De knipoogjes en lofreden van een vrouwelijke uitgever
Bijna was ik haar vergeten, Katharina Lescailje (1649-1711). Shame on me. Zij is de reden dat de podcastserie Historische Klassiekers niet uit tien, maar uit elf afleveringen bestaat. Deze veeldichter en drukker zou zich in haar graf omdraaien: zo hard gewerkt, zo de nek uitgestoken en dan nóg ongezien gebleven.
Als mannen halverwege de zeventiende eeuw meer beginnen te publiceren (terwijl je met schrijven nog nauwelijks tot niets verdient), blijven vrouwen in beginsel wat achter. Ze voelen misschien niet zo’n noodzaak met hun teksten te koop te lopen: ze kregen er toch geen cent voor. Of ze hebben er geen tijd voor, vinden het te veel rompslomp.
Lescailje was een van de productiefste dichters eind zeventiende eeuw. Doordat ze het te druk had met het verbeteren van andermans teksten, verscheen een boekwerk op haar naam pas ná haar dood. Dankzij haar neef, in 1731. Drie kloeke delen werden het. Wel publiceerde ze veel van haar gedichten in plano (grote vellen) of in bundels met meerdere auteurs, stuk voor stuk door haar vader of later, vanaf 1679, door haarzelf gedrukt. Daaronder ook huwelijksgedichten (in bundels voor het bruidspaar), maar ook gedichten naar aanleiding van politieke gebeurtenissen en oorlogen. Hoewel we gezien hebben dat vrouwen vaker over politiek dichtten, blijft dat toch nog steeds heel bijzonder voor een vrouw. Overigens was Antoinette Bourignon, die hier eerder in het zonnetje is gezet, nóg productiever dan Lescailje. Toevallig hadden beiden een eigen drukpers tot hun beschikking.
Het opmerkelijke aan Lescailje is, dat haar werk insloeg als een bom. Niet alleen werd zij in allerlei literaire overzichtswerken ofwel als enige of als een van de weinige vrouwen opgenomen, ook lieten veel vrouwen weten dat Lescailje hun grote inspiratiebron was of werd Lescailje hen voorgehouden als voorbeeld: ‘in het spoor der dichteressen’. Om zo’n vrouw kon ik dus niet heen. Bovendien is zij voor de toneelwereld een factor van belang geweest. Zelf bewerkte ze zeven Frans-klassieke tragedies, waarvan er zes werden opgevoerd. En het is juist dit terrein waar vrouwen langzaam maar zeker sterker vertegenwoordigd raken, totdat eind achttiende eeuw twee Hollandse vrouwen op de troon zitten van het dan meest literaire en moeilijkste genre: de tragedie. De mannen om hen heen in adoratie over hun kunnen.

