Praten apen echt als mensen?

In april volgend jaar verscheen in Science een studie die op allerlei websites voor opwinding zorgde. Bonobo’s in Kongo bleken hun roepen te combineren! En sommige van die combinaties hadden een betekenis die niet simpelweg de optelsom was van de delen! Zoals mensen ook woorden aan elkaar plakken (van bonobo en biologie maak je bonobobiologie). Ik schreef er zelf hier ook over. De onderzoekers concludeerden dat bonobocommunicatie “sterkere parallellen met menselijke taal” vertoont “dan eerder werd gedacht”.
Rokkendrager
Maar die conclusie was wel wat voorbarig, zoals de Utrechtse taalkundige Riny Huijbregts laat zien in een recente analyse op de website LingBuzz. De écht interessante resultaten van het onderzoek blijven onderbelicht door de neiging om veel te grootse claims te maken.
Want er is wel degelijk verschil – wij mensen gebruiken structuur in onze taal op een manier waarop de bonobo’s dat niet doen. Neem het Nederlandse woord theoretisch. In theoretische natuurkunde slaat dat op het zelfstandig naamwoord erna: de natuurkunde is theoretisch. Maar een theoretisch natuurkundige is geen natuurkundige die theoretisch is, maar iemand die theoretische natuurkunde beoefent. Taalkundigen schrijven dat wel met haakjes: de betekenis is niet (theoretisch (natuurkundige)), maar ((theoretisch natuurkund(e)) ige).
Een ((American football) player) is op dezelfde manier in het Engels iets anders dan een (American (football player)): de eerste is iemand die American football speelt en de tweede is een Amerikaan die voetbalt. In het Nederlands geef je dat verschil soms weer in de spelling:een Schotse rokkendrager tegenover een Schotserokkendrager, Maar in de uitspraak hoor je de spatiëring of de haakjes niet, en zijn alle voorbeelden die ik hierboven gaf, ambigu. Van zulk soort dubbelzinnigheden is onze taal, en misschien wel elke menselijke taal, vergeven.
Fietsburgemeester
Voor zulke ambiguïteiten heb je minstens drie elementen (Schotse, rokken, drager) nodig die op minstens twee niveaus gegroepeerd worden (Schotse gaat samen met rokken, het eerste niveau, en dat geheel weer met drager, het tweede). Dat is kenmerkend voor de menselijke taal: ze zbouwt structuren die in ieder geval in theorie steeds verder kunnen groeien. Ieder mens heeft kennelijk de beschikking over de mogelijkheid dit soort vormen te bouwen.
Bonobo’s doen het anders. Zij combineren hun kreten soms, maar altijd in rijtjes: ze plakken twee of drie woorden achter elkaar, zonder haakjes. Er is geen verschil tussen (X Y) Z en X (Y Z), het is allebei XYZ. Dat is het verschil tussen een menselijk bouwpakket met oneindig veel mogelijkheden en een beperkt aantal gelijmde bonoboblokjes.
Huijbregts laat daarnaast zien dat de combinaties van bonobokreten niet de statistische patronen laten zien van menselijke taal. Bij menselijke samenstellingen – fietsbel, kerkklok, stationshal – volgt de verdeling van combinaties een voorspelbaar patroon: de verwachte en de werkelijk aangetroffen frequenties komen overeen: als fiets een veelvoorkomend woord is, dan zijn samenstellingen met fiets dat ook.
Bij bonobo’s zie je zulke patronen niet. Sommige verwachte combinaties ontbreken volledig, andere komen juist verdacht vaak voor. Dat wijst erop dat de apen bepaalde combinaties uit hun hoofd hebben geleerd – wat overigens knap genoeg is, – maar niet dat ze een regel hebben waarmee ze steeds weer nieuwe combinaties kunnen maken: fietsbel, fietsstuur, fietspomp, fietstoestanden, fietsfan, fietskrant, fietsgezelligheid, fietsburgemeester, fietsbeldoosje, fietsburgemeesterswoning,.. (De woorden worden minder bruikbaar in het dagelijks leven, maar daardoor niet minder echt. Je kunt je altijd een situatie voorstellen waarin een burgemeester zoveel op zijn rijwiel te vinden is dat hij de fietsburgemeester genoemd wordt, en zijn woning ook een passende naam mag dragen.)
Reeksen klanken
Dat twee klanken die ieder los kunnen voorkomen, ook in combinatie gebruikt worden, betekent bovendien niet vanzelf dat de combinatie opgebouwd is uit die losse klanken. Huijbregts trekt een grappige vergelijking met het Nederlands: het woord karwei bevat de lettergrepen kar en wei, maar heeft geen enkel verband met een kar of een wei.
Maakt dit het bonobo-onderzoek waardeloos? Natuurlijk niet. Dat bonobo’s zeven roepen op negentien manieren combineren en dat sommige combinaties een eigen betekenis hebben, is op zichzelf opmerkelijk genoeg. Onze neven de bonobo’s roepen echt niet zomaar wat. Maar de sprong naar menselijke taal is daarmee nog niet gemaakt. De wiskundige eigenschappen van aan-elkaar-rijgen zonder haakjes – het enige wat bonobo’s doen –, laat Huijbregts zien, zijn echt anders dan wat voor menselijke taal nodig is. Wat we met niet-menselijke primaten delen, is het vermogen om reeksen klanken te maken. Dat is niet niks. Maar het is ook geen taal.
Laat een reactie achter