
Hoezeer Nederlandse literatuur verweven is met de haar omringende literaturen en talen blijkt eens te meer uit het oeuvre dat Menno Wigman (1966-2018) heeft nagelaten. Wigman – zijn generatiegenoten laten hun stem nog gewoon horen en kunnen ervan getuigen – was behalve dichter en bloemlezer ook vertaler, nog vóór zijn officiële debuut in 1997 met de dichtbundel ’s Zomers stinken alle steden. Al in de tweede helft van de jaren tachtig, als student Nederlands, liet hij van zich horen met een eigen tijdschrift waarin vertalingen stonden van de schrijvers die hem fascineerden: Verlaine, Baudelaire, Rimbaud. Zijn eigenlijke debuut in letterenland was in zijn rol als vertaler: in 1989 met vertalingen uit Baudelaires Les fleurs du mal. Behalve uit het Frans vertaalde hij uit het Duits – allebei geen talen waarin hij verder was opgeleid, maar ook hier werd hij gedreven door een intense belangstelling voor schrijvers die zijn eigen poëtica aanscherpten: Gottfried Benn en Else Lasker-Schüler. In haar portret laat Carlijn Brouwer overduidelijk uitkomen dat het schrijven van eigen gedichten en het vertalen van gedichten van anderen voor Wigman organisch in elkaar overgingen. De wederzijdse bevruchting van Nederlandse en buitenlandse literatuur werd door hem zogezegd belichaamd: het Franse decadentisme en de Duitse morbiditeit waar Wigman zo uit putte, maken onlosmakelijk deel uit van zijn eigen werk. ‘Ik moet er niet aan denken wat voor gedichten ik had geschreven als ik me nooit in Baudelaire of Benn had verdiept,’ gaf hij toe, ook op momenten – rond 2002 bijvoorbeeld – dat hij het vertalen aan de wilgen wilde hangen. Vertalen was voor Wigman zowel een martelgang als een vrijhaven.
Meer weten over Menno Wigman? Lees het portret op het Vertalerslexicon.
Laat een reactie achter