Ellen Deckwitz verzorgde hertalingen van 8 gedichten van Lescailje, hier te vinden op de website van Fixdit. Ik loop ze met u door om een indruk te geven van de veelzijdigheid van deze bijzondere vrouw, die het dichten zag als reclame en betaalmiddel ineen. Om haar drukkerij lopende te houden, deelde ze hier een trouwgedichtje uit aan deze, daar een rouwgedichtje aan gene, bewerkte ze toneelteksten om haar voet binnen de deur van de Stadsschouwburg te houden, waar ze het exclusieve recht had om voor te drukken én becommentarieerde ze politieke gebeurtenissen uit haar tijd om haar visitekaartje voor toekomstige opdrachtgevers af te geven.
(Het is handig om de gedichten er geopend bij te houden.)
1. Op den heere mr. Joan de Wit, raadpensionaris van Holland, enz.
1672, wie kan dat nog ontgaan: het rampjaar waarin Johan de Witt letterlijk wordt gevild door een woedende mensenmassa in Den Haag. U kunt achteloos aan de plek voorbij lopen. Hij en zijn broer werden opgehangen op het Groene zootje, vlakbij de Gevangenpoort:
Lescailje schreef een lofdicht op raadpensionaris Johan de Witt. Hij stierf ‘ongeveerd van smet en schuld’. Ze haalt Cato en Cicero erbij: ze eert hem met alle retorische middelen. Zijn dood is een tragisch offer in dienst van de republikeinse deugden. Tegelijk geeft ze vorm aan het nationale ‘naberouw’ en de ‘kwynende gemeente’, alsof het een foutje was en het volk alweer spijt heeft van de lynchpartij. Opmerkelijk genoeg gaat ze daarmee in tegen de ideeën van een grote groep mensen.
Het gedicht is geheel geschreven volgens het retorische boekje waarmee je hogere republikeinse waarden eert. Zo houdt ze politiek meer afstand dan wij er misschien in zouden leggen. Toch is het opvallend dat een vrouw zo stelling neemt. Sluit ze zich soms (slim) bij de regenten of andere potentiële klanten aan?
2. De verdrukte vryheid aan Amsteldam
Ook dit gedicht stamt uit het rampjaar: in 1672 kwamen verschillende dramatische ontwikkelingen samen. De Republiek werd dit jaar tegelijk aangevallen door Frankrijk, Engeland en diverse Duitse staten. Je zou Lescailjes gedicht een soort column kunnen noemen voor Het Parool, met een vaderlandslievende of zeer betrokken insteek.
Lescailje smeekt de Amsterdammers om hun ogen te openen, hun oren ‘op te steken’. Pas op voor de roofzieke aardstirannen, dicht ze, de vrijheid dreigt z’n vleugels te verliezen. Ze eindigt dan ook met een advies aan de vier burgemeesters van de stad; hou stand tegen de dreigende monarchie! Nergens noemt ze stadhouder Willem bij naam, toch weet iedere tijdgenoot op wie ze doelt. De retorische middelen maskeren haar mening, wat het gedicht tijdloos maakt. Daardoor kun je er evengoed een pleidooi in lezen tegen de bedreiging van tirannen in ónze tijd.
3. Aan de kunstryke poëetes mejuffrouw Cornelia van der Veer; toen ik haar E. geboortedag niet had geviert
Dit verjaardagssonnet lijkt wel een mopje. Terwijl Lescailje zich excuseert dat ze het feestje van haar geleerde, dichtende vriendin Cornelia van der Veer vergeten is, overdekt ze haar met zoveel lof dat het op de lachspieren werkt. Tegelijk is dit natuurlijk geen brief; deze lof was niet bedoeld om privé te blijven.
Aan het einde van de zeventiende eeuw ontstaan in de Republiek vrouwelijke dichterlijke kringen; vrouwen die met elkaar corresponderen en converseren over de kunsten en elkaar zo beïnvloeden. Doordat Lescailje klassieke retoriek gebruikt en de Negen muzen noemt, plaatst ze haar vriendin zichtbaar in een literair netwerk en geeft haar zo een kontje.

4. Op het huwelyk van Thomas **** oud XXVI jaaren, en Grietje **** oud XLVIII jaaren
Hoe deze huwelijkszang te interpreteren blijft de vraag. Het zou kunnen dat het daadwerkelijk een huwelijksgedicht was voor de 26-jarige Thomas en 48-jarige Grietje. Het idee was indertijd dat vrouwen – ook al moesten ze uiterst kuis zijn – van nature ten prooi vielen aan nagenoeg onbedwingbare sensuele lusten, dus dan is het zo gek nog niet dat Grietje een jongere kerel aan de haak heeft geslagen. Maar net zo goed kan het een grote grap zijn geweest, een ‘jok’, enkel ter vermaak.
De strekking is dat Thomas zijn jeugd lijkt te verspillen aan zo’n oude vrouw. Hij ruilt lente in voor winter, zo denkt iedereen. Maar Lescailje draait het om: juist wie bewezen trouw en deugd kiest, oogst geluk;
Want niemand droeg ooit beter zorg
Als wel een Moeder voor haar Zoon.
Dus beste mensen, Thomas is een bofkont: hij treft een ‘paerel’ van een vrouw!

5. Op de dood van den fenix der dichteren Joost vanden Vondel
Lescailje heeft Vondel nog gekend, dus geen wonder dat ze hem zijn herrijzenis uit de as gunt, als een phoenix. Deze taaltovenaar had haar aangemoedigd te schrijven. Ze schreef dan ook vele lofdichten op hem. Hij had in december 1623 nog het 17 pagina’s tellende ‘Bruyloftslied’ op Tesselschade Roemers en ‘Alard Krombalck’ voorgedragen en verbindt zo de dichter Roemers uit aflevering 3 met Katharina Lescailje.
‘Maar ach! hy is niet meêr,’ die Rijnzwaan, roept Lescailje uit, ‘doch leeft in eeuwigheid op duizenden van tongen’. En is het niet waar? Wie kent niet zijn rijmpje, dat ooit de Amsterdamse Schouwburg sierde?
De wereld is een Speel-Tooneel
Elck speelt sijn rol en krijgt sijn deel

