuwsgierige dochter: zij ziet ‘beweging’ in de met haar vader verbonden urinefles, kort erna produceert het kistje, waarin Ela vermoedt dat het hart van haar vader zit, ‘een snerpend kattengejank’, dat in het huis ‘alles in beweging bracht’. In de roman, zo blijkt uit dit begin, is er pas beweging, wordt er pas gesproken en gehandeld als de alarmbellen afgaan.
In de daaropvolgende hoofdstukken is er op tal van momenten aanleiding om in te grijpen, in actie te komen. Een sleutelscène beschrijft wat er gebeurt tijdens de reis van Ela met haar vijfjarige dochter Mare, in de trein vanuit Meppel, en wat Ela daar later over schrijft en denkt. Haar man Gideon en hun twee zonen kiezen met de auto de avontuurlijke route huiswaarts, Ela en haar dochter nemen de trein. Al een kenmerkend onderscheid tussen het leven van vaders en zonen én moeders en dochters. Ela neemt in de trein waar hoe een gladgeschoren medepassagier, ‘met een KLM-stropdas’, langdurig tuurt naar de dijen en het onderbroekje van Mare. De moeder ziet het wel, maar beschermt haar dochter niet tegen deze blikken. Ela voelt zich daarover niet enkel naïef, maar zelfs ‘onoplettend, ongeschikt’. Wat later trekt Ela een deken van stilzwijgen over het ‘voorval van niks’: ‘ons is niets overkomen’. Ingegrepen heeft Ela dan niet, deze gebeurtenis in de trein accelereert desondanks het denken, het herinneren en schrijven van Ela. Zij komt schrijvend in beweging.
Als Ela in de gevangenis wil gaan werken, wordt ze in een sollicitatiegesprek door zes geüniformeerde mannen op de proef gesteld. Haar wordt een casus voorgelegd waarin zij getuige is hoe een man van het ene op het andere moment zijn controle verliest, zijn vriendin voor alles en nog wat uitmaakt, glazen kapot gesmeten worden, ‘kortom: stront aan de knikker’. De vraag aan Ela luidt wat zij dan doet. Zij antwoordt – en blijkbaar is dat voor de heren het goede antwoord – dat ze stil zou blijven zitten waar ze zat: Ela kon haar niet helpen, de vrouw moest zelf in beweging komen. Interveniëren wordt hier afgeraden. Wie geslagen wordt, moet zelf handelen.
Zwijgen, verzwijgen, stilte
In de roman is Ela’s vader Lex of Alexander de eerste die opvallend zwijgt. Ooit was hij een man van talen en Bijbelstudie, in het gezin was hij het die met de kinderen speelde. Zijn ziekte heeft hem van de spraak beroofd, al zoekt Ela non-verbaal contact met hem. Met zijn overlijden is de kans op herwinning van de spraak voorbij. Al weerhoudt dat anderen niet om hem ter sprake te brengen, om hem te missen of te beschuldigen.
Micha, de oudste zoon, cultiveert de praktijk van het zwijgen. Zwijgen wordt verzwijgen waar hij zijn zus Ela haast verbiedt om te schrijven over hun overleden vader Lex. Het is immers ook zijn vader, zo stelt hij, en hij wil dat het misbruik door Lex, dat tijdens de familiereünie onthuld is niet verder geopenbaard wordt. De jongste en kwetsbare broer David mag het niet weten en de moeder al helemaal niet. Het verbod van Micha komt voor David te laat: van Ela hoort hij dat de vader in zijn jeugd zijn jongere zus Magda misbruikt heeft – dat is het geheim dat een van de tantes onthulde – en dan bekent David dat de vader ook hem heeft misbruikt. Met nog grotere dwang bepleit Micha de stilte.
Ela kent zelf ook een geschiedenis van zwijgen: als kind en tienermeisje is ze het slachtoffer van seksueel geweld. Ze ontvluchtte als zeventienjarige scholiere het ouderlijk huis. In de vier jaren, die ze daarna met P. leefde, veranderde het toevluchtsoord in een gevangenis, waarin hij haar manipuleerde, zijn wil oplegde en haar wil negeerde. Deze geschiedenis van dader en prooi staat centraal in het voorlaatste hoofdstuk. In tegenstelling tot de andere hoofdstukken wordt dit hoofdstuk niet door Ela in de ik-vorm verteld, maar in de jij-vorm. Alsof Ela van zichzelf vervreemd is, alsof het haar onmogelijk is over zichzelf te spreken en ze de eigen ervaring op afstand wil houden. Lijkt deze de-personalisering op het zwijgen en verzwijgen van tante Magda? Zij was het slachtoffer van het misbruik door haar broer Lex, maar zij wil het niet verteld hebben.