6. Grafschrift van mejuffrouwe Susanna Veselaer, weduwe van den heere Jan Jacobz. Schippers
Lescailje schrijft hier een lof op het overlijden van een collega: weduwe en drukker Susanna Veselaer. Haar beroep bewijst weer dat drukkerijen echt niet alleen van vader op zoon overgingen, maar ook van man op echtgenote. Lescailje zelf was een levend voorbeeld van het feit dat drukkerijen van vader op dochters konden overgaan: zij en haar zus namen de leiding over na zijn dood in 1679.
Het lijkt een beetje vreemd dat Lescailje haar concurrent hier eert, maar dat past prima in een tijd waarin het draaide om reputatie en betrouwbaarheid. Door Veselaer neer te zetten als hoogbejaard, eerbiedwaardig en eindelijk tot rust gekomen, erkent Lescailje haar heel beleefd als deel van hetzelfde professionele netwerk waar zijzelf een rol in speelt.
Grappig aan dit gedicht is het zogenaamde ‘Anders’. Dat is een soort ‘bis’ of ‘encore’. Dan doet ze het lijkdicht nog eens overnieuw om haar kunde te showen, maar vooral om Veselaer extra te kunnen eren, maar dan zoals ze stierf op haar buitenhuis Blijendaal (what’s in a name).
7. Op de oorlogszege van den jaare MDCCII
Lescailjes politieke poëzie verandert langzaam van toon, waarschijnlijk om zakelijke redenen (zo laat wetenschapper Nina Geerdink ons zien, die in de vorige aflevering van Historische Klassiekers over Johanna Hobius vertelde). In het begin van haar dichterschap waarschuwt ze bijna als een activist voor de stadhouder die monarch wil worden. Later matigt Lescailje haar toon en schuift op richting het religieuze.
In dit politieke gedicht is niet Willem III de centrale held, ze schrijft de zege toe aan God. Dat is ook wel logisch, want Willem is overleden en de Republiek gaat zonder stadhouder verder. Lescailje presenteert de oorlog niet als de persoonlijke zege van Oranje, maar als een rechtvaardige, door God gesteunde zaak die de republikeinse continuïteit moet onderstrepen. Haar loyaliteit blijft hetzelfde, maar ze vergroot met het religieuze de afstand, waardoor ze er ook wat ongrijpbaarder door wordt.
8. Rozenmond, hardersklagt
Tot slot laat deze lange pastorale liefdesklacht zien dat Lescailje van alle markten thuis was: dichter op de huid kan haast niet. De nadruk ligt op verlangen, afwijzing en poëtische overgave. Rozenmond, waarmee het gedicht opent, was een welbekende verwijzing naar een geliefde. Een naam die tegelijk stond voor schoonheid als kwetsbaarheid. Dat het gedicht voor een ‘NN’ is geschreven, sluit daarbij aan: de anonimiteit beschermt zowel de dichter als de geadresseerde en is typisch voor dit genre.
Net als in de gedichten van Tesselschade Roemers is er sprake van een grote lichamelijke beleving. Verlangen uit zich als een ‘heeten brand’ in een ‘koude borst’ en het schrijven zelf lijkt wel op lichamelijk leegbloeden. De schrijver is jaloers: de brief kan misschien zelfs haar mond raken
Een gunstig windje brengt misschien hem aan uw mond.
Ei my! dat denken geeft vernieuwing aan myn wond;
Inkt, bloed en tranen worden verwisselbaar. Weet Rozenmond wel van de liefde?

Wat een lijden, wat een prangende hartstocht. Rozenmond heeft dan weliswaar fysiek de macht, bezit het hart, veroorzaakt het lijden, maar de schrijver houdt moreel de macht en ondergaat dat alles:
Ik blyf in myn elende u echter noch geneegen
Een prachtig gedicht voor Valentijnsdag, nietwaar?
Ellen Deckwitz maakt de gedichten van Katharina Lescailje voor u opnieuw toegankelijk. De elf pagina’s hertalingen van Lescailjes werk zijn in z’n geheel te lezen op de site van Fixdit. Niet alle gedichten komen aan bod in de podcast. Welke wel, dat hoort u volgende week vrijdag in de podcast over Katharina Lescailje!
Laat een reactie achter