Ela’s moeder
Wie zeker niet zwijgt, is Ela’s moeder, het enige familielid dat geen naam krijgt. Maar spreken kan ze, al doet ze dat bij voorkeur in welgemikte en scherpe bewoordingen. Haar opmerkingen zijn zo dodelijk dat nadere conversatie in de kiem gesmoord wordt. Met haar spreken legt ze anderen het zwijgen op, vragen aan haar kinderen stelt ze niet en er komen dus ook geen antwoorden. Op het oog wedijvert ze hier met P., maar die kijkt niet weg, maar manipuleert. Ela’s moeder onttrekt zich aan het gezin. Van meet af aan treedt zij op als lezer, liefst op het balkon: ‘Als mama wilde lezen zonder luidruchtig nageslacht, ging ze op het balkon zitten en zette ze papa in de woonkamer neer’. Na verloop van tijd wordt het balkon haar natuurlijke biotoop en trekt ze zich terug in lectuur. Alsof het gezin tot een stilleven is gestold: ‘Mama zat op het balkon te lezen en David lag op de bank, onder een dekentje.’ Tamelijk laconiek vertelt Ela dat de moeder eigenlijk geen kinderen wilde, de kinderwens was die van de vader. Verwijdert ze zich daarom? Ze wil lezen op het balkon, dat is naar haar idee beschaving en dat zijn die rumoerige kinderen niet. Haar verweer bestaat niet alleen uit de gekozen locatie en de gekozen activiteit, die afzondering veronderstellen en versterken, maar ook door de uitdrukkingen waarmee ze het gezin op afstand houdt. De kinderen verschijnen bij haar als ‘luidruchtig nageslacht’.
Deze moeder maakt deel uit van een reeks van literaire moeders die zich verzetten tegen de rollen die de traditie, de echtgenoten, van hen vragen. Nog niet eens zo lang geleden voerde Maria Kager in haar roman De buitengewoon geslaagde opvoeding van Frida Wolf een geestige en weerbare moeder ten tonele. Die weigerde niet alleen te moederen, maar voerde op onorthodoxe wijze een praktijk als psychologe. Door haar ongelukkig overlijden viel de zorg voor dochter Frida de vader toe. Bij Perquin zadelde de vader zijn echtgenote op met een ouderschap dat zij niet wenste. Toeval of niet: in beide romans speelt de gevangenis een belangrijke rol als locatie.
Ela’s moeder had geen zin en misschien ook geen talent voor het moederschap. Tamelijk onaangedaan noteert ze het vertrek van haar kinderen: als David wordt opgenomen, dan heeft ze aan een half woord genoeg om hem niet op te zoeken; als Ela, nog een scholier, intrekt bij de oudere P., dan aanvaardt de moeder dat gelaten. Haar gedrag roept vragen op. Wat zijn mogelijke verklaringen? Vanwege haar huwelijk met de katholieke Lex verbraken haar protestantse ouders de band met hun dochter. In de familie van Lex vond ze geen compensatie, ze bleef ‘jullie moeder’. Traumatiseerde dat haar?
Maar Mare
In haar meisjesjaren is Ela enkele keren geconfronteerd met grensoverschrijdend gedrag, door een oppasvader bijvoorbeeld. Het lijkt erop dat iedere alertheid van de moeder ontbrak op dat wat de dochter trof. Wat de empathie van de moeder daarbij in de weg stond, was dat ook Ela verkoos te zwijgen. Het lijkt bijna een logisch vervolg dat de relatie waarmee Ela het huis en de herinnering aan misbruik ontvluchtte haar dreef in de armen van P. en haar andermaal bloot stelde aan seksueel geweld en kleinering.
Over misbruik sprak Ela niet, de moeder keek de andere kant uit en zag dus mogelijkerwijs niet welke verontrustende scènes zich binnenshuis afspeelden. Maar aan dat zwijgen en die onoplettendheid komt een einde. De gevangenis, waar ze werkt, is al een leerschool, die haar terugwerpt op zichzelf en zich bewust maakt van haar vrouwelijk lichaam. De beschouwing van het eigen geslacht krijgt een vervolg in een verontrustend nauwkeurige inspectie van haar zogende borsten. In alle kwetsbaarheid hervindt Ela zo haar ‘naakte’ eenheid.
Het is in het bijzonder de aanstaande verantwoordelijkheid voor een dochter die haar wakker schudt, de herinneringen aan het ondergane misbruik weer naar boven brengt en haar tot spreken, schrijven en handelen aanzet. De verantwoordelijkheid voor Mare dwingt haar tot spreken over de eigen ervaringen, tot handelen. Zo komt in de roman en in het leven van Ela langzaam maar zeker alles in beweging. De noodlottige keten waarin van generatie tot generatie het zwijgen en verzwijgen de toon zet, wordt zo doorbroken.

Laat een reactie